De minister keek hem aan. "Waarom?"

"Omdat.... omdat ik zulks wensch," luidde het antwoord op onderdanigen

toon.

"Nu, kort en goed, Mo; mijne vrouw heeft mij verteld, dat zij de

hoofden van onze jongens op hol maakt.... en ik heb haar beloofd te

zullen zorgen, dat zij weg kwam."

"Ik hoop dat uwe Excellentie mij het niet kwalijk zal nemen, maar uwe

Excellentie moet toestaan, dat ik haar bij mij houd," antwoordde Mo,

en verdween in het kleine vertrek, dat aan de kamer van den minister

grensde.

De minister zat een oogenblik in gepeins. Het gebeurde soms wel,

dat Mo zwarigheden maakte, maar gewoonlijk werden die uit den weg

geruimd, wanneer de minister de kleine lade van zijne schrijftafel

opende. Het ergste van de zaak was, dat hij er nu zeker van kon zijn

eene scène met zijne vrouw te zullen krijgen.

De kleine bange secretaris voor de verzendingen had het eerst van

het slechte humeur des ministers te lijden; de hoofdcommies Delphin

zelfs liep niet geheel vrij, en weldra was het in al de kamers van

het Departement bekend, dat de minister slecht geluimd was. Er was een

geloop en een gefluister in de vertrekken, de hoofden werden over de

lessenaars heengestoken om te vragen, wat er eigenlijk aan de hand

was; de vreeselijkste voorspellingen over ontslag of mogelijk wel

degradatie gingen van inktkoker tot inktkoker, en ieder maakte voor

zichzelf in stilte zijn zondenregister op.

Mo alleen sloop op zijne vilten schoenen en glimlachend als altijd

door de verschillende kamers, en wanneer hij voorbijging, zagen allen

even van het "werk" op: hij zag er zoo geheimzinnig uit.

Wat de minister verwacht had, gebeurde, zoodra mevrouw hem ontmoette

vroeg zij: "nu, heb je de zaak in orde gemaakt?"

De minister wachtte even, voor hij haar antwoordde. Zijne vrouw was de

eenige persoon in de wereld, tegen wie hij den deftigen diplomatieken

toon niet kon aanstaan. Hij antwoordde dus: "neen ronduit wil ik je

bekennen, dat ik de zaak nog niet in orde heb kunnen brengen, maar...."

"Nu, waarom niet?"

"Mo wil niet; hij wil haar bij zich houden."

"Mo.... altijd Mo," riep mevrouw op boozen toon uit; "wanneer Mo niet

wil, is het precies of gij er niets meer aan doen kunt. Men zou bijna

gaan gelooven, dat hij je op de eene of andere manier in zijne macht

heeft, waardoor gij het niet waagt hem den voet dwars te zetten."

"Ha, ha, ha! de arme Mo," riep de minister lachend uit maar zijn

lachen klonk eenigszins gedwongen, en hij zag voortdurend uit het raam,

toen hij antwoordde: "gij kunt toch wel begrijpen, dat het meisje het

huis uit gaat, wanneer gij er zoo op gesteld zijt; ik kan Mo zeggen,

dat ik het bepaald wil hebben en...."

"Ja, vindt gij zelf niet, dat het tijd wordt, hem te toonen, dat

gij de macht hebt hem te bevelen.... zoo gij die ten minste bezit,"

zeide mevrouw. "Gij weet niet half, hoe Johan zich aanstelt. Alfred

vertelt honderden zaken...."

"Neem mij niet kwalijk, maar naar ik bemerk, legt Alfred meer bezoeken

in de kelderwoning af dan Johan."

"Nu ja, wat beteekent dat? Alfred is verstandig.... een man van de

wereld! Zoo hij aan zulk een eenvoudig boerenmeisje wat het hof maakt,

weten wij wat dat beteekent. Maar met Johan, ziet gij, dat is wat

anders. Gij hebt zijn karakter nooit goed kunnen vatten; gij weet,

hier onder ons gezegd, niet, hoe bekrompen hij in zijne denkbeelden

is. Heeft hij zich eenmaal iets in het hoofd gehaald, dan is hij

in staat de grootste domheden te begaan; het zou mij volstrekt niet

verbazen, wanneer hij ons op een mooien dag kwam vertellen, dat hij

van plan is met het meisje in het huwelijk te treden."

"Maar beste Adelaïde, hoe kunt gij op zulke gedachten komen! Zoo iets

mag natuurlijk volstrekt niet plaats hebben, hoegenaamd niet!"

"Ja, ja, ik heb er in mijn leven genoeg voorbeelden van gezien,"

antwoordde Mevrouw Bennecken. "Men zegt zoolang: "het is

onmogelijk," tot eindelijk het geval er toe ligt, en men tot over

de ooren in een schandaal zit. Neen, zoo iets moet men bij tijds

zien te voorkomen.... dat is mijne meening; en weg wil ik haar

hebben.... die afschuwelijke roodharige meid! Bedenk eens, Daniel,

wat een afschuwelijken smaak hij heeft!"

"Ja, maar gij weet wel, dat Alfred ook...."

"Komt gij nu weer met Alfred aan! Gij hebt altijd iets tegen hem

gehad. Alfred bezit een kunstenaars-natuur zooals zoo velen in onze

familie. Het roode haar dat zoo fraai tegen de blanke gelaatskleur

afsteekt, of zoo iets trekt hem aan. En buitendien, toen gij van

zijnen leeftijd waart, waart gij ook niet zoo moeielijk tevreden te

stellen.... is het wel?"

Dit argument was altijd mevrouw's grof geschut, dat nooit miste

een eind aan den twist te maken; juist kwam men zeggen, dat de tafel

gedekt was. "Waar is Alfred," vroeg de minister, toen hij in de eetzaal

komende, alleen het kamermeisje zag. "Alfred.... ja de goede jongen

komt niet t'huis eten," antwoordde mevrouw, "hij kwam van morgen

even inwippen om te zeggen, dat hij dadelijk van het Departement naar

Eriksen wilde gaan.... je weet wel, zijnen vriend.... den candidaat

Eriksen.... die zoo ziek ligt."

De minister maakte bij zich zelf de opmerking, dat de ziekte van den

candidaat Eriksen zeer lang duurde.

"Maar waarom is juffrouw Hilda hier niet," vroeg Mevrouw aan het

kamermeisje.

"Juffrouw Hilda komt dadelijk," antwoordde deze. "Zij heeft gevraagd

om haar, zoodra het eten opgebracht was, te laten roepen. Zij is in

de woning van den conciërge."

"Nu hoort gij het Daniel," fluisterde Mevrouw hem in 't oor, "dat

listige schepsel legt het er ook al op aan met de zuster op goeden

voet te komen."

Toen Hilda aan tafel plaats nam, wilde zij over Christine beginnen te

spreken maar hare moeder gaf met een bits woord eene andere wending

aan het gesprek, en daar zij bij haren vader ook geen instemming vond,

zweeg zij maar.

En zwijgend bleven allen gedurende den maaltijd.... een vervelende,

ongezellige maaltijd, dat moet gezegd worden.

Arbeiders: Roman · 第 15 / 34 题