IX.

Toen Mortensen de redactie van "de Vriend des Volks" op zich nam,

veranderde hij den naam van het blad in "de ware Vriend des Volks",

ook werd de courant op fijner papier en met helderder letter, dan

zulks in den tijd van Hansen plaats had, uitgegeven. De illustratiën

bleven echter nog een' tijd lang, zoo als zij tot nu toe altijd waren

geweest, zwarte vlekken met een weinig wit hier en daar. Op zekeren dag

maakte de redacteur aan zijne geabonneerden bekend, dat met het volgend

kwartaal te beginnen de illustratiën voor goed zouden verdwijnen.

Hierdoor verloor het blad natuurlijk eenige abonnés onder de kleine

burgerij, maar Mortensen had daar geen spijt van. "De ware Vriend des

Volks" verkreeg weldra zijne lezers, en wat het geldelijke betrof,

dit ging boven alle verwachting.

Wanneer Mortensen de courant 's morgens met zich naar het Departement

nam, las één der jongere commiezen van het bureau gewoonlijk den inhoud

voor "wanneer men tijd er voor had." De adjunct-klerk Hiorth had juist

de voorlezing van een artikel geëindigd, waarin de onmogelijkheid

was aangewezen, om te bepalen wat heden ten dage met de uitdrukking

"het Volk" werd bedoeld; het naast lag wel voor de hand, dat men

hier den Ambtenaarsstand mede moest bedoelen, omdat deze stand den

kern van het volk uitmaakt.... toen de groothandelaar Falck-Olsen de

lezing kwam storen en naar den minister vroeg.

Terwijl een der commiezen hem den weg naar het kabinet van den minister

wees, verspreidde zich de kring der hoorders die zich om "den waren

Vriend des Volks" geschaard hadden, naar alle richtingen. Ieder ging

naar zijne plaats om zich daar geheel in zijn werk te verdiepen.

De oude Hansen was vóór zijnen lessenaar blijven zitten. Hij hield

zich altijd, alsof hij geen woord van de voorlezing hoorde. Dit hielp

hem echter niet veel; want wanneer er een gedeelte kwam, waarvan

men wist, dat zulks hem zoude ergeren, werd het hem in de ooren

geschreeuwd. De oude Hansen was een waarschuwend voorbeeld voor de

jonge lieden aan het Departement geworden: aan hem konden zij zien,

waartoe het koesteren van afwijkende meeningen leidt. Allen wisten,

dat hij het niet verder in de ambtenaarsloopbaan kon brengen. Waar

hij nu zat, met het gezicht naar den muur, bezig het werk in orde te

brengen, dat anderen verzuimd hadden te doen, zou hij blijven zitten,

tot dat hij in zijne doodkist zou liggen,--zoo men er zich ten minste

niet toe genoodzaakt zag, hem zijn ontslag te geven; want de oude

Hansen dronk, werd er algemeen in den laatsten tijd gefluisterd.

Toen de minister zijn vriend Falck-Olsen zag binnen komen, begreep hij

dadelijk, dat deze hem over zaken kwam spreken, en die gesprekken waren

gewoonlijk niet opwekkend. Hij vroeg daarom dadelijk op vroolijken

toon of zijn vriend hem voor eene jachtpartij kwam uitnoodigen; het

was een mooie winterdag, een weinig had het maar gevroren, het woei

volstrekt niet en de zon scheen zoo helder.

Maar Falck-Olsen begon droogjes over zaken te spreken, over de slechte

tijden en over verlies van alle kanten.

"Ja, ja," viel de minister hem in de rede, terwijl hij in het vertrek

heen en weer ging, en de handen zoo hield, dat de uitgespreide vingers

aan de toppen elkaar raakten, "de industrie en de handel verkeeren

hier tegenwoordig in slechten staat.... dit kan niet ontkend worden

maar wij hopen echter...."

"Och het zal heel wat duren, eer hier verbetering in komt! Ik weet

niet, waaraan het in dit land ligt. Voor een poosje gaat alles goed,

ja brillant zelfs, maar plotseling komt er een stilstand en de heele

boel valt uit elkander; niets kan bij ons tot bloei komen, alles

wat wij ondernemen komt zoo vervl.... langzaam tot stand. Laten wij

b.v. de Actienbank maar tot voorbeeld nemen, die verleden jaar met

zooveel champagne opgericht werd, en van 't jaar?--nu gij weet zelf,

hoe de boel staat."

Bij deze woorden slaakte de minister eenen zucht van verlichting.

Hij had gevreesd, dat de groothandelaar was gekomen om hem mede te

deelen, dat het zeer moeielijk was, geld te verschaffen, dat hij groote

contante betalingen had moeten doen en meer dergelijke onaangename

zaken, over welke Olsen gewoon was, hem te komen onderhouden, wanneer

hij slecht geluimd was. Maar de Actienbank was een heel onschuldig

onderwerp van gesprek, en hij antwoordde dus op schertsenden toon:

"Als lid van het bestuur in de bank moet ik protesteeren tegen dien

aanval. Integendeel hebben wij, zooals de boeken zulks bewijzen...."

"Och de boeken," antwoordde Falck-Olsen toornig, "de boeken mooi

te laten sluiten is zoo'n kunststuk niet; iedere domkop kan dit

tegenwoordig. Maar de fout zit daarin, dat het bestuur geen zweem

begrip heeft van zaken te doen. Wat kan men verwachten van al die

geleerde juristen, die nooit van hun leven zaken gedaan hebben, van

die raadsheeren, advocaten en rechters--zij hebben geen jota verstand

van zaken, neen waarachtig, zij begrijpen er niets van."

De minister was nu door deze woorden op de hoogte gekomen, wat "de

zaak" was, die den heer Falck-Olsen zoo bezig hield; hij legde de

vingertoppen voorzichtig tegen elkander aan, en zeide: "Hierin hebt gij

voor een groot gedeelte gelijk, beste vriend, voor een groot gedeelte,

maar,"--hij bleef voor hem staan en hield den groothandelaar bij de jas

vast, terwijl hij vervolgde: "het is toch vreemd, heel vreemd zelfs, en

jammer tevens, dat een man zoo als gij volstrekt niet eerzuchtig zijt."

"Wat meent gij hiermede?" vroeg de heer Falck-Olsen, en hij zag den

minister eenigszins weifelend aan.

"Is het u nooit ingevallen, dat gij u al te weinig van den invloed

bedient, dien gij bezit.... of ten minste bezitten kunt? Daar hebt

gij de Actiënbank bijvoorbeeld, waarover gij zoo even hebt gesproken;

waarschijnlijk zal op de volgende vergadering, de oude Raadsheer

Falbe zijn ontslag als Directeur der bank wel aanvragen, en zou die

post nu niet juist iets voor u zijn?"

"Ja, dat is juist de post, dien ik wil, dat men mij zal aanbieden,"

riep de heer Falck-Olsen uit.

"Onmogelijk.... ongelukkigerwijze, onmogelijk: mijn vriend," antwoordde

de minister, en hij ging weer in de kamer op en neer.

"Zoo, en mag ik vragen, waarom?"

"Wijl de Consul Lind waarschijnlijk voor dien post gekozen zal worden

en hij gaarne Directeur wil zijn...."

"Wil?... wil? Heeft men ooit zoo iets gehoord," riep de groothandelaar

met een gedwongen lach uit; "het zou wel eens aardig zijn te hooren,

waarom allen naar de pijpen van dien heer moeten dansen! hij is niet

rijker, dan ik."

"Neen.... zeker is hij dat niet, maar men kan zich op hem verlaten."

"Wat meent gij met deze woorden, Excellentie? Ben ik misschien iemand,

op wien men zich niet verlaten kan?"

"Niet zoo driftig!... niet zoo driftig.... beste vriend," zeide de

minister glimlachend, en dwong hem te gaan zitten. "Sta mij toe,

u mijne bedoeling met een eenvoudig voorbeeld op te helderen. Gij

gaaft,--zooals gij u wel herinnert--een paar maanden geleden een

bal, een prachtig feest, moet ik zeggen: niets ontbrak, alles was

volkomen zoo als het zijn moest, in het kort "comme il faut." En

toch.... veroorloof mij u aan eene kleine scène, die er toen

plaats had, te herinneren." Nu was de minister in zijn eigenlijke

element. Kleine, geheime conferentiën, zoo onder vier oogen en

met gesloten deuren vielen in zijnen smaak. Hij kon dan zoo echt

vertrouwelijk zitten praten, het was of hij geheel in het belang van

hem, met wien hij sprak, zijn hart uitstortte en meedeelde, wat hij

anders aan niemand toevertrouwde, en wat hij eigenlijk beter zou gedaan

hebben te zwijgen; alles ging op zulk eene wijze toe, dat hij, met wien

hij gesproken had, bij het heengaan de volle overtuiging koesterde het

volkomen vertrouwen van den minister te bezitten en geheel op de hoogte

was van alle geheimen der regeering. En toch werd van den minister

gezegd, dat de voornaamste eigenschap, die hij als staatsman bezat,

juist bestond in eene buigzame en toch onwrikbare bescheidenheid.

Hij schoof zijnen stoel wat dichter bij dien van den groothandelaar,

zag hem vertrouwelijk aan, en zeide:

"Het kan eenigszins vreemd schijnen, dat een gast zijnen gastheer gaat

critiseeren maar wij kennen elkaar zoo goed, niet waar?.... en daar

wij nu juist op dit onderwerp gekomen zijn, is het mij wel vergund

eenigermate mijne verwondering uit te spreken over uwe uitnoodigingen."

"Zoo? Dit kan ik mij niet begrijpen."

"Ziet, beste vriend, de scène, waaraan ik u wil herinneren, had plaats

onder het souper dat--tusschen twee haakjes--charmant was.... en

wel in uwe kamer; zoo als gij u zeker nog wel herinnert, had er een

politiek dispuut plaats."

"Ja, maar gij weet wel Excellentie, dat zulks tegenwoordig overal

geschiedt. Noem mij eene enkele familie, waar op de eene of andere

partij niet over politiek wordt gesproken."

"Ja, ziet gij, daarin ligt het juist," riep de staatsman uit, "overal

wordt over politiek gesproken, in zoover hebt gij gelijk--volkomen

gelijk, maar geef nauwkeurig acht op de omstandigheden"--hier sloeg

de minister hem zachtjes op de knie; "wanneer er over politiek wordt

gedisputeerd, zoo geeft dit te kennen, dat het gezelschap niet bij

elkaar hoort,--hierin ligt het onderscheid."

"Maar enkel mannen van naam waren op deze soirée aanwezig. Ik had

mij juist bijzondere moeite gegeven personen van maatschappelijken

invloed uit te noodigen, lieden, die ik vroeger nooit het genoegen

had gehad bij mij aan huis te zien."

"Zeer juist gezegd,--en dat was juist het ongeluk. Mannen van allerlei

kleur waren daar,"--de minister sprak op meer gedempten toon, "zelfs

rooden waren er onder! en onaangename zaken.... hoogst onaangename

zaken zelfs werden er gezegd, moet ik zeggen. Niet dat het mij

persoonlijk hinderde, dit begrijpt gij wel; ik gaf er niet in het

minst om, het waren de gewone frasen, en meestal kwamen jonge lieden

er mee voor den dag, maar voor u zelf, beste vriend, vind ik dat....!"

"Bah!" viel de heer Falck-Olsen hem in de rede, en hij stond op,

"dat kan mij geen bl..... schelen, ik hang van niemand af, ik ben

een self-made man, ik vraag naar niemand."

"Ja.... ja.... juist, zooals ik al heb gezegd. Gij bezit geen greintje

eerzucht en dat vind ik jammer, zeer jammer;" de minister liep weer

heen en weer en herhaalde: "zeer jammer!"

"Nu ja... hm," zeide Falck-Olsen en lachte op wat geërgerden toon,

"wis en zeker ben ik eerzuchtig, in zooverre ik gaarne.... dien invloed

zou verkrijgen, die mij eigenlijk rechtens toekomt. Met de politiek

wil ik mij echter niet inlaten, dat heb ik u honderden malen gezegd;

ik kies geene partij voor wien dan ook;--ik sta tusschen, of liever

gezegd boven de partijen!"

Hij was werkelijk trotsch op dezen fraai klinkenden zin, maar de

minister draaide zich naar hem toe en haalde de schouders op: "De

uitdrukking, waarvan ge u hebt bediend, komt bij zekere gelegenheden

zeer goed te pas en ik wil zelfs erkennen, dat zij dan van zeer goede

uitwerking is. Maar beste vriend, hier zoo onder vier oogen, zullen wij

het wel met elkaar eens zijn, dat het slechts eene frase, of ronduit

gezegd, dat het louter onzin is. Neen, dan houd ik het met het oude

spreekwoord: waar men meê verkeert, daar wordt men mee geëerd."

"Maar..... maar wien moest ik eigenlijk niet hebben uitgenoodigd,"

vroeg Falck-Olsen op wat minder zekeren toon.

"O, beste vriend, hoe kunt gij er een oogenblik aan denken, dat ik

in bijzonderheden zal treden. In het algemeen bedoelde ik, dat het

gezelschap niet al te goed bij elkander paste. Velen waren er, wier

gezelschap wij heel goed hadden kunnen missen, en omgekeerd miste

ik dezen en genen, die naar mijne meening, aanwezig hadden moeten

zijn. Onder de laatsten ben ik zoo vrij den Redacteur Mortensen te

noemen, een' man, die ongetwijfeld...."

"Die met de lucifers! Neen.... weet gij...."

"Ik wil u iets in vertrouwen meedeelen," fluisterde de minister hem

in 't oor, "die man heeft, wat zijn verleden ook geweest is, eene

schitterende toekomst vóór zich. Hebt gij notitie van zijne courant

genomen? Ik durf u zeggen, dat zijn blad grooten invloed.... ja,

zeer grooten invloed zal verkrijgen."

Juist kwam Mo met eenige papieren binnen.

De groothandelaar was volstrekt niet met de audiëntie, die hem gegeven

was, tevreden. In plaats van den anderen het mes op de keel te hebben

gezet, was hij met dezen in eenen woordentwist geraakt, waarin hij,

volgens gewoonte, aan het kortste eind had getrokken. Toch wilde hij

niet weggaan zonder zijne kaart te hebben uitgespeeld en daarom zeide

hij, zóó dat de minister het alleen kon hooren: "ik wil alleen maar

zeggen, dat ik op uwe stem zeker reken."

Het was den minister of zijn hart een oogenblik ophield te

kloppen. Falck-Olsen's geelachtige oogen zagen hem aan, zooals zij

zulks gewoonlijk deden, wanneer er van "contante voorschotten" of

dergelijke onaangename zaken sprake was. Hij stak hem echter heel

vriendschappelijk de hand toe, toen hij in de deur afscheid van

hem nam. "Nu ja.... beste vriend, komen die tijden, dan komen die

plagen.... en ik ben er zeker van, dat wij vóór dien tijd het op alle

punten eens zullen worden."

De heer Falck-Olsen bromde iets tusschen de tanden, wat niet

gemakkelijk viel te begrijpen, en de minister was overtuigd, toen

de groothandelaar de deur der kamer achter zich toe trok, dat het de

volgende maal niet zoo malsch zou toegaan.

Hij wendde zich nu tot Mo, nam de papieren en legde ze met

onverschilligen blik op de tafel.

"Hebt gij de rekeningen meegebracht?" Mo haalde zeven of acht

rekeningen voor den dag.

"Al te veel, al te veel.... meer dan de afspraak is," riep de minister

boos uit. "Zeg aan Madam Gluncke dat zij niet aan al hare nukken moet

toegeven, dat gaat volstrekt niet aan."

"Ja, Excellentie," zeide Mo op klagenden toon, "ik preek voortdurend

hetzelfde, maar Malle Bimbam beweert...."

"Wie?" vroeg de minister op strengen toon.

"O, neem mij niet kwalijk, Excellentie, ik wil zeggen, madam Gluncke

beweert, dat zij het tegenwoordig allen zoo hebben."

"Hm!" viel hem de minister in de rede, en hij opende eene kleine lade

van zijne schrijftafel.

Terwijl hij bezig was het geld te tellen, zeide Mo: "weet uwe

Excellentie met wien de hoofdcommies Delphin veel omgaat?"

"Nu, met wien?"

"Met den ouden Hansen."

"Den ouden Hansen, daarbinnen?"

"Ja, onlangs was de hoofdcommies den geheelen avond bij Hansen en

toen hij weg ging, stopte hij de vrouw van Hansen veertig kronen in

de hand. Ik weet het positief," voegde hij er bij.

"Nergens vertrouwbare lui, waar men ook om zich heen ziet," mompelde

de minister, terwijl hij de bankbilletten aan Mo ter hand stelde. "Ja,

dat is waar ook, daar valt mij iets in, waarnaar ik je wou vragen. Je

hebt eene zustersdochter bij je aan huis, is niet, Mo?"

"Een broersdochter, Excellentie."

"Nu dat is hetzelfde.... het is mijn wensch, dat gij ze wegzendt, hebt

gij 't verstaan? Gij kunt in de andere kamer wachten, tot ik schel."

De minister ging voor zijne schrijftafel zitten, maar de bode Mo

bleef wachten.

"Wilt gij nog iets?"

"Ik wil mijne nicht niet gaarne wegzenden," zeide Mo op eerbiedigen

toon.

"Zij heeft natuurlijk reisgeld noodig," zeide de minister, en hij

nam den sleutelbos, die nog in de lade stak, weer in de hand.

"Ik wensch haar bij mij te houden," zeide Mo droogjes.

Arbeiders: Roman · 第 14 / 34 题