Lauritz Sechus.
Postscriptum. Je moet aan je Oom zeggen, dat het geld, waarover hij
heeft geschreven, hem gezonden zal worden zoodra je vader het bij
elkaar heeft kunnen krabben, maar je moet ook vragen of het, daar de
tijden zoo slecht zijn, niet voor wat minder kan afgemaakt worden,
en dan vraag voor mij aan Oom Anders ook, of hij niet een woordje
kan zeggen aan den persoon, die over alle Lensmands, rotmeesters en
kapiteins gesteld is, want dat het nu een echte zwijnenboel aan het
Zwarte Moeras is, wat ge zelf ook getuigen kunt, maar nu is het erger
dan vroeger.
Toen de brievenbesteller dezen brief bracht, stond Christine juist,--en
zij had er hare rokken wat voor in de hoogte gebonden--de keukendeur
af te nemen; want, ofschoon haar oom er een dienstmeisje op na hield,
hielp zij aan al het huiswerk.
Er waren ook brieven en couranten voor de familie bij, die gewoonlijk
aan den conciërge ter hand werden gesteld. Alfred kwam juist het
huis uit om naar het Departement te gaan, toen hij de brieven op de
tafel in de woning van den conciërge zag liggen. De deur stond open,
wijl het schuurdag was en de goede gelegenheid om een praatje met
haar te gaan houden, wilde hij niet ongebruikt laten voorbijgaan.
Christine liet zich door zijne komst zelfs niet voor een oogenblik in
haar werk storen. Zij spoelde de mat, die voor de deur lag in den emmer
af, en doopte hare gezonde blanke armen geheel in het water. Daarna
wrong zij de mat uit, strooide er wat zand op en begon toen de deur
zoo te schuren, alsof zij de verf er af wilde boenen.
"Goeden morgen.... juffrouw Christine," riep Alfred, en hij liep
vroolijk het vertrek binnen; toen hij echter zag, hoe weinig zij op
zijne onverwachte komst acht sloeg, was hij een oogenblik met zijne
houding verlegen en zeide:
"Kan ik hier even de post nazien, misschien is er wel een brief voor
mij bij van mijn liefje."
Deze woorden zelfs scheen zij niet te hooren. Het onaangename geluid,
dat het schuren veroorzaakte, deed zijne ooren pijnlijk aan; het
ergerde hem, dat zij zoo met hart en ziel aan dit ruwe werk bezig was,
en dat het haar volstrekt niet kon schelen, dat hij haar, en nog wel
in zulk een costuum, zag.
Twee mannen gingen nu juist het raam, dat op de straat uitzag,
voorbij. Alfred zag op. "Kijk daar komt je Oom en.... Johan natuurlijk
ook."
Deze was juist van plan, scheen het, de poort in te gaan.
"Mijn broer komt, dat kan ik mij zoo denken, meer in het onderhuis van
den conciërge, dan in de eigenlijke woning; daar is hij een zeldzame
gast; nu is het niet zoo?"
Toen hij zich omdraaide, zag hij, dat Christine met emmer en al in
de keuken was verdwenen en dat zij de deur had dicht gedaan.
Zeer boos gooide hij de courant, die hij in de hand hield, op de
tafel en liep het vertrek weer uit. In de poort ontmoette hij Mo,
die hem eerbiedig maar tevens half familiaar groette.
Oom keek nu na, wat de brievenbesteller bezorgd had en zocht er
de brieven uit, die hij den minister aan het Departement moest
brengen. Toen hij den brief van den opperloods aan Christine zag,
riep hij haar toe, even binnen te komen.
"Christine," zei hij zeer ernstig, nadat hij haar den brief had
gegeven.... "er is iets, waarover ik met je wil spreken. De zonen
van den minister komen dikwijls hier een praatje met je houden, hé?"
"De deur stond open, de candidaat kwam binnen, en...."
"Ja, Alfred meen ik niet, maar de dokter.... zie je."
"Hij is hier niet geweest," haastte Christine zich te antwoorden.
"Neen, maar het kwam mij zoo voor, dat hij op weg hier naar toe
was. Ja, zie je, lieve Christine," ging hij voort, en hij legde zijne
hand op haren schouder,--zij was wat langer, dan hij--"het leven voor
een jong meisje in eene groote stad is vol verzoekingen. Buitendien
moet je vooral ook bedenken, hoeveel ik aan den minister, ja aan
de geheele familie verschuldigd ben en hoe onplezierig het voor
mij zoude zijn, zoo hun door mij of door hen, die bij mij wonen,
eenige onaangenaamheid werd veroorzaakt. Gij begrijpt wellicht nog
niet volkomen, wat ik met deze woorden meen, maar ik wil je vooral
waarschuwen voorzichtig te zijn en je te wenden tot hen, die je
welzijn bedoelen."
Hij klopte haar even op de wang, en ging met de brieven het huis uit.
Neen--zij begreep het niet, ten minste niet volkomen. Zij dacht wel,
dat oom haar had willen zeggen, dat hij geloofde, dat de jonge heeren
om haar zoo dikwijls binnenkwamen, maar welke onaangenaamheden dit aan
de familie van den minister zou kunnen veroorzaken, kon zij volstrekt
niet vatten. Christine, een eenvoudig boerenkind, bezat echter te
veel gezond verstand, om niet volkomen te kunnen begrijpen, welke
groote afstand er bestond tusschen den zoon van een' minister en een
meisje zooals zij. Toen zij den brief van den opperloods had gelezen,
waarin dezelfde waarschuwingen werden gegeven, werd zij een weinig
ongerust. Maar wat zou zij doen? Wanneer de candidaat binnen kwam, was
zij zoo weinig voorkomend als maar mogelijk was; zij kon toch niet aan
den ernstigen dokter,--en hij kwam maar zoo zelden--rechtuit zeggen,
dat hij liever niet moest komen. Zij rekende uit, hoe lang het was
geleden, sedert zij het laatst met hem had gesproken, en daar waren
meer dan veertien dagen over verloopen.
Oom Anders was al heel vreemd; zij kon niet recht wijs uit hem worden;
ja, vriendelijk was hij altijd tegen haar, het zou schande zijn het
tegendeel te zeggen, maar toch had zij, zij wist niet hoe het kwam,
een zekeren angst voor hem.
's Avonds--hij kwam altijd nog al laat naar huis--kon hij, wanneer
hij door hare kamer ging, naast haar bed wat met haar staan te praten
maar zij begreep niet altijd, wat hij eigenlijk vertelde. Misschien
kwam het, wijl zij slaperig was, of omdat oom 's avonds zeer moe was;
hij sprak ten minste zoo vreeselijk onduidelijk. Hij tikte haar evenwel
altijd vriendelijk op de wang, wanneer hij haar goeden nacht zei.
Het viel dokter Bennecken, die steeds veel lust had met Christine een
praatje te houden, niet altijd meê. Hij wilde er Alfred niet gaarne
ontmoeten en Mo wilde hij ook liever niet t'huis treffen; wanneer
hij op weg naar haar was, zijn geweten scheen hem niet heel zuiver;
't kwam hem voor, dat hij iets kwaads in den zin had.
Het eindigde dan ook gewoonlijk met in het voorbijgaan even door
het raam te kijken; soms liep hij naar boven om zijne moeder te
begroeten in de zoete verwachting Christine in de poort of wel op de
trap te ontmoeten.
Hij was op haar verliefd geraakt, hij wist het maar al te goed. En
toch was hij er niet vroolijk door gestemd, zooals zulks gewoonlijk
het geval is, wanneer de liefde het bloed sneller door de aderen doet
stroomen. Vooreerst wist hij volstrekt niet met welke oogen Christine
hem aanzag. Hij meende, dat zij, die zoo gezond van lijf en leden was,
en er zoo knap uitzag, afkeer moest gevoelen van een kreupele als hij;
de dokter meende namelijk, dat hij veel meer mank ging dan eigenlijk
het geval was.
Dan was hij zeer ijverzuchtig op Alfred; wel verborg hij dit gevoel
zoo veel mogelijk, maar uitermate jaloersch was hij op dien broeder,
die hem steeds in den weg had gestaan, die overal steeds voorgetrokken,
door allen vertroeteld werd, en ter wiens wille hij jaren lang zoo
veel had moeten lijden.
Ten laatste bezat Johan Bennecken volstrekt geen zelfvertrouwen en
geloofde hij, dat het geluk voor hem niet was weggelegd. Het was hem
nooit meegeloopen,--altijd moest hij dat van een ieder hooren.
Daarom koesterde en vertroetelde hij den hartstocht, dien hij in
zijnen boezem voelde ontkiemen, zooals men zulks een ziek kind
doet. Aan dit sterke gevoel gaf hij zich geheel over zonder aan
weerstand te denken; met stille weemoedige vreugde verborg hij die
liefde in het binnenste van zijn hart, wijl hij niet durfde hopen,
dat zij hem ooit geluk zou aanbrengen.
Gesteld zelfs, hij was zoo gelukkig, dat Christine hem werkelijk
lief had, welke zwarigheden, en bijna onoverkomelijke, dit kon hij
niet wegredeneeren, zouden er zich opdoen. Wat zou zijne moeder,
de vrouw van den minister er van zeggen?
En zoo hij het zich al als mogelijk voorstelde, dat hij zich om den
tegenstand zijner moeder niet zou bekommeren, hoe zou hij ooit den
moed krijgen vóór zijnen vader te verschijnen, om hem mede te deelen,
dat hij van plan was met een boerenmeisje in het huwelijk te treden.
Die vader, die er zoo deftig en voornaam uitzag, was voor Johan
Bennecken de type van al wat achtenswaardig, braaf en edel was.
Wanneer de oppositie-bladen op heftigen toon de regeering aanvielen,
las de dokter die artikelen altijd in dien geest, dat de aanvallen
niet op zijnen vader gemunt waren. Het was best mogelijk, dat in de
regeering mannen zaten, die eene scherpe kritiek verdienden maar dat
er iets op den minister Bennecken zou zijn aan te merken, viel hem
nooit in de gedachte.
Terwijl de moeder slechts oogen had voor haren zoon Alfred, die er
zoo knap uitzag, en met groote koelheid "de twee mislukten" zooals
zij Johan en Hilda altijd noemde, behandelde, was zulks bij den vader
gansch anders het geval; hij trok het eene kind, zeer zelden ten
minste, boven het andere voor; ja soms gebeurde het zelfs, dat hij,
wanneer zijne vrouw Alfred te zeer vertroetelde, het waagde zich
daartegen een weinig te verzetten. Dit stelde Johan, die te dien
opzichte volstrekt niet verwend was, zeer op prijs en hoe ouder hij
werd, des te meer steeg zijne achting voor zijnen vader; zelfs zoo,
dat dit gevoel bijna eene soort van vereering voor hem werd.
Maar nu zou Johan juist zijnen vader in zijn gevoeligste punt, in
dat, wat bij hem de grondstelling van zijn leven was, namelijk het
respectabele, het fijne, het passende krenken, met den stormpas er
zelfs tegen inloopen door een abnormaal huwelijk te willen aangaan met
een lang roodharig boerenmeisje. Johan begon er reeds over te denken,
wat zijn vader wel zeggen en doen zoude wanneer hij het dwaze plan
van zijnen zoon vernam. Was het hem toch niet eerst, na bezwaren in
het oneindige, gelukt, verlof te krijgen om te solliciteeren naar de
betrekking van armendokter in een der voorsteden--en wat was dit in
vergelijking van hetgeen hij nu van plan was?
Telkens echter, wanneer de dokter zoo ver in den loop zijner gedachten
was gekomen, zeide hij, om zich schijnbaar wat tot kalmte te stemmen:
"Ja.... ja, waartoe mij hierover te verontrusten? Zij bekommert zich
toch niet om mij."