Op de bank zit Karalyk, de armen onder het hoofd. Over hem, aan de
andere zijde der tafel: Petroff. De moeder, links op den voorgrond.
Boven op den oven hurkt de grootmoeder. Type Karalyk: sterk joodsch;
gebogen neus; gegroefd, bruin gezicht. Haar lang, bedekt door muts.
Baard lang, slordig, bijna grijs.
Type Moeder: mager; zwart haar; doek om ’t hoofd.
Type Grootmoeder: haar spierwit; doek om ’t hoofd; starende wezenlooze
oogen. Voorkomen: dierlijk vervuild.
DE MOEDER (norsch). Kasja! Kasja!
KASJA (sloft langzaam binnen door de deur, rechts, zet een glas met
olie gevuld, waarin een brandend pitje, op den hoek van den oven).
DE MOEDER (tot de meid). Doe de ramen dicht! (De meid gaat heen door de
achterdeur. Men ziet haar vervelooze planken aan de buitenzijde voor de
ramen plaatsen).
KARALYK. Is ’t al zóó laat?
DE MOEDER. Sabbath begint...
KARALYK. ’k Ben ongerust... ongerust.
PETROFF. De Kozakken zijn er toch!...
KARALYK (dof). Ze zijn wèl laat gekomen (stilte). ’k Ben ongerust,
ongerust...
PETROFF. Wat dan? Wat dan?
KARALYK. Gister is-ie weggegaan... Hoor wel, gister!
PETROFF. Petrushka, je zoon?...
KARALYK (knikt).
DE MOEDER (plotseling heftig de vuist ballend). De moordenaars! De
beulen!
KARALYK. Stil! De meid! (Deze komt weer door achterdeur binnen, maakt
de planken aan de binnenzij vast. Terwijl zij daarmee bezig is, wordt
er niet gesproken).
DE MOEDER (tot de meid) Neem mee! (wijst op den samovar). En help
dekken. (Af met de meid door rechterdeur).