JELAKOWITCH.

„Omtrent dezen hier te lande vrij onbekenden Russischen schrijver,

wiens „Ahasverus” aanst. Donderdag in den „Salon des Variétés”

wordt opgevoerd, zendt een onzer lezers ons de volgende

bijzonderheden, aan een Engelsch letterkundig tijdschrift ontleend:

Ivan Jelakowitch werd geboren te Nizhni-Novgorod den 3den December

1864. Zijn vader, een Israëliet, was een welgesteld koopman, die

zijn zoon aan de universiteit te Kasan liet studeeren, waar Ivan

zeer veel te lijden had van de onverdraagzaamheid zijner

medestudenten. Hij legde zich eerst in hoofdzaak toe op Oostersche

talen, daarna op de rechten, doch voleindigde zijne studiën niet,

daar hij de universiteit moest verlaten toen zijn vader stierf en

de overheid beslag op diens vermogen legde. Sedert 1887 verschenen

verschillende werken van Jelakowitch, (o. m. „Batushka”), die de

aandacht trokken.

„De roman „Zemstvo of Novgorod”, een vlijmende satire op de

godsdienstvervolging in Rusland, was oorzaak, dat hij in 1891 van

zijn bed werd gelicht en na drie maanden in een der ellendigste

gevangenissen te hebben gezucht, over de grenzen werd gezet. Uit

Kopenhagen hielpen eenige vrienden den jongen man, die in den

kerker eene sleepende ziekte had opgedaan, naar Londen, waar hij nu

ongeveer een jaar geleden in de grootste armoede en ellende stierf.

De „Zemstvo of Novgorod” doet soms aan Tolstoï denken, het is een

krachtig geschreven, vurig pleidooi voor godsdienstvrijheid.”

Dit bericht werd door mijn vriend K. W. van Rijnswaerde aan de

dagbladen ingezonden. ’t Eenige juiste van ’t roerend levensverhaal is

de geboortedag 3 Dec. 1864 van den schrijver. De rest is zóó

gefantaseerd, dat men zich verwondert, dat iedereen dien onzin geslikt

heeft. Vergelijkt men de geschiedenis van Jelakowitch, die nooit

geleefd heeft, met die van Tolstoï, dan zal men tot zekere verrassende

gelijkenis komen. En dan een overheid, die zoo maar beslag legt! En

eene recapitulatie van werken, die nooit geschreven werden! En een

roman de „Zemstvo of Novgorod”, nog wel een vlijmende satire, terwijl

Mackenzie Wallace in zijn werk „Russia” de volgende verklaring geeft

van wat Zemstvo beteekent:

„The Zemstvo is a kind of local administration which supplements

the action of the rural communes, and takes cognisance of those

higher public wants which individual communes cannot possibly

satisfy. Its principal duties are to keep the roads and bridges in

proper repair, to provide means of conveyance for the rural police

and other officials, to elect the justices of peace, to look after

primary education and sanitary affairs, to watch the state of the

crops and take measures against approaching famine, and in short to

undertake, within certain clearly-defined limits, whatever seems

likely to increase the material and moral well-being of the

population.”

Na ’t verschijnen van ’t levensbericht van Ivan Jelakowitch onderzocht

geen der critici verder. Sommige bladen deden voorkomen, of ze de

ontdekking in het „Engelsch letterkundig tijdschrift” zelfstandig

hadden gedaan. Ivan Jelakowitch had geleefd. Hij was dood. De mortuis

nil nisi bene!... Men maakte zich op in gewijde stemming om de première

bij te wonen, die geheel zonder mijn toedoen, nog een mystisch waasje

kreeg door ’t geheimzinnige eener middag-voorstelling.

En terwijl de lichten gedoofd werden en een plechtige stilte in de zaal

heerschte, zat daar oòk glimlachend, de geest van Ivan Jelakowitch op

een der banken stalles, de geest... die zich eenigszins bitter afvroeg,

of dat élite-gezelschap oók zou opgekomen zijn, als het programma

vermeld had... „Ahasverus”, oorspronkelijk drama van den schrijver van

„Dora Kremer”...

Terwijl men op 29 April in de Amsterdamsche bladen den schrijver van

„Dora Kremer” een dier „peuterende auteurtjes” noemde, terwijl elders

een criticus de „onaangename driestheid waarmede het geheel was

bewerkt” constateerde, terwijl bijna alle verslaggevers meer aan den

persoon van den schrijver dan aan ’t stuk dachten bij hun

weldoordachte, onpartijdige, eerlijke, intelligente

„kritieken”,—gebeurde op 18 Mei, dus geen drie weken later, het

„wonderbaarlijke”, kon men, o. m., over denzelfden schrijver lezen:

„Nog eens moeten wij terugkomen op het eenig tafreel van Russische

verdrukking, onmenschelijkheid en barbaarschheid, dat met

aangrijpende en ijzingwekkende waarheid in den Salon ten tooneele

gevoerd wordt.

Ziedaar nu voldaan aan den eisch der handelaars in „haute

nouveauté” in zake letterkundige kunst, die beweren, geen intrige

noodig te hebben voor een drama, geen onderwerp voor een roman,

geen gedachte voor een gedicht.

Hier is geen intrige, maar toch wordt er een vreeselijk drama voor

ons afgespeeld. Een hongerige romanschrijver had er een roman van

drie deelen van gemaakt. Maar we hebben hier te doen met eene

zielsuiting van een gemartelde, met de belichaming der gedachte van

een kunstenaar, die een enkelen kreet van smart laat hooren, die

ten hemel schreit. De dichter heeft inderdaad iets, wat hem op het

hart ligt, wat hij zeggen moet.

De groote toewijding der artisten en de afspiegeling van den waren

toestand zijn oorzaak van een succès, gelijk we er voor een ernstig

stuk in vele jaren geen hebben beleefd.”

(De Portefeuille, 3 Juni).

De heer J. H. Rössing, een der meest welwillende beoordeelaars van

„Dora Kremer”, een dier critici, die bij de voorstelling daarvan te

Amsterdam tot zelfs „een vrijwillige claque” opmerkte, is over

„Ahasverus” in extase. Eerst deelde hij den geheelen inhoud in „Het

Nieuws van den Dag” mede—iets, dat bij Z.Ed. altijd een kenmerk van

groot enthusiasme is—, daarna, dat „het geheel grooten indruk maakte”

en ten slotte kwam zelfs een derde artikel met zinnen als deze:

„Dáárom is dit treurspel zoo treffend, omdat uit het geheel een ziel

spreekt, omdat het geschreven is met tranen....

„Ahasverus” heeft op mij bij de lezing grooter indruk gemaakt dan bij

de vertooning, hoe prijzenswaardig ook. Ik heb er het volle besef van

gehouden, dat hier een hart zich lucht gaf, dat wreed gefolterd was,

dat hier iemand sprak, die wat te zeggen had en niet schreef

tijdverdrijf-literatuur, maar die gedreven werd om te getuigen van de

ellende van het in Rusland bij velen ten onrechte zoo verachte volk van

Israël!”...

Het „Handelsblad” schreef:

„Niettemin achten wij „Ahasverus” een der beste en meest

aangrijpende drama’s die wij in langen tijd hier zagen opvoeren, de

vreemde voorstellingen niet uitgezonderd. Realistisch is het zeker,

maar van een realisme dat zich uit in reine, onopgesmukte waarheid,

zonder de minste ruwheid of zonder iets van het gruwelijke, dat wij

b. v. in „De Macht der Duisternis” te zien krijgen. Zoo

roerend-eenvoudig is dit drama als de eenvoudigste novelle....

„Evenwel, ofschoon ook het sombere, neerdrukkende van dit drama ons

doet gelooven, dat Ivan Jelakowitch zich niet aan den invloed van

Tolstoï heeft kunnen onttrekken, zoo herinnert alleen het uiterlijk

aan het bekende naturalistische drama. De gedachte en de opvatting

zijn niet afgekeken, maar diep gevoeld. Jelakowitch—men zal zich de

treffende bijzonderheden herinneren die een onzer lezers dezer

dagen omtrent zijn eigen lijden mededeelde—heeft zich hevig

aangegrepen gevoeld door den aanblik der ellende, waaraan de

Russische Israëlieten blootstaan, en zoo kon het niet anders, of

dit drama, waarin de bezieling van zijn gewaarwording met

meesterschap was geuit, moest grooten indruk maken”...

Verder nog ging „De Tribune”:

„Natuurlijk is deze schets onvolledig, natuurlijk kunnen wij hier

niet weêrgeven de ruwe kracht, het diepe gevoel, die uit elke lijn

van dit kunstwerk spreken.

„Waarlijk, ook wie niet de geschiedenis van Jelakowitsch kent, moet

gevoelen: dit stuk is niet geschreven: het is geleefd. Daar zijn

tranen gevallen op die bladzijden, daar is smart, daar is

hartstocht, daar is woede in die regels”...

Een ander provincieblad sprak er van als van „een kunstwerk, dat

gewaardeerd en genoten zal worden”. De „Leeuwarder Courant” eindigde

met:

„... Alleen heeft het mij en moet het ieder hinderen, dat op dit

drama een zotte klucht volgt als De Tante van Charlie. Dwazer

samenvoeging is niet denkbaar. Op dit stuk kan alleen een „Uriel

Acosta” volgen om eenigszins in den toon te blijven. Als de

schrijver van dit roerende drama het uitbundig gelach om het

nastukje had gehoord, zou hij stellig gezucht hebben: Voilà une

soirée de perdu!...”

Waarom geef ik die extracten? Die vraag kan beantwoord worden met

eenige tegenvragen: Zou men van ’t Russisch drama notitie genomen

hebben, als ’t geannonceerd was als „Ahasverus, door H. H. Jr.”? Zou

men niet geheel vooringenomen de voorstelling gevolgd hebben, als men

geweten had, dat een jong Hollander ’t geschreven had? Zou men niet

gedoceerd hebben over ’t gebrekkige der lokale kleur, over de mogelijke

onjuistheid der Russische toestanden? Zou men niet schoolmeesterig over

’t geheele stuk gevallen zijn? Nu stond men tegenover Jelakowitch—let

wel op den mooi-klinkenden naam!—: nu had men te beoordeelen een Rus

wiens geheimzinnigheid biologeerend werkte.

Deze mystificatie was noodig, omdat er something rotten is in the state

der Hollandsche dagbladkritiek.

Men zal me genoeg gezond verstand toedichten, om te willen begrijpen,

dat het succes van „Ahasverus” niet op „Dora Kremer” terugwerkt. Maar

is het denkbeeld zoo onmogelijk, dat er tusschen de overdreven

loftuitingen aan ’t adres van den Rus en de alles afbrekende

beoordeelingen over den Hollander een middenweg is?

Moet ik er nadruk op leggen, dat de mystificatie alleen voor de pers

berekend was en dat mijn bedoeling geen kwetsende is? Men behoeft er

geen „verbannen” Rus voor te zijn, om met ellendige, walgelijke

godsdienstvervolgingen mee te voelen! „Ahasverus” is een episode, een

greep uit het leven, een dramatisch tafreel, zonder meer.

Ten slotte mijn excuus aan de lezers, dat ik hen zoolang met mezelf heb

bezig gehouden, ’k Moest ’t doen om deze vivisectie der

kunstbeoordeelingen te motiveeren...

Men heeft ’t in de laatste weken zoo druk over mijn ziel, mijn tranen,

mijn gemarteld hart gehad, dat men me ’t vroolijke dezer artikelen wel

zal willen vergeven.

Ahasverus · 第 3 / 13 题