Uwe dienstw. dnr.
Kreukniet en Poolman.
Het spijt me zeer, mijnheeren, maar aan dit verzoek kan ik niet
voldoen. De volgende uitlegging zal u dit wel behoorlijk motiveeren.
Alvorens die te geven zeg ik u mijn hartelijken dank, dat gij zonder ’t
zelf te willen, hebt meegewerkt aan een grappige mystificatie, aan een
kleine wraakoefening, waarbij gij zeker geen nadeel ondervindt. ’k Was
juist voornemens met het nummer van het „Journal des Débats” bij u te
komen en u de explicatie te geven, toen ’k uw briefje ontving en er de
voorkeur aan hechtte, met bedwongen schaterpret voor mijn bureau te
blijven zitten, om u eene historie te vertellen, die veel op ’n
spookgeschiedenis lijkt.
Op een avond—ongeveer twee maanden geleden—kwam M. Mossel (gewezen
concertmeester van het Concertgebouw), die voor een paar dagen uit
Londen overwipte, me opzoeken. We flaneerden ’n beetje door de
Kalverstraat en ontmoetten Reyding.
„Ga je mee naar de American bar?”
„Merci, ’t is al zoo laat!”
„Kom, ’t is pas één uur...”
Enfin, we namen ’m ieder onder ’n arm en zaten ’n paar minuten later
voor inspireerende grocs américains.
Je mag zulke ondeugende dingen wel niet vertellen, maar Reyding en
Mossel zullen ’t niet kwalijk nemen. Mossel was in een van z’n leuke
buien. We schaterden om z’n laatsten dollen streek: misschien heb je ’t
gehoord, hoe hij ’n jaar geleden in Rotterdam met ’n nieuwe demi-saison
aan door ’n buis van de waterleiding, die op straat lag, kroop—en we
babbelden zóó gezellig, als je ’t slechts bij ’n groc américain, ’s
avonds na één uur, in de Bar kunt doen. Mossel vertelde van zijn succes
in Engeland. Wij brachten hem op de hoogte van ’t beetje nieuws in
Holland, en zoo hoorde hij toevallig, dat „Dora Kremer” ’t drama van
ondergeteekende, over ’n week of drie zou worden opgevoerd.
„Kèrel, waar waag-je je an? Je wordt natuurlijk verscheurd!”
„Dat weet ’k.”
„D’r blijft geen stuk heel an! ’n Oorspronkelijk stuk door jóú
geschreven! Neem ’t terug!”
„’t Kan me niks schelen... Laat ze d’r gang gaan.”
Accepteerend het fatum, dat er niets aan heel zou worden gelaten,
raakten we aan ’t doorslaan over kunstzaken, tot één van ons—wie, weet
’k niet meer—plotseling ’n inval had en ’t denkbeeld aangaf eens ’n
stuk te schrijven en ’t als eene vertaling te doen doorgaan.
Er gingen verscheidene weken voorbij. Mossel zag ik en Reyding sprak ik
niet meer. ’k Had zelf ’t geheele plannetje vergeten, zooals ’t meer
gaat bij goede voornemens van den laten avond, toen ’k een week vóór de
opvoering van „Dora Kremer” er weder aan herinnerd werd. Toen heb ’k me
neergezet, en heb „Ahasverus” gewrocht. Aan het „Salon des Variétés”
bood ’k ’t aan als een vertaling van Ivan Jelakowitch en verzocht mijn
vertalers-pseudo geheim te houden.
’t Stuk werd aangenomen.
Eén dag vóór de middag-voorstelling op 18 Mei, verscheen er in ’t
„Handelsblad” en in ’t „Nieuws van den Dag” een entrefilet, later door
alle bladen, zelfs door z.g. literarische, overgenomen, een entrefilet
van den volgenden inhoud: