Noot. Van de avondbladen is o. m. het „Handelsblad” ’n beetje boos. Het
schrijft:
„De vraag is nu, wat is in deze waarheid? Want een vriend van den
heer Heijermans, de heer F. H. J. Mijnssen, die onder het
pseudoniem K. W. van Rijnswaerde schrijft, heeft ons zwart op wit
verklaard, dat Ivan Jelakowitch de schrijver was, en wij hebben hem
geloofd.
Jammer, dat de Rus zelf nu dood gemaakt is en geen familie heeft
achtergelaten; anders zou men die kunnen raadplegen. Nu zal het
geheim van het vaderschap wel nooit worden opgehelderd, tenzij de
heer Mijnssen nog een uitweg weet te vinden, maar dan is het de
vraag, of men hem wel weer zal gelooven?
De heeren hebben zich vastgejokt... hoe komen ze er nu weer
uit?”...
Raadgeving: Doet als voorzichtige menschen. O „Handelsblad”!... en
informeert bij den Burgerlijken Stand te Nizhni-Novgorod.
Na het verschijnen van dit artikel kwam een storm los. Velen van
degeen, die den Russischen auteur bewierookt hadden, haastten zich den
Hollander met ’n uitgezochte hoeveelheid hatelijkheden, die ’k
onvermeld laat, af te maken. Geen stuk bleef ’r aan den echten
schrijver van „Ahasverus” heel. Talent werd hem opnieuw met
verbittering ontzegd...
’t Blad „Gelria” van den 9den Juni 1893 geeft de stemming allerjuist
weer:
„Een kostelijke grap is die van Herman Heijermans Jr., die een
drama schreef: „Ahasverus” en het liet doorgaan voor het werk van
een gefingeerden Russischen schrijver Iwan Jelakowitch. Kostelijk
hierom, dat er weer een aantal critici, zelfs van de grootste
bladen zijn ingeloopen. „Handelsblad” en „Nieuws van den Dag” namen
een roerend levensbericht van Jelakowitch op, de stemming was
gemaakt en Rössing schreef o. a. dat het werk „geschreven is met
tranen”, de „Tribune”: „daar zijn tranen gevallen op die
bladzijden, daar is smart, daar is hartstocht, daar is woede ìn die
regels...” Bovenal echter vermakelijk is de grap, omdat de heeren
critici nu zoo boos zijn. De „Amsterdammer” heeft er een heel
feuilleton voor over, om te betoogen dat haar critici ook trots de
mystificatie een juist oordeel over het stuk hebben geveld, en
daarna Heijermans eens duchtig in de luren te leggen. Het
„Handelsblad” tracht zich een schijntje van gelijk aan te praten;
maar het grappigst is J. H. Rössing in het „Nieuws”, die het wil
laten voorkomen, alsof hij zelf reeds vóor Heijermans den sluier
van het geheim oplichtte, het had doorgrond. Bij het lezen van al
die kinderachtigheden, die halve zelfverdedigingen, komt de
gedachte op, hoe klein dat Amsterdamsche bentje toch eigenlijk is.
En zoo Heijermans in éen ding gelijk heeft, dan is het in zijn
onderstelling, dat met zijn eigen naam geteekend, en niet mystiek
voorbereid, „Ahasverus” veel minder gunstig zou zijn beoordeeld. In
plaats van dit te erkennen, nog boos worden op den koop toe—wat
zijn die menschen klein!”
Tot zoover de mystificatie. Den 12den Juni 1893 ging „Ahasverus” bij
Antoine. Het was de eerste première van ’n Nederlandsch stuk in Parijs.
De rolverdeeling was deze:
Karalyk M. Antoine.
Piotr, le fils ,, Depas.
Le Pope ,, Gémier.
Un Paysan ,, Michelez.
Le Chef des Cosaques ,, Arquillière.
La Mère Mme. Barny.
La Grand’mère. ,, Reynold.
Kasja, servante. ,, Vinet.
Meer over „Ahasverus” heb ’k niet te vertellen. ’k Geef ’t stuk in z’n
geretoucheerd-primitieven vorm. Als ’k ’r aan terug denk, denk ’k aan
’n aardig brok souvenir—en aan den nog niet geëindigden „strijd” met de
„critici”, waarvan ’t gros niets geleerd heeft, niets leeren zal.
Je zou ’t nog wel ’ns over willen doen, als—’t voor jezelf niet zoo
compromitant was.
Herman Heijermans.
Berlijn, December 1911.