—Luister! Jij neemt den hond mede naar huis en wacht op nadere

instructies. Ik begeef mij naar het huis in Harrow Road, en zal Dayton

verzoeken, mij zijn plaats te laten innemen!

—Een uitstekend idee! Op die wijze zul je misschien het gemakkelijkst

achter zekere geheimen van den tweeden Grammont komen!

Charly nam den hond over en daarop drukten de twee vrienden elkander de

hand en gingen ieder huns weegs.

Raffles had spoedig opnieuw een huurauto gevonden en gaf den chauffeur

last hem naar het bankgebouw in Harrow Road te rijden.

Onderweg maakte hij zijn plan op.

Hij zou zooveel aan Dayton openbaren als noodzakelijk was, om den

butler te bewegen, hem zijn plaats in te ruimen.

Dit zou des te gemakkelijker gaan, daar de man, die Grammont’s plaats

had ingenomen, nog slechts weinige dagen met den butler in aanraking

was gekomen, en het dus wel niet zou opmerken, wanneer deze niet juist

deed, als hij het gewend was.

Eenmaal in huis, zou het Raffles niet al te moeilijk vallen, de noodige

nasporingen te doen.

De auto stond stil en Raffles stapte uit en zond den chauffeur weg.

Hij belde aan, en de deur werd geopend door Henry Dayton.

Hij nam den bezoeker een weinig verbaasd op en zeide toen:

—Als gij voor zaken komt, dan moet gij aan de kantoordeur zijn,

mijnheer!

—Ik kom wel voor zaken, maar niet degene die gij denkt! antwoordde

Raffles. Ik zou trouwens mijnheer Grammont niet thuis treffen! Een half

uur geleden zag ik hem elders!

—Mag ik dan weten, waarvoor gij komt, mijnheer? vroeg de butler

verwonderd.

—Ik kom voor u! antwoordde Raffles. Hebt gij tien minuten voor mij? Ik

ben particulier detective.

—Nog altijd om de inbraak! riep Dayton een weinig ongeduldig uit. Maar

het moest u toch bekend zijn, dat mijnheer Grammont geen gevolg aan de

zaak wenscht te geven!

—Hij misschien niet, maar de Justitie wel! kwam Raffles bedaard.

Weer kwam er een goudstuk uit zijn zak te voorschijn, dat naar de hand

van den butler verhuisde.

Deze opende de deur wat verder en liet den bezoeker binnen.

Hij ging hem voor naar een klein vertrekje aan het einde van de

vestibule en zeide, nadat hij de deur gesloten had:

—Vraag dan, wat gij te vragen hebt, mijnheer, maar ik verzeker u, dat

ik u niet veel zal kunnen zeggen!

—Ik zal u eerst wat voorstellen, en later nog iets vragen! zeide

Raffles.

—Mij voorstellen? herhaalde de butler langzaam. Wat zou dat wel kunnen

zijn?

—Dat zal ik u zeggen, ik wilde voor een dag of een paar dagen uw plaats

innemen.

—Hier? In dit huis? Mijn plaats als butler? riep Dayton met een

ongeloovigen blik uit. Met welk doel?

—Met het doel, mijnheer Grammont te bespieden!

—Wat? En daar durft gij zoo brutaalweg voor uitkomen? riep de butler

verontwaardigd. Dan zijt gij aan het verkeerde adres, mijnheer! Ik

verraad mijn meester niet!

—Dat doet gij ook niet, als gij mij uw plaats afstaat! hernam Raffles

rustig. Mijnheer Grammont is uw meester niet!

De butler keek Raffles een oogenblik aan, alsof hij vreesde met een gek

te doen te hebben.

Maar toen hij den ernstigen blik in de grijze oogen zag, riep hij uit:

—Gij houdt mij toch niet voor den gek, mijnheer? Mijnheer Grammont zou

mijn meester niet zijn?

—Op die vraag kunt gij u zelf het beste antwoord geven, als gij eens

bij u zelf te rade gaat, of gij sedert eergisteren niets bijzonders bij

uw meester hebt opgemerkt.

Raffles had dit op zulk een overredenden toon gezegd, dat de butler

verschrikt achteruit week en verbleekte.

Toen kwam het toonloos over zijn lippen:

—Als ik alles goed naga, dan, ja dan moet ik erkennen, dat mijnheer

Grammont niet is als gewoonlijk! Hij heeft sommige zijner gewoonten

afgeschaft en andere aangenomen, welke ik in het geheel niet kende! Zoo

vroeg hij gisterenmorgen driftig waar zijn scheerwater bleef, en

mijnheer Grammont heeft zich nooit zelf geschoren, zoolang mij heugt!

Ik wist zelfs niet dat hij een scheermes had!

—Wat deedt gij toen?

—Wat zou ik gedaan hebben? Ik antwoordde natuurlijk, dat ik voor

scheerwater zou zorgen! Het ligt niet in mijn aard, aanmerkingen te

maken op het doen en laten van mijn meester!

—Maar waar haalde hij het scheermes dan vandaan?

—Er was er geen! Ik vond het bakje met scheerwater juist zoo als ik het

op de waschkast had neergezet, maar steenkoud.

—En verder? Hebt gij verder niets vreemds opgemerkt? Bedenk u goed,

want ik verzeker u, dat het van het grootste gewicht is!

De butler dacht ingespannen na en riep eensklaps uit:

—Juist, het was gisteren de eerste van de maand, en mijnheer Grammont

wilde de bedienden zelf betalen. Dit nu is altijd mijn werk geweest,

zooals in alle gegoede huizen. Ik zeide hem bescheiden, dat ik het wel

doen zou, en toen gaf hij mij geld, vijf pond te weinig! Natuurlijk

dacht ik, dat hij zich eenvoudig verteld had, en ik zeide het hem.

—Nog iets?

—Toen ik gisterenmiddag langs het kantoor liep, hoorde ik toevallig den

boekhouder tot den procuratiehouder zeggen, dat hij volstrekt niets

begreep van een order, die mijnheer Grammont hem had gegeven. De

procuratiehouder haalde toen de schouders op en gaf te kennen, dat hij

zelf reeds den geheelen morgen met mijnheer Grammont overhoop lag. Hij

meende dat er iets niet geheel met hem in orde was.

—Daaraan heb ik voorloopig genoeg, mijn vriend! Het blijft mogelijk,

dat mijnheer Grammont door den een of anderen zielschok veranderd is,

maar ik moet zekerheid hebben. Gij loopt in geen geval gevaar, daar zal

ik zorg voor dragen. Gij hebt niets anders te doen, dan mij toe te

staan, uw uiterlijk aan te nemen, en een dag, hoogstens twee dagen in

uw plaats mijnheer Grammont te bedienen.

Nog scheen Dayton te aarzelen.

—Maar als gij u eens vergiste, mijnheer! Ik zou mijn betrekking kunnen

kwijtraken!

—Ik vrees, dat gij dat in ieder geval zult doen, mijn vriend! Maar ik

heb zeer vele en goede connecties, ik zal wel zorg dragen, dat gij geen

schade lijdt! Bedenk, dat gij de justitie een zeer grooten dienst

bewijst, als gij toestemt.

Nog even scheen Dayton in beraad te staan, en toen hief hij snel het

hoofd op en zeide:

—Het zij dan zoo, mijnheer! Uw woorden hebben vasteren vorm gegeven aan

mijn vage vermoedens! Ik ben tot uw dienst! Alleen wilde ik dit nog

weten, als die man, die hier in huis de meester speelt, niet mijnheer

Grammont is, wat is er dan van dezen geworden?

Een oogenblik overwoog Raffles, of hij den butler de waarheid zou

zeggen, maar hij bedacht zich nog bijtijds en antwoordde:

—In ieder geval iets zeer ernstigs! Juist om te ontdekken wat het is,

wil ik dezen vreemden man op de vingers zien!

—Zou het niet noodzakelijk zijn, Miss Hotspur, de huishoudster, in het

geheim te nemen?

—Dat kunnen wij doen, maar het is niet volstrekt noodig. Want ik

verzeker u, dat ik zoodanig uw voorkomen zal nabootsen, dat zelfs deze

eerwaarde dame mij niet zal herkennen! Kunt gij niet een boodschap

bedenken, die u een uur buitenshuis houdt?

—Mijnheer Grammont heeft gezegd, dat hij pas laat zou terugkeeren. Ik

kan het er dus wel op wagen.

—Dan ga ik nu heen, en verwacht u binnen vijf minuten op den hoek van

de volgende straat. Ik zal voor een auto zorgen.

Hij knikte den butler vriendelijk toe, en verliet het huis, om op

straat een auto aan te roepen.

Hij behoefde slechts een paar minuten te wachten, totdat Dayton

verscheen.

Hij had een korte overjas aan en droeg een bolhoed, zooals de meeste

Engelsche bedienden van goeden huize die plegen te dragen, als zij

buitenshuis komen.

Daar Raffles dit alles had voorzien, droeg hij alles bij zich, om snel

en zonder al te veel opzien van uiterlijk te veranderen.

De oogen van den butler waren lichter dan de zijne, en ook niet

volkomen grijs maar Grammont kende den butler te kort, om dit aanstonds

op te merken.

Raffles gaf den chauffeur last, hen naar een klein hotel te rijden, op

een half uur loopens afstand.

Daar bestelde hij een kamer, betaalde vooruit, en begaf zich erheen,

door Dayton vergezeld.

Aanstonds pakte hij de kleine tasch uit, welke hij bij zich droeg, nam

er een pruik en een aantal kleine fleschjes uit, met verschillende

vloeistoffen gevuld, ontdeed zich van zijn bovenkleeren en begon zich

met groote zorgvuldigheid te grimeeren.

Telkens wierp hij een blik op het gelaat van den butler, haalde hier

een fijne streep, trok daar een rimpel, maakte de huidskleur lichter,

door haar te bevochtigen met een kleurloos watertje en verfde zijn

wenkbrauwen met een andere kleurstof, zoodat zij donkergrijs werden.

Met behulp van een zeer dunne, vleeschkleurige pleister trok hij de

oogen in de buitenhoeken een weinig op, want de oogen van Dayton waren

een weinig schuin geplaatst, en nadat hij een paar korte bakkebaarden

op zijn wangen had geplakt, was de gelijkenis waarlijk verbluffend.

Dayton zat verstomd naar den gewaanden detective te kijken en zeide nu

vol bewondering:

—Ik moet zeggen, dat gij uw vak verstaat, mijnheer! Ik heb vaak

gemeend, dat het met die vermommingen maar lak was, en dat men het

dadelijk moest kunnen zien, maar ik moet nu wel van die meening

terugkomen!

—Gewoonte, vriend Dayton, niets dan gewoonte! gaf Raffles glimlachend

te kennen. Nu nog uw overjas en uw hoed, en dan ben ik gereed! Hebt gij

hier in de stad familie, naar wie gij u zoolang begeven kunt?

—Ik kan naar mijn zuster gaan, mijnheer!

—Mooi zoo, dan vertrek ik nu eerst, gij wacht nog een half uurtje, en

gaat dan op uw beurt heen. Op die wijze loopen wij het minst gevaar,

dat men de verkleedpartij opmerkt. Hier hebt gij mijn overjas en hoed!

—Ik moet daar nu zeker zoolang blijven, tot ik bericht van u ontvang?

vroeg Dayton, terwijl hij de jas aantrok, welke Raffles hem overhandigd

had.

—Ja, en het zal wel minstens een vollen dag duren! Maar alles kan mij

meeloopen en dan zult gij zeker met lof vermeld worden in de bladen,

want dan zult gij de behulpzame hand hebben geboden bij de onthulling

van.... een zeer ernstig misdrijf, meer kan ik er voor het oogenblik

niet van zeggen!

De beide mannen waren nu geheel gereed, en er stonden twee Daytons in

het vertrek, zoo volkomen aan elkander gelijk, wat het gelaat betreft,

dat niemand het onderscheid had kunnen ontdekken, of had kunnen zeggen,

wie de echte, wie de nagemaakte butler was.

Wel was Raffles, als hij zich oprichtte, bijna een decimeter langer dan

Dayton, maar dit verschil in lengte wist hij meesterlijk te verbergen,

door gebogen te loopen, met kromme knieën.

Hij bekeek zich nogmaals in den grooten spiegel, die in de eenvoudige

hotelkamer hing, en daarop stak hij Dayton de hand toe en zeide:

—Nu ga ik! En ik hoop, u spoedig bericht te kunnen zenden. Geef mij uw

adres, of liever het adres van uw zuster!

Dayton schreef het adres op een klein stukje papier en stak het Raffles

toe, die het in zijn zak liet glijden.

En daarop verliet hij de kamer, overtuigde zich, dat er geen kellners

in de nabijheid waren en liep haastig de trap af.

In de groote hall stonden wel eenige kellners en reizigers, maar

niemand sloeg acht op hem.

Als aanstonds de echte Dayton nogmaals voorbij zou komen, dan zou men

eenvoudig denken, dat hij in dien tusschentijd terug was geweest.

Raffles riep dadelijk een huurauto aan, en liet zich tot op een vijftig

meter van het huis van Grammont brengen.

Daar stapte hij uit, betaalde den chauffeur en ging te voet verder.

Hij belde aan, en de deur werd geopend door een eerwaardige oude dame

van ruim zestig jaar, met een grooten bril op den scherpen neus.

—Ik wist niet, dat je uit geweest waart, Dayton! zeide de dame, Miss

Hotspur.

—Ik ben wat langer opgehouden, dan ik dacht, Miss! kwam Raffles,

verheugd, dat hij blijkbaar aanstonds als Dayton werd aangemerkt. Neem

het mij alsjeblieft niet kwalijk!

—Ik zal je zeker niet kwalijk nemen, Dayton, maar als mijnheer Grammont

het merkte....! Je weet wel, dat hij de laatste dagen van een heel

onaangenaam humeur is!

—Is hij in dien tusschentijd thuisgekomen? riep Raffles met

voorgewenden schrik uit.

—Dat niet, maar het zal zoo lang niet meer duren! Mijnheer eet thuis,

zooals je weet!

Raffles wist er natuurlijk niets van, maar hij knikte, alsof hij er

alles van begreep, en begaf zich snel naar het bediendenvertrek, om

zich daar van zijn jas en hoed te ontdoen.

Het was hem nu van groot voordeel, dat hij het huis zoo goed kende,

want nu zou hij zich zeker niet zoo spoedig vergissen.

Niemand van de bedienden scheen ook maar een oogenblik aan zijn

identiteit te twijfelen, noch de kamerbediende, noch de kok, noch de

huisknecht.

En Raffles zelf maakte geen fouten!

Als het noodig was, zou hij maanden achtereen in de deftigste huizen

als butler kunnen dienen, zonder dat men reden tot klagen over zijn

kundigheden zou hebben gehad!

Alles wat hij deed, was volkomen correct, en een butler met jaren

praktijk zou hem niet hebben kunnen verbeteren.

Hij vergewiste zich, dat alles in de keuken in orde was, proefde van de

spijzen, gaf een paar orders, en klom toen haastig naar de tweede

verdieping, waar hij wist, dat zich de slaapkamer van Grammont bevond.

Snel opende hij de deur en ging binnen.

Hij trad op de kleerenkast toe en onderzocht ze haastig.

Daar hingen, keurig gerangschikt, dat was blijkbaar het werk van

Dayton, alle costuums van den bankier, zijn sportjakken, zijn flanellen

strandcostuums, zijn motorjekker, zijn smokings en zijn rokcostuums.

Naar een dezer laatste kleedingstukken zocht Raffles, de overige konden

hem voor het oogenblik minder schelen.

Hij nam een rok van den haak en begon snel maar grondig alle zakken te

doorzoeken.

Hij vond echter niets, evenmin als in vest en pantalon van het costuum.

Daarop greep hij een tweeden rok en begon opnieuw zijn nasporingen.

Hij stak de hand beurtelings in de beide binnenzakken, en vervolgens in

de zakken der panden.

De tweede zak bleek een weinig uitgescheurd te zijn, misschien door een

zwaren tooneelkijker, want Grammont bleek nogal nonchalant met zijn

kleederen om te springen.

En toen Raffles de hand door dat gat heenstak, voelde hij iets

knisteren, hij haalde een opgevouwen briefje te voorschijn....

Het was van zacht ivoorkleurigen tint, en rook sterk naar viooltjes.

De korte inhoud, met potlood geschreven, luidde als volgt:

—Lieve Austin! Ik wil je alles vergeven, ik wil alles vergeten, en geld

wil ik ook niet hebben! Ik wacht je vanavond, na afloop van de

voorstelling op den hoek van het spoorwegdepôt in Paddington. Twaalf

uur! Ik heb je lief! Je Nelly.

Raffles liet het briefje haastig in zijn zak glijden en hing den rok

weder weg.

Terwijl hij dit deed, ging de deur open en Grammont verscheen op den

drempel.

Hij bleef even staan waar hij stond en vroeg toen:

—Wat voer je daar uit, Dayton?

Raffles meende wantrouwen in de stem te hooren.

Hij had zich spoedig van zijn schrik hersteld en antwoordde onderdanig:

—Ik wilde mij even overtuigen, dat de rokcostuums van mijnheer in orde

zijn, ik meende mij te herinneren, dat er een gat was in een der

achterzakken van uw besten rok.....

Grammont keek den gewaanden butler strak aan, en Raffles meende op te

merken, dat zijn oogen snel achter elkander eenige malen knipten, als

van iemand, die eensklaps van de duisternis in het licht komt.

Toen zeide de bankier:

—Laat dat maar! Je behoeft niet zoo bijzonder ijverig te zijn! Doe

dergelijke dingen als ik het je beveel, en anders niet! Begrepen?

Raffles maakte een zwijgende buiging en sloot de kast.

—Mijnheer eet thuis?

—Waarvoor dacht je, dat ik anders hier kwam? zeide Grammont norsch.

Haast je maar wat! Ik heb een afspraak voor hedenavond.

—Ik zal zeggen, dat de kok zich moet reppen, mijnheer! hernam Raffles

en hij verliet in gebogen houding het vertrek.

Maar op de mat voor de deur stond hij even stil en bromde voor zich

heen:

—Dat verloren briefje, dat vodje papier, dat je over het hoofd hebt

gezien, kon je wel eens aan de galg brengen, mijnheer de Onbekende!

Hij ging weder de trap af, en nam in de vestibule de telefoon van de

haak.

Hij liet zich in verbinding stellen met het kleine hotel, waar hij

Dayton had achtergelaten en verzocht den portier den butler aan het

toestel te roepen.

En daarop ontspon zich het volgende, korte gesprek.

—Ik ben het, Dayton, je vriend van zooeven! Zeg mij eens spoedig, of

mijnheer Grammont kennis heeft aan een of andere dame, waarschijnlijk

een artiste, die Nelly heet!

—Ja zeker, mijnheer! Maar dat is al een paar maanden uit, als ik mij

niet vergis, die jonge dame maakte heel wat geld stuk en met haar trouw

was het niet bijzonder gesteld!

—Maar mijnheer Grammont hield zeker zeer veel van haar?

—Hij was gek met haar! Wel drie keeren heeft hij haar gesmeekt, het

toch weer goed te maken! Dan bleef zij hem ook weer een tijd trouw,

maar lang duurde het nooit!

—Kun je mij zeggen, of mijnheer Grammont op den dag van de inbraak een

brief van haar heeft gekregen?

—Laat eens even zien, ja, dat is wel mogelijk! Omstreeks vijf uur in

den middag kwam een man, die er wel wat als een tooneelknecht of iets

dergelijks uitzag, een briefje brengen.

—Hoe zag het er uit?

—Langwerpig, ivoorkleurig... en het rook sterk naar viooltjes, naar ik

mij meen te herinneren.

—Ik dank je, Dayton, dat is voorloopig voldoende! Blijf maar trouw op

je post, ik kan je zeggen, dat alles goed gaat, in dien zin, dat ik aan

den vooravond sta, een zeer zwaar misdrijf aan het licht te brengen!

Raffles hing het toestel weder aan den haak, en bemoeide zich nu

uitsluitend met het middagmaal.

En zoo voortreffelijk vervulde hij zijn rol, dat de overige bedienden,

noch de heer des huizes, noch de huishoudster, ook maar een seconde aan

zijn waren aard twijfelden.

Grammont at vlug, en scheen in gedachten verdiept, ofschoon Miss

Hotspur nu en dan een poging waagde, een gesprek aan te knoopen.

Maar tegen het dessert zeide Grammont eensklaps:

—Luister eens, Miss Hotspur! Ik moet morgen op reis, het zal wel een

verre reis worden, ik denk Indië of Australië, ik weet het nog niet

zeker. In ieder geval blijf ik minstens een half jaar weg!

—Lieve hemel, mijnheer, hoe komt u daar zoo ineens op, riep Miss

Hotspur uit, terwijl zij de handen van verbazing in elkaar sloeg.

—Het is een inval van mij! antwoordde Grammont ongeduldig. Ik had het

al lang moeten doen, ik wil daarginds een paar zakenvrienden gaan

bezoeken. Wat u betreft, gij kunt natuurlijk hier blijven, maar als gij

liever naar uw ouders gaat....

—Mijn ouders? herhaalde de huishoudster en haar oogen werden vochtig.

Is u dan nu reeds vergeten, dat de goede oudjes op denzelfden dag om

het leven zijn gekomen, een half jaar geleden?

Grammont bromde iets, dat op een verontschuldiging moest lijken, en

wierp zijn servet naast zich neer.

Hij stond op, haalde zijn sigarettenkoker te voorschijn, en vervolgde,

als terloops:

—Wat de bedienden aangaat, zij kunnen wel zoolang verlof nemen, en als

hun dat niet schikt, dan houd ik hen niet tegen, wanneer zij elders een

andere betrekking kunnen krijgen!

—Het klopt! het klopt alles als een bus! mompelde Raffles zachtjes voor

zich heen. De schurk wil zich maar het liefst ontdoen van allen, die

Grammont goed gekend hebben! En die reis is ook goed bedacht! Op die

manier vergeet men de inbraak en de rest! Maar John Raffles is er ook

nog, mijnheer Grammont, of wie je dan zijn mag!

De bankier had het vertrek reeds verlaten en een oogenblik later hoorde

Raffles hem bezig in zijn slaapkamer.

Hij stond even te luisteren, en daalde toen naar het bediendenvertrek

af.

En onderweg maakte hij bij zichzelf de opmerking:

—Als de kerel werkelijk morgen op reis wil gaan, dan is het tijdstip om

handelend op te treden, aangebroken.

HOOFDSTUK VII.

DE HAND VAN HET NOODLOT.

Den volgenden morgen, toen het nauwelijks negen uur had geslagen, hield

een huurauto stil voor het huis in Harrow Road.

Daaruit stapte een man met een gebruind intelligent gelaat, die een

klein reisvalies in de hand hield.

Hij rekende met den chauffeur af en trad op de huisdeur toe.

Raffles bevond zich toevallig in de vestibule, daar hij de gangen van

het wild tot iederen prijs wilde nagaan, en daarom opende hij de deur.

Hij keek wat verbaasd naar den heer in het reiscostuum, die op de stoep

stond, en vroeg:

—Wat is er van uw dienst, mijnheer?

—Wat is dat nu, Dayton, ken je mij niet meer? riep de bezoeker lachend

uit. Kom, kom, zoo ben ik toch niet veranderd! Zeg maar spoedig aan

mijnheer, dat ik er ben!

—Maar mijnheer Grammont is nog niet eens opgestaan! gaf Raffles te

kennen.

—Dan zal ik hemzelf wel gaan wakker maken! hernam de ander. Voor zijn

eigen broeder zal hij toch wel geen bezwaren maken! En vooral niet, als

die hem in zes jaren niet gezien heeft!

—Zijn broeder! herhaalde Raffles, een stap terugwijkend.

—Vindt je dat zoo verwonderlijk, hernam de bezoeker, op zijn beurt

verbaasd. Je kent me dus inderdaad niet meer?

In plaats van op deze vraag te antwoorden, trok Raffles den broeder van

Grammont tot diens groote verwondering in de vestibule, sloot de deur

en voerde hem haastig naar een kleine zijkamer.

Toen begon hij met gedempte stem:

—Luister mijnheer Grammont! Ik ben Dayton niet! Ik neem slechts zijn

plaats in, ik ben een particuliere detective.

De ander slaakte een kreet van ontsteltenis en verbazing, en riep toen

verschrikt uit:

—Wat moet dat beteekenen? Wat is er dan gebeurd? Ik kom zooeven van het

station na zes jaren in Bombay te zijn geweest en ik weet van niets.

Waarom is u hier als detective in het huis van mijn broeder?

—Uw broeder, mijnheer, moet ik vreezen, behoort niet meer tot de

levenden! zeide Raffles op zachten, ernstigen toon.

—Wat zegt gij daar! riep Grammont uit, terwijl hij verbleekte en

Raffles bij den arm greep. Wat is er dan met hem geschied?

—Ik vrees, dat hij vermoord is, en dat de man, die het deed, hier thans

als Austin Grammont in dit huis vertoeft!

De bezoeker liet zich op een stoel neervallen en staarde ontzet voor

zich uit.

Een tijd lang heerschte er stilte in het vertrek.

Toen hief Philip Grammont plotseling het hoofd op, en zeide:

—Hoe is dat mogelijk? Iedereen moet dat bedrog dan toch dadelijk gezien

hebben, tenzij....

—Tenzij de moordenaar trek voor trek op Uwen broeder geleek, vulde

Raffles den zin aan.

Eensklaps gaf Philip Grammont een schreeuw en riep, bleeker dan een

laken:

—Dan weet ik, wie het geweest moet zijn! Ik zal het u zeggen, ik heb

zes jaren in Bombay gewoond en daar ontmoette ik een paar jaar geleden,

bij toeval op een groote bijeenkomst een man, die zoo sprekend op mijn

broeder geleek, dat ik zelf mij zou hebben vergist en hem bijna zou

hebben aangesproken. Zijn naam kwam voor op de lijst van sprekers van

dien avond, hij heette Gordon Finn, en toen ik hem op het podium zag

staan, was de gelijkenis nog sterker, zoo sterk, dat ik waarlijk een

oogenblik meende, dat mijn broeder, de hemel mag weten om welke

redenen, onverhoeds uit Londen naar Bombay was gekomen, om daar, onder

een aangenomen naam, een redevoering te houden op een politieke

vergadering. Ik verloor den man echter uit het gezicht en ik heb daarna

nooit meer iets van hem gehoord.

—Dan is er toch iets onbegrijpelijks, hoe is het dan mogelijk, dat die

man van het bestaan van een dubbelganger hier te Londen afwist? Het zou

wel zeer toevallig zijn geweest, als hij juist daarna naar Londen was

vertrokken en in die korte spanne tijd uw broeder had gezien.

Met de vuisten tegen het voorhoofd gedrukt, dacht Philip Grammont een

oogenblik na, en riep toen uit:

—Ja, zoo kan het geweest zijn! Ik herinner mij nu zeer goed, dat mijn

broeder mij omstreeks een jaar geleden, een zeer bekend Londensch

tijdschrift toezond, het welk ook veel in Bombay wordt gelezen, en

waarin op de voorste pagina een bijna levensgroot portret van hem

voorkwam, ik geloof, naar aanleiding van het feit, dat hij als

president van de Economische Vereeniging was benoemd.

—Dat zou veel ophelderen! hernam Raffles. De moordenaar, Gordon Finn,

kan dat portret zeer goed hebben gezien achter het raam van een

boekwinkel, hij heeft uit het korte onderschrift kunnen nagaan, dat uw

broeder zeer rijk was, en toen was zijn plan gemaakt!

—Maar hoe weet gij dit alles, wat is er dan met mijn broeder geschied?

Wanneer is hij gedood? Zijt gij de eenige, die het weet of vermoedt?

—Tracht bedaard te blijven, mijnheer Grammont dan zal ik u alles

mededeelen, zeide Raffles.

En nu verhaalde hij den man, die door het noodlot naar de plaats scheen

te zijn gevoerd, waar zijn broeder door moordenaarshand was gevallen,

alles wat den lezer reeds bekend is, natuurlijk zonder zijn waren aard

te verraden, en terwijl hij zich uitgaf voor particulier detective.

Lord Lister No. 0344: Het raadsel van Harrow Road · 第 3 / 4 段