met het geheimzinnige valies, noch het vreemde optreden van Sherif, den
terrier, noch de vergissing, welke de moordenaar had begaan, en ook
niet het briefje van de variété artiste, dat hij in den uitgescheurden
zak van het rokcostuum van Austin Grammont had gevonden.
Maar één ding was er, dat hij niet verried, en dat was de eerste
aanleiding tot zijn wantrouwen, het feit, dat de gewaande Grammont aan
de politie had verklaard dat hij in den nacht van de inbraak thuis was
geweest.
Toen Raffles zijn verhaal beëindigd had, bleef Philip Grammont eenigen
tijd onbeweeglijk zitten, met het hoofd in de handen gesteund.
Maar toen sprong hij op, en riep op woesten toon:
—Is die ellendeling niet hier?
—Ja, hij is in zijn slaapkamer, hij wilde hedenmiddag op reis gaan,
naar Australië of Indië.
—Dan ga ik aanstonds naar hem toe, ik sla hem op de plaats dood.
En reeds ijlde hij naar de deur, maar Raffles trad hem in den weg en
greep hem bij den arm.
—Laat die daad aan de justitie over, zeide hij op ernstigen toon.
Ondanks alles zouden wij ons wellicht nog kunnen vergissen! Ik verzeker
u, dat hij ons niet zal ontkomen, maar eerst moeten wij al de mogelijke
bewijzen bijeen zamelen, dat is slechts een kwestie van eenige uren, en
de schurk zal geen voet verzetten, zonder dat ik hem naga, of laat
nagaan.
—Goed, ik zal nog een paar uren geduld oefenen! gromde Philip Grammont.
Zorg gij slechts voor de bewijzen, dat is uw taak.
—Ik zeide u reeds, dat het gelaat van den doode door slaan met een
ijzeren staaf, zoodanig was misvormd, dat het volstrekt niet meer te
herkennen viel, maar gij zijt de broeder van het slachtoffer. Misschien
weet gij wel een herkenningsteeken!
Philip Grammont dacht slechts even na en riep toen uit:
—Ja, er is er één! Austin is als jongen eens door een kameraadje met
een pennemes bij ongeluk in het hoofd gestooten. De wonde maakte een
groot litteeken, dat echter door het hoofdhaar bedekt werd. Het
litteeken moet zich aan de rechterzijde van het oog bevinden, schuin
boven het oor!
—Dan zullen wij dat dadelijk gaan onderzoeken, mijnheer Grammont. Ook
zullen wij den terrier halen, zoo mogelijk den chauffeur van de
huurauto met het nummer N. L. 3717, die dien man gereden heeft, en als
hij dan nog ontkend, zouden wij de politie te Bombay in den arm kunnen
nemen. Ik zal een mijner helpers hier telefoneeren, en als die hier
eenmaal is, dan ontkomt Gordon Finn niet meer, daarvan geef ik u de
verzekering. Wacht een oogenblik, dan zal ik telefoneeren.
Even later stond Raffles aan het telefoontoestel en sprak met Charly en
Henderson.
Zij moesten beiden met den terrier in een van de kleine auto’s tot
dicht bij het huis te Harrow Road rijden, goed acht geven op de
voordeur van het huis, en in geen geval toestaan, dat Grammont zich
naar een of ander station begaf. Mocht hij dit inderdaad doen, dan
moesten zij de politie waarschuwen, die dan aanstonds tot arrestatie
kon overgaan. In het tegenovergestelde geval, dus als de moordenaar het
huis niet verliet, moesten zij rustig wachten op de komst van Raffles
en den broeder van het slachtoffer.
Toen dit alles geregeld was, wendde Raffles zich tot Philip Grammont en
zeide:
—Ik moet voorloopig hier blijven, ten eerste om geen argwaan te baren,
en vervolgens om den man, die hier nu is, in het oog te houden, totdat
mijn helper mijn plaats inneemt. Gij kunt u in dien tijd naar Scotland
Yard begeven en daar verzoeken dat men het hoofdhaar van den vermoorde
afscheert, zoodat men zich kan overtuigen, of het litteeken werkelijk
aanwezig is. In dat geval is iedere twijfel natuurlijk buitengesloten.
Maar let nu wel op. Gisteren zijn er twee zoogenaamde provincialen
geweest met den terrier om namens een gewaanden neef te Orpington het
lijk te identificeeren. Een van die provincialen was ik. De hond jankte
bij die gelegenheid erbarmelijk, reeds toen was ik er zeker van, dat
hij zijn meester herkende. Gij kunt dat alles daarginds mededeelen, zij
zullen wel begrijpen, waarom ik die rol speelde. Als particulier
detective stel ik er natuurlijk prijs op de officieele politie een
vlieg af te vangen.
—Ik zal doen, zooals gij mij voorschrijft, en ik dank u voor Uwe
bemoeiingen! Later zullen wij dat alles wel regelen, naar ik hoop!
—Dat heeft volstrekt geen haast, mijnheer Grammont, zeide Raffles met
een zonderlingen glimlach, en ga nu spoedig, hij mag in geen geval
vertrekken vanmiddag.
—Welk een terugkomst, zeide Philip Grammont met een smartelijken zucht.
Wij hadden niemand dan elkander op de wereld. Met opzet had ik mijn
broeder niet gewaarschuwd, om hem te kunnen verrassen!
Hij nam zijn hoed en ging het vertrek uit, na Raffles de hand te hebben
toegestoken.
—Neem ook uw valies mee, hij mag niet weten, dat hier iemand geweest
is. En wacht totdat ik mij heb overtuigd, dat alles veilig is.
Hij betrad het eerst de vestibule, en wenkte toen den bezoeker, die
haastig de vestibule overstak, de voordeur opende en Raffles nog eens
toeknikte en haastig verdween.
Door de deur zag Raffles hoe hij een huurauto aanriep, instapte en
wegreed.
Aan de somberste gedachten ten prooi, zat Philip Grammont in een hoek
van de huurauto gedoken.
Het was hem goed gegaan in Bombay en hij hoopte de rest van zijn leven
in Engeland te kunnen doorbrengen, in gezelschap van zijn broeder, voor
wien hij altijd een groote genegenheid had gevoeld.
Verheugd en opgewekt had hij zich van het Victoria Station naar het
groote huis in Harrow Road laten brengen, en daar werd hij door zulk
een vreeselijke tijding ontvangen.
Hij was volstrekt niet op de hoogte van wat er geschied was, want een
dag geleden was hij nog op zee.
Hij keek op, toen de auto stilhield voor het sombere gebouw in Downing
Street, stapte uit en beval den chauffeur te wachten.
Door den dienstdoenden agent liet hij zijn kaartje naar den
hoofdcommissaris brengen, even later stond hij tegenover dezen beambte.
Hem werd een stoel aangewezen, maar Philip Grammont bleef staan en
zeide op doffen toon:
—Ik zal u niet al te lang lastig vallen, mijnheer, ik wilde gaarne het
lijk zien van den man, die eergisterennacht geheel ontkleed en met
vreeselijke hoofdwonden op het spoorweg-emplacement van Paddington is
gevonden.
De hoofdcommissaris schudde het hoofd en zeide:
—Het spijt mij mijnheer, maar ik meen als zeker te mogen aannemen, dat
gij een vruchteloos bezoek komt brengen. Er zijn reeds een paar lieden
uit de provincie geweest met een hond, en er was geen sprake van of het
dier herkende het lichaam. Wij verwachten ieder oogenblik den broeder
van het slachtoffer.
—Ik ben de broeder van den doode, mijnheer, hernam de man op schorren
toon. En de terrier was zijn eigendom. De lieden, die hier gisteren
geweest zijn, waren particuliere detectives.
En nu deelde de ongelukkige man aan den hoofdcommissaris mede, wat
Raffles hem zooeven had verteld.
Deze had aandachtig geluisterd, maar nu vertoonde zich een trek van
ongeduld op zijn gelaat, toen hij zeide:
—Die heeren van den particulieren detectivendienst gaan altijd heel
geheimzinnig te werk, naar het schijnt, zij trachten ons altijd een hak
te zetten. Ik moet echter erkennen, dat in dit bijzondere geval, uw
zegsman het wel eens aan het rechte eind kon hebben! Maar kunt gij mij
heelemaal geen herkenningsteeken opgeven?
—Boven het rechteroor, door het haar verborgen, heeft mijn broeder een
ruitvormig litteeken! Hij kreeg het als jongen van twaalf jaar en toen
hem op dertigjarigen leeftijd zijn hoofdhaar wegens een
hersenaandoening totaal moest worden afgeschoren, bevond dat litteeken
er zich nog steeds.
—Wij zullen het aanstonds zien, mijnheer, hernam de commissaris kortaf.
Dadelijk nam hij het telefoontoestel ter hand en bestelde den barbier,
die steeds voor dergelijke lugubere werkjes disponibel was.
Tien minuten later was de man ter plaatse, en gezamenlijk begaf men
zich naar het lijkenhuisje, waar het lichaam van den doode nog altijd
op de steenen tafel lag uitgestrekt.
Doodsbleek, met gebalde vuisten, bleef Philip Grammont op den drempel
staan, terwijl de barbier vlug het hoofdhaar aan de rechterzijde begon
af te knippen.
Vijf minuten verliepen, en toen boog de commissaris zich over het hoofd
van den doode heen, en zeide op gedempten toon:
—Daar is het litteeken!
Met een kreet wierp Philip Grammont zich naast het stoffelijk overschot
en barstte in hartstochtelijk snikken los.
Een oogenblik liet hij aan zijn smart den vrijen loop, maar toen sprong
hij op en riep op woesten toon:
—Ik weet wie de moordenaar is, mijnheer! Ja, het kan niet anders! Ik
weet ook waar hij is! Kunt gij mij niet met eenige manschappen
vergezellen?
En nu zette hij in kort afgebeten, nu en dan verwarde zinnen uiteen,
wat hem een half uur geleden ervaren was.
Met de grootste aandacht had de hoofdcommissaris toegeluisterd, en toen
de ongelukkige broeder zweeg riep hij uit:
—Ik zal u dadelijk een inspecteur en twee man meegeven, voorzien van
een bevel tot inhechtenisneming.
Als alles zich inderdaad zoo heeft toegedragen, als die particuliere
detective zegt, dan valt er niet aan te twijfelen, of de man, die daar
nu in het huis is, moet de moordenaar zijn.
Hij gaf snel eenige bevelen, en een oogenblik later reed Philip
Grammont weder naar het huis in Harrow Road terug, thans in gezelschap
van een inspecteur van politie en twee rechercheurs.
Op vijftig pas afstand van het bankgebouw stond een kleine auto te
wachten, achter welk stuurwiel een man van reusachtigen lichaamsbouw
gezeten was, het was Henderson, de trouwe helper van John Raffles die
daar met het geduld van een kat op zijn post was, in gezelschap van
Charly Brand, die voortdurend het huis in het oog hield.
De jonge man glimlachte, toen hij de auto zag voorbijrijden en
stilstaan voor de deur van het groote huis.
Hij had den hem welbekenden hoofdinspecteur herkend.
Hij boog zich even voorover in den open wagen en zeide op zachten toon
tot Henderson:
—Ik geloof, dat wij wel rechtsomkeert kunnen maken, Henderson, zij
zullen het alleen wel afkunnen. Maar wij zullen toch eens wachten of
zij met het wild weder te voorschijn komen.
Intusschen waren de politiebeambten en Grammont snel uitgestapt en op
de voordeur toegetreden.
Raffles had zeker op den uitkijk gestaan, want de voordeur werd
dadelijk geopend en de gewaande butler liet hen binnen.
Hij wendde zich dadelijk tot den inspecteur van politie en zeide op
zachten toon:
—Hij is in zijn slaapkamer, ik geloof, dat hij bezig is met zijn haar
te verven, voor zoover ik door het sleutelgat heb kunnen zien. Ik zal u
den weg wijzen, maar maak geen leven, want een man als hij is tot alles
in staat. Ik zal met een voorgewende boodschap naar hem toegaan en als
de deur eenmaal open is, volgt de rest vanzelf. Mocht hij evenwel niet
opendoen, dan zal ik u langs een anderen weg naar het breede balcon
voeren, dat over een groot gedeelte langs den voorgevel loopt, en gij
kunt dan de balkondeuren wel indrukken.
Sluipend gingen de vijf mannen de trap op.
Op de eerste verdieping kwamen zij Miss Hotspur tegen, die een kreet
van verbazing bijna niet kon onderdrukken, toen zij aangevoerd door den
butler, de vijf mannen zag naderen.
Maar Raffles nam haar terzijde en beet haar toe:
—Geen geluid, wat ik u verzoeken mag! Ga maar naar beneden, gij zoudt
ons hier maar in den weg loopen.
De huishoudster was zoo verbluft, over deze zonderlinge bejegening, dat
zij als Lot’s huisvrouw stokstijf op dezelfde plaats bleef staan en met
open mond het groepje nastaarde, totdat het om den hoek van de trap
verdwenen was.
Daar gekomen, legde Raffles den vinger op den mond en zeide zoo zacht,
dat het bijna niet te hooren was:
—Druk u nu zoo dicht mogelijk tegen den muur, totdat de deur open is.
Vervolgens begaf hij zich, gewoon loopend, en zijn keel schrapend,
zooals hij dit ook bij Dayton had opgemerkt, naar de deur van de
slaapkamer, klopte aan en zeide:
—Een telegram voor mijnheer.
—Schuif het maar onder de deur door, kwam het norsche bevel.
Dat was lastiger, maar Raffles liet zich niet zoo spoedig vangen.
Hij deed alsof hij poogde iets onder de deurreet door te schuiven en
zeide toen:
—Het gaat niet, mijnheer.
—Leg het dan maar op de tafel in mijn werkkamer.
Dat was alweer een streep door de rekening.
Raffles keerde op zijn schreden terug, en bracht de politiebeambten
langs een zijgang naar de groote biljartzaal, waar hij het balkonraam
opende, en toen zeide:
—Dit is het balcon, het is het derde raam, dit medegerekend. Ik zelf
zal teruggaan en bij de gangdeur post vatten, als hij daardoor soms
mocht trachten te ontsnappen.
Terwijl Raffles over de breede gang terugsloop, verdwenen de
politiebeambten langs het balcon.
Hij kon nog nauwelijks eenige tellen zijn post voor de deur hebben
ingenomen, toen het geluid van brekend glas zijn oor trof, gevolgd door
een luiden, op heeschen toon geuiten vloek.
Dadelijk daarop kraakte een schot, en daarop volgde het geluid van een
worsteling.
Raffles draaide aan de kruk van de deur, zij was gesloten.
Hij haalde zijn bos loopers te voorschijn en had in een oogwenk het
slot geopend.
Toen hij binnentrad, zag hij een verwarde kluwen menschenlichamen over
den vloer heen en weer rollen.
In een hoek van het vertrek lag een agent, zwaar gewond door een schot
in den arm.
De moordenaar was een krachtig en gespierd man, en hij begreep, dat hij
voor zijn leven vocht.
Hij wierp de twee mannen, met wie hij worstelde, herhaaldelijk van zich
af, maar de inspecteur was zelf een gespierd man en toen hij er in
slaagde, den rechterarm van Gordon Finn op zijn rug te wringen, toen
was de strijd beslist.
Er klikte iets met metalen geluid en de moordenaar staarde als verwezen
op zijn geboeide polsen.
Toen haalde hij met een cynisch gebaar de schouders op en zeide:
—Gij zijt de sterkste geweest, ik geef mij gewonnen! Als die vervloekte
gelijkenis er niet geweest was, dan zou het hiertoe niet gekomen zijn.
Ik denk...... dat nu de galg wel het einde zal zijn.
Gordon Finn had goed geraden, drie weken later werd hij door de Jury
tot den strop veroordeeld.