kogel, voorzien van een zestal haken, overboord.
Hij behoefde de dreg slechts even heen en weer te trekken over den
bodem, en reeds greep een van de haken in een der lederen handvatsels
van het valies.
Zoo palmde Raffles snel het valies in en het volgende oogenblik had hij
het aan boord getrokken.
En ternauwernood konden de beide vrienden een kreet terugdringen, die
hen onweerstaanbaar naar de lippen drong, er kwam geluid uit het
valies! Het was een zacht, erbarmelijk klagend gejank als van een dier
in stervensnood.
Vliegensvlug gespte Raffles de leeren riemen los, schoof de knippen
terug en daar lag het valies geopend op den bodem van de boot.
—Sherif! schreeuwde Charly ontzet en van verwondering geheel ontdaan.
—Ja, het was de foxterriër van Austin Grammont, juist op het nippertje
gered van den verdrinkingsdood, met half gesloten oogen en moeilijk
ademhalend.
Het arme dier zag Charly aan met een blik, waarin een zoo duidelijke
vraag om medelijden te lezen was, dat hem bijna de tranen in de oogen
deed komen.
Alsof hij met een menschelijk wezen te doen had, zoo behandelde Raffles
aanstonds den kleinen drenkeling.
Hij wreef hem voorzichtig over het ijskoude lijfje, zoodat het
ingezwolgen water weer werd overgegeven en drukte en perste zoolang,
tot de bloedsomloop weder was hersteld.
Met hun beide zakdoeken en met een halsdoek van Charly werd het dier
drooggewreven, en daarop kreeg het een plaatsje onder de korte overjas
van Raffles.
Nog rillend, de kleine oortjes in den nek, vlijde het dier zich tegen
zijn borst en sloot met een diepen zucht de oogen, alsof het wist, dat
het in veiligheid was.
Charly was intusschen behoedzaam teruggeroeid, zorgdragend met zijn
riemen zoo weinig mogelijk leven te maken.
Het geluk was hen gunstig, want nog altijd was er niemand bij de
aanlegplaats te zien.
Zij meerden de kleine jol weder, legden haar vast, schoten de dreg op
en aanvaardden toen haastig den terugweg, Raffles met den hond onder
zijn jas, Charly met het valies in de hand.
Zij gingen weder naar de garage, Charly nam zijn plaats aan het stuur
in en daarachter troonde Raffles in een wel wat moeilijke houding, want
hij moest onder den eenen arm het valies vastklemmen en met den anderen
den kleinen Sherif beschutten.
Maar het zadel was breed, hij was een acrobaat en voor de goede zaak
moest men wat over hebben.
Geen twintig minuten later hield de motorfiets stil voor de tuindeur
van het huis in de Regentstreet.
Charly was reeds van het rijwiel afgesprongen en opende de deur met
zijn sleutel, waarop zij beiden haastig binnengingen en de motorfiets
stalden in de garage.
Henderson, die voortreffelijke ooren had, en die boven de garage zijn
kamer had, was aanstonds wakker geworden en kwam nu zijn hoofd uit het
raam steken, maar werd met een paar woorden gerustgesteld.
Raffles en Charly gingen den tuin door en traden het huis aan de
achterzijde binnen.
Nu werd allereerst voor den kleinen terrier gezorgd.
Charly ging in de keuken eerst wat melk warmen en de hond likte het
schoteltje gretig op, kreeg vervolgens een heel blikje ossentong te
verorberen en tenslotte werd het dier in een wollen deken gerold, en
kreeg een heerlijk plaatsje in den hoek van de sofa in de rookkamer.
Het duurde niet lang of het dier strekte zich behagelijk uit en
sluimerde in, maar niet dan nadat het op de beide mannen een blik had
geworpen, waarin duidelijker dan in een menschenoog zijn dankbaarheid
te lezen viel.
Raffles keek eenigen tijd naar het fraaie dier, dat daar nu zoo rustig
lag te slapen, en vestigde toen zijn doordringende grijze oogen op het
gelaat van Charly.
—Wel, dat is al een heel vreemde zaak, vindt je niet? vroeg hij
langzaam.
—Om je de waarheid te zeggen, ik heb in mijn hoofd een gevoel alsof er
watten in zitten, watten en keisteenen. Als Grammont niet volslagen
krankzinnig is, waarom deed hij dit dan in ’s hemelsnaam?
—Ik begin nu te gelooven Charly, dat de bankier in het geheel niet gek
is, maar integendeel bijzonder goed weet wat hij doet. Die hond is hem
lastig! En wel in zeer hooge mate, anders zou hij zeker dien
nachtelijken tocht niet naar de Theems hebben gedaan, om het arme dier
te verdrinken.
—Als je je verbeeldt, Edward, dat je nu de zaak plotseling voor me hebt
opgehelderd, dan heb je het mis! riep Charly uit. Waarom is die hond
hem lastig?
—Ik wilde, dat ik je op die vraag een antwoord kon geven, Charly. Als
het niet te krankzinnig klonk, dan zou ik zeggen: Er heeft een
verwisseling plaats gehad, Sherif is door een anderen hond vervangen!
—Maar dat is tastbare waanzin, Edward! riep Charly ongeduldig uit. Neem
mij niet kwalijk, maar dat kan ik niet aannemen. En zelfs, al was dat
zoo, waarom zet Grammont dan niet eenvoudig een advertentie in de
bladen: „Hond weggeloopen, verkeerde thuisgebracht, de eigenaar wordt
beleefd verzocht zijn hond te komen afhalen, en tegen mijn eigendom in
te ruilen?”
—De hond kan dus niet verruild zijn, denk je? vroeg Raffles met een
zonderling lachje.
—Dat acht ik volkomen onmogelijk.
—Welnu, dan is er maar één andere oplossing mogelijk, als meester en
hond elkander niet meer herkennen, hetgeen hier het geval is, namelijk,
dat de meester verwisseld is.
HOOFDSTUK V.
HET LIJK IN HET SPOORWEGDEPÔT.
Charly bleef Raffles geruimen tijd met een wezenloos gezicht aanstaren.
Eindelijk kon hij stamelen:
—Neem mij niet kwalijk, het kan natuurlijk wel aan mij liggen, maar
waar de zaak mij tot dusverre alleen nog maar raadselachtig is geweest,
daar wordt ze mij nu totaal onbegrijpelijk. De meester verwisseld? Met
wien? Waarom? Wanneer? Is Grammont dan niet langer Grammont?
—Ik denk, dat Grammont dood is, antwoordde Raffles rustig.
Charly vloog van zijn stoel op en riep uit:
—Wat zeg je daar? Hoe kun je dat weten? Wij hebben hem nog geen uur
geleden zien wegvluchten van de Lambeth Bridge.
—Ik denk niet, dat die man Grammont was! ging Raffles kalm voort.
—Maar mijn hemel, hoe kom je daar zoo eensklaps op. Wat brengt je er
toe, om dat te denken?
—De hond, en niets anders dan de hond! Een mensch kan zich vergissen,
het instinct van een dier bedriegt nooit! Zoolang de wereld draait,
heeft een hond zijn meester op de honderdduizenden andere personen
dadelijk kunnen herkennen. Ik weet op dien regel geen enkele
uitzondering. De butler vertelt ons, en het is ons trouwens zelf
bekend, dat Grammont altijd zeer veel van zijn paarden en honden hield
en goed voor de dieren was. Hij komt herhaaldelijk met Sherif in de
Windsor-Club, laat het dier zijn kunstjes doen en vertelt vol trots van
zijn schranderheid en zijn trouw! Hoe verklaar je het nu, dat de hond
in een enkelen nacht omdraait als een blad op een boom? Je hadt het
dier van morgen woedend tegen hem te keer moeten zien gaan, het
scheelde maar weinig of hij had hem aangevlogen, als de butler hem niet
had tegengehouden.
—Dat kan ik niet verklaren, Edward.
—Pardon, dingen die niet verklaard kunnen worden, zijn mij bijzonder
antipathiek, vervolgde Raffles. Er bestaat niets onverklaarbaars! De
hond is, daarop wil ik nu wel een eed doen, zoo fel tegen Grammont
ingenomen, omdat het Grammont niet is! Ik voel zelf wel, dat hetgeen ik
daar beweer, zeer vreemd moet klinken, en toch moet het de waarheid
zijn, omdat een andere verklaring niet denkbaar is. Men kan desnoods
nog aannemen, dat iemand’s karakter in den loop der jaren een
verandering ondergaat en dat hij zijn honden gaat mishandelen, maar het
zal lang, zeer lang duren, eer de liefde voor zijn meester uit het hart
van een hond zal worden verdreven.
—Als je niet meer gegevens hebt, dan deze.....! riep Charly uit.
—Natuurlijk heb ik er meer, want dit zou me zeker niet voldoende zijn!
Waarom denk je wel, dat Grammont des nachts om één uur tersluiks zijn
huis verlaat, als iedereen slaapt, om zijn hond te gaan verdrinken? Ik
zal zeggen, waarom hij dat wilde doen, hij is bang voor het dier!
—Bang, waarom?
—Hij vreest, dat de hond hem kan verraden, vroeg of laat!
—Maar wat zou de hond dan toch wel kunnen verraden!
—Wel, bijvoorbeeld den diefstal van de identiteit van den echten Austin
Grammont!
—En die zou, volgens jou, dood zijn?
—Ja, ik denk, dat het de man onder den wagon op het spoorwegdepôt
is.....
Geruimen tijd werd er niets gesproken.
Charly, die weder plaats had genomen, had zich achterover in zijn stoel
laten vallen, en scheen met gesloten oogen na te denken, over hetgeen
Raffles hem daar zeide.
Het warrelde hem in het hoofd, want hij kon nog steeds niet inzien, wat
er dan gebeurd was.
Eindelijk hernam hij langzaam:
—Als men je er naar vroeg dan zou je natuurlijk geen enkel bewijs
kunnen bijbrengen voor je bewering?
—Geen enkel! Je ziet, dat ik eerlijk ben.
—Maar wel een vermoeden?
—Vermoedens heb ik, Charly, en wel zeer ernstige! Ik heb vanmorgen
Austin Grammont gezien. Het was het gelaat van den bankier, het was
zijn houding, zijn gang, zijn oogopslag, en toch was hij het weer niet!
Zooiets is moeilijk onder woorden te brengen, maar er lag op zijn
gelaat een uitdrukking, die ik er nimmer tevoren op had gezien.
Wreedheid en boosaardigheid.
—Maar dat is toch niet voldoende. Hij kan wel in een bijzondere
stemming zijn geweest.
—Op zichzelf zou dat zeker niet voldoende zijn, maar nu het geval met
den hond. Gisteren een paar uren na de ontdekking van de inbraak, ging
hij met den hond uit, die zich zeer onwillig betoonde, om met hem mede
te gaan, en een uur later komt hij terug, met de mededeeling, dat hij
het beest in de drukte is kwijt geraakt. Na wat wij aan de Theemskade
gezien hebben, kunnen wij natuurlijk als een zekerheid verklaren, dat
hij dit gelogen heeft. Hij heeft toen reeds getracht zich van het dier
te ontdoen, het misschien naar een hondenkoopman gebracht, het dier is
losgebroken, heeft een geheelen dag en nacht rondgezworven en tenslotte
toch het huis van zijn meester teruggevonden. Maar als Austin Grammont
dit met hem gedaan had, dan zou het dier toch nooit zoo tegen hem zijn
opgetreden. Het zou bedroefd zijn geweest maar nooit zou het hem hebben
willen aanvliegen.
—Is er nog meer?
—Ja, Grammont was niet thuis in den nacht van de inbraak. Waarom
verklaarde hij aan de politie het tegendeel? Omdat hij een alibi wilde
hebben! Hij moest dien nacht zijn thuisgeweest! En om aan alle lastige
ondervragingen een einde te maken, gaf hij te kennen, dat hij geen werk
van de inbraak wilde maken. Wij echter weten heel zeker, dat de man in
ieder geval vóór drie uur in den nacht niet thuis was. Maar waar is hij
dan geweest? Tot half twaalf ongeveer was hij in de Windsor Club. Dáár
was stellig de ware Grammont! Maar wat er daarna met hem gebeurd is, en
waarom hij niet naar zijn huis is gegaan, dat kunnen wij slechts
gissen! Maar het staat nu wel bijna onaanvechtbaar bij mij vast, dat
hij gedood is, en wel door denzelfden man, die nu zijn plaats heeft
ingenomen.
—Maar, dan zou die man een dubbelganger van Grammont moeten zijn! riep
Charly opgewonden uit.
—Welnu? is dat zoo ongehoord? Het is wetenschappelijk vastgesteld, dat
er twee menschen zoo sterk op elkaar kunnen gelijken, dat zelfs de
wederzijdsche familieleden zich vergissen! Grammont was schatrijk, dat
kan een motief zijn geweest, om hem van het leven te berooven. Ik zie
echter aan je gelaat, dat je nog niet overtuigd bent, en ik moet
eerlijk erkennen, dat mijn stelling op het eerste gehoor zeer vreemd
klinkt. Op een andere wijze kan ik mij echter het gedrag van Grammont,
zoowel als van den hond, niet verklaren. Maar wij zullen ons morgen
dadelijk zekerheid verschaffen, en op onderzoek uitgaan. Daarbij kan de
hond ons van grooten dienst zijn! En nu zullen wij maar gaan slapen, en
trachten, niet al te zeer over de zaak na te denken!
Raffles wierp nog een blik op den rustig slapenden hond, die zoo na aan
den dood was geweest, overtuigde zich, dat zijn schotel met melk gevuld
was, legde een groot stuk hondenbrood naast het dier op de sofa en toen
verlieten de beide mannen het vertrek en begaven zich ter ruste.
Den volgenden morgen waren zij beiden weer vroeg uit de veeren.
In de kleine eetkamer, die op den tuin uitzicht gaf, lazen zij de
ochtendbladen.
Zij bevatten volstrekt niets over de inbraak in Harrow Road, en slechts
weinige regels over de lugubere vondst op het spoorweg-emplacement.
Naar alle windstreken waren foto’s van het lijk verzonden, maar zonder
dat dit tot eenig resultaat leidde.
Er waren zich, zooals Raffles wel verwacht had, een twintigtal personen
op het hoofdbureau van politie komen aanmelden, die sedert langen of
korten tijd een familielid vermisten, maar geen hunner herkende in het
lijk den verdwenen bloedverwant.
Het was omstreeks elf uur in den morgen, toen een huurauto voor het
sombere gebouw van Scotland Yard stilstond.
Daaruit stapten Raffles en Charly, vergezeld door Sherif, den
foxterriër.
Beiden hadden zich goed vermomd, en zagen er uit als lieden uit de
provincie.
Zij stapten op een agent van politie toe, die voor de breede deur op en
neder wandelde, en Raffles vroeg beleefd:
—Neem mij niet kwalijk vriend, maar ik heb in de krant iets gelezen van
de vondst van een geheel ontkleed lijk. Ik kom vanwege een neef, die in
Orpington woont en wiens broeder sedert een paar dagen spoorloos
verdwenen is, van het oogenblik af, dat hij hier in Londen moet zijn
aangekomen. Ik zou zeer gaarne het stoffelijk overschot eens willen
zien, en ik heb het hondje van mijn vermisten neef meegebracht,
misschien kan dat hem wel herkennen, als hij het werkelijk is!
—Ga dan maar naar binnen en vraag naar den dienstdoenden brigadier,
zeide de agent, waarop hij met de handen op den rug zijn wandeling
voortzette.
Raffles en Charly traden het groote, sombere gebouw binnen en even
later herhaalde de eerste zijn verzoek aan een barsch uitziend man van
een statuur, die niet veel achterbleef bij dien van Henderson, die toch
waarlijk een reus was!
Hij luisterde een weinig ongeduldig naar het verhaal van den gewaanden
provinciaal en zeide toen:
—Ik zal u een agent meegeven, u kunt dan zelf zien. Maar schrijf eerst
uw naam in dit register!
Raffles schreef den eersten den besten naam in een groot boek, dat de
brigadier hem toeschoof en daarop volgden hij en Charly een agent, die
hen voorging naar het lijkenhuisje.
Met een zwaren sleutel opende hij de deur en de drie mannen traden een
zaal binnen, waar een zeer lage temperatuur heerschte.
In het midden stond een lage, groote tafel van stoepsteen, een weinig
schuins geplaatst, en daarop lag het geheel naakte lijk van een man
uitgestrekt, het hoofd een weinig terzijde geneigd.
Een sterke electrische lamp, juist boven de tafel opgehangen,
verlichtte het lichaam daghelder.
En nauwelijks had Sherif het lijk gezien, of hij worstelde om los te
komen uit de armen van Raffles en liep, toen hij op den grond was
gesprongen, erbarmelijk jankend, met den staart tusschen de beenen, en
de ooren in den nek naar de steenen tafel.
Hij ging er met de voorpootjes tegen leunen, besnuffelde even het lijk
en hief eensklaps een gehuil aan, dat in het geheele gebouw te hooren
moet zijn geweest.
Raffles had Charly een snellen blik toegeworpen, twijfel aan zijn
opvatting was bijna niet meer mogelijk!
Het hondeninstinct had gesproken en dat loog nimmer!
De agent had verbaasd naar het doen van den hond gekeken en riep nu
uit:
—Het is zeker, dat het dier dien man kent! Is hij familie van u?
—Dat moet wel zoo zijn, nu de hond hem herkent! gaf Raffles ten
antwoord. Dan zou die ongelukkige een neef van mij moeten zijn! Ik ga
dadelijk naar Orpington terug en haal er zijn broeder bij. Wij kunnen
nog vandaag gemakkelijk terug zijn. Misschien herkent Jack zijn broer
wel aan eenige bijzonderheden, die mij onbekend zijn.
Met groote moeite kon Raffles den terrier van het stoffelijk overschot
wegtrekken.
De hond kermde wanhopig en zijn gehuil was akelig om aan te hooren.
Maar eindelijk kon Raffles Sherif toch weer onder den arm nemen, en
daarop verlieten allen het lijkenhuis weder.
De twee zoogenaamde provincialen werden weder naar den brigadier
geleid, die vroeg:
—Welnu, meent gij het lijk te herkennen?
—Ik geloof, dat het mijn neef is, mijnheer! antwoordde Raffles. Zijn
hond, dien ik van Orpington had meegenomen, huilde tenminste
erbarmelijk. Ik wilde nu terug gaan en mijn neef halen, die zal zijn
broeder natuurlijk eerder herkennen dan ik. Het gezicht is zoo
vreeselijk toegetakeld, dat ik het niet durf verzekeren, of hij het al
of niet is.
—Haast u dan wat! hernam de brigadier. De zaak kan dan haar beloop
hebben. Uw neef is vermoord, daaraan kan niet worden getwijfeld, en wij
zullen den moordenaar gemakkelijker kunnen vatten, als wij zeker weten,
wie de vermoorde is!
En zoo verlieten Raffles en Charly het hoofdbureau van politie weder,
echter niet om naar Orpington te gaan, maar om hun onderzoekingen te
Londen zelf voort te zetten.
Zoodra zij weder in de huurauto hadden plaats genomen, die op hen was
blijven wachten, begon Raffles:
—Twijfel is nu dunkt mij niet meer mogelijk, het lijk op de steenen
tafel is dat van Grammont! De hond sprak een taal, die niet is mis te
verstaan. Hij herkende zijn meester dadelijk. Je hebt zelf gezien,
hoeveel moeite ik had, hem weer mee te krijgen.
—Ja, ik geef nu toe, dat alles wijst in de richting, welke je mij hebt
aangeduid.
—Maar dit is niet voldoende. Wij moeten meer bewijzen hebben. Ik zou
dien man, die nu in het huis van Grammont woont, en die toch Grammont
niet is, gaarne eens van nabij bespieden. Ik zou het mijzelf nimmer
kunnen vergeven, als het naderhand toch zou blijken, dat ik een domme
vergissing had begaan.
Inderdaad moest Raffles bij zichzelf erkennen, dat die mogelijkheid
niet volkomen was buitengesloten.
Het leek wel zeer ongewoon, dat een man den moed zou hebben, een
dubbelganger te vermoorden, om dan zijn plaats in te nemen.
Grammont was bankier, en voor alles was het dus volstrekt noodzakelijk,
dat zijn moordenaar verstand had van bankzaken.
In het tegenovergestelde geval zou het bedrog immers aanstonds ontdekt
worden.
Voorts moest de man er op rekenen, dat hij te doen kreeg met bedienden,
die reeds lange jaren in dienst van zijn slachtoffer stonden, al zijn
gewoonten kenden, en een afwijking daarvan dadelijk zouden opmerken.
In ieder geval stond het dus vast, dat de moordenaar zijn slachtoffer
geruimen tijd had moeten bestudeeren, en dat wel in het geheim, anders
zou de wonderbaarlijke gelijkenis tusschen de twee mannen spoedig aan
het licht zijn gekomen, en zijn toestand na het plegen van den moord
zou daardoor zeer gevaarlijk zijn geworden.
Waarschijnlijk had de misdadiger Grammont bij toeval in een schouwburg
of op de renbaan gezien en toen was het denkbeeld bij hem opgekomen,
zijn plaats in te nemen, wat niet kon geschieden of Grammont zou uit
den weg moeten worden geruimd.
Het was nu voor alles zaak, na te gaan, waar Grammont na half twaalf in
den nacht van den moord was geweest, en waarom hij niet rechtstreeks
van de Windsor-Club naar zijn huis in Harrow Road was gegaan.
Op den hoek van de Oxford Street, toen de chauffeur den weg naar
Charing Cross Station wilde inslaan, tikte Raffles tegen de voorruit en
gaf den man bevel, hem naar het clubgebouw te rijden, dat in de Oxford
Street was gelegen.
Tien minuten later stapten de twee mannen uit, dankten den chauffeur
af, en gingen binnen.
Raffles was vice-president van de club en Charly Brand kwam er
dikwijls, maar eerder zou de portier aan zijn eigen bestaan hebben
getwijfeld, dan aan te nemen dat die boersch gekleede menschen, die als
het ware de stallucht met zich medebrachten, Zijne Lordschap William
Aberdeen en zijn secretaris konden zijn!
De man bekeek hen wantrouwend en uit de hoogte en zeide toen
medelijdend:
—U is hier zeker verkeerd! Wat wenscht u?
—Ik wensch je voor alles een halve guinje te geven, mijn vriend,
antwoordde Raffles glimlachend.
Dat was zeker iets bijzonders voor een provinciaal, maar de portier was
blijkbaar van oordeel, dat een goudstuk een goudstuk blijft,
onverschillig of het afkomstig is van een Londenschen edelman of van
een boer uit de provincie.
Maar verbaasd was hij wel!
Hij stak het geldstuk op, en hernam, maar op een geheel anderen toon:
—Misschien willen de heeren een der leden van de club spreken?
—Neen, dat niet! Wij wilden u ondervragen! antwoordde Raffles bedaard.
Wij zijn niet voor wie gij ons houdt, geen boertjes namelijk! Wij zijn
particuliere detectives en wij hebben ons een weinig moeten verkleeden,
dat is alles.
—Zoo, dat is wat anders, kwam de portier. Dan moet ik zeggen, dat de
heeren het meesterlijk verstaan, zich als boertjes voor te doen! En als
u nu iets te vragen heeft, ga uw gang! Ik zal er op antwoorden, voor
zoover het mij mogelijk is, alleen begrijp ik niet best, wat er wel aan
de hand kan zijn!
—Wij komen hier in verband met de inbraak bij mijnheer Austin Grammont!
antwoordde Raffles.
—En denkt gij, dat ik u van nut zou kunnen zijn om die zaak tot
klaarheid te brengen? vroeg de portier op verbaasden toon.
—Dat zou ons althans volstrekt niet verwonderen, hernam Raffles. Er is
iets geheimzinnigs in die zaak, ziet gij, en daarom komen wij hier, in
de hoop, dat wij hier nieuwe aanknoopingspunten kunnen vinden. Zeg ons
eens, hoe laat kwam mijnheer Austin Grammont hier? Ik bedoel op den
avond van de inbraak.
—Het zal zoowat tien uur geweest zijn!
—Was er iets bijzonders aan hem te zien? Ik meen, was hij zooals
altijd?
—Ik heb in het geheel niets vreemds bij hem kunnen opmerken! antwoordde
de man. Hij knikte mij toe, zooals hij gewoonlijk doet, en daarop gaf
hij zijn overjas in de vestiaire af en ging de trap op naar boven.
—Hoe laat vertrok hij weer?
—Ik denk om bij twaalven!
—Was er in dien tusschentijd misschien een boodschap voor hem bezorgd?
De portier dacht even na en antwoordde toen:
—Neen, tenminste niet voor zoover ik weet.
—Wij kunnen zeker de kellners wel even ondervragen? Misschien heeft een
hunner mijnheer Grammont wel een briefje gebracht!
—Ga gerust uw gang, mijnheer! Maar waarom geeft gij u al die moeite, en
vraagt het niet aan mijnheer Grammont zelf?
Raffles kneep de lippen op elkander en een lichte huivering liep hem
over den rug, de vraag had hem geschokt, want hij zag weder het
vreeselijk verminkte lijk op de steenen tafel in het sombere
lijkenhuisje van het politiebureau liggen......
Hij herstelde zich evenwel dadelijk en antwoordde:
—Er zijn bijzondere redenen, waarom wij dit juist niet aan mijnheer
Grammont kunnen vragen, hij maakt een reis, een zeer verre reis!
—Nu, daarin moet gij u vergissen, mijnheer! riep de portier lachend
uit. Want daar komt mijnheer Grammont juist aan!
HOOFDSTUK VI.
DE DRADEN BEGINNEN ZICH TE ONTWARREN.
In een oogwenk had Raffles Charly en den portier in de loge van dezen
laatste getrokken en de deur op slot gedaan.
—Is hier nog een tweede vertrek achter? vroeg hij op gedempten toon.
—Ja, zeker, die deur! antwoordde de portier, zeer verbaasd over het
optreden van den gewaanden detective.
Raffles rukte de deur open en duwde den hond naar binnen.
Nu was het dier door twee deuren gescheiden van den man, die zooeven
was binnengetreden en nu de trap opging, zonder links of rechts te
zien!
—Gij zult later wel begrijpen, waarom ik dit deed! kwam Raffles op
zachten toon tot den portier. En let wel op, geen woord tegen mijnheer
Grammont over dit voorval, of gij zoudt betrokken worden bij een zaak,
die voor u zeer onaangename gevolgen zou kunnen hebben!
Raffles had dit op zulk een ernstigen toon gezegd, dat de portier hem
verschrikt aanzag en toen de verzekering gaf, dat hij over de komst van
den detective niet zou reppen.
Raffles duwde den man nogmaals een halven kroon in de hand, ging den
hond weer halen, die onrustig rondsnuffelde, alsof hij toch de lucht
had gekregen van den man, die zoo juist de trap was opgegaan en daarna
verlieten de twee mannen het clubgebouw weder.
Op straat gekomen zeide Raffles:
—Het doet mij genoegen, dat hij den hond niet herkend heeft, wie weet,
of hij zijn mond dan wel had gehouden! Nu wordt die waarschijnlijk
gesloten door de vrees, voor den arm der Justitie, ofschoon de man moet
weten, dat hij zich zelf in deze zaak minder te verwijten heeft dan een
pasgeboren kind!
—Waar gaan wij nu heen?