LORD LISTER
GENAAMD RAFFLES
DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 344 HET RAADSEL VAN HARROW ROAD.
HET RAADSEL VAN HARROW ROAD.
HOOFDSTUK I.
DE INBRAAK.
Het was omstreeks twee uur in den nacht.
De maan hield zich schuil achter een dikke wolkenbank, waaruit gestadig
een trage regen neerdruppelde, die de straten van Londen nog vuiler
maakte, dan zij gewoonlijk reeds waren.
Paddington, een der deftige Westelijke wijken van de wereldstad, lag
daar rustig, en maar zelden hoorde men de stappen der voorbijgangers,
die zich haastig huiswaarts spoedden, met moeite hun parapluie
ophoudend, tegen de gure rukwinden.
Langs de Edgeware Road liepen met haastigen stap twee heeren, in lange
regenmantels gehuld, en den vilten hoed diep in de oogen getrokken.
Wanneer hun gelaat even beschenen werd door het licht van een
straatlantaarn, dan kon men zien, dat de eene een krachtig geteekend
gelaat had met scherpe trekken en doordringende grijze oogen, terwijl
zijn metgezel, vrij wat kleiner, blond was en blauwe oogen had.
Zonder te spreken stapten zij voort, zich blijkbaar niet bekommerend om
den regen, die steeds harder uit den donkeren hemel begon neer te
storten.
Op den hoek van de Harrow Road aangekomen sloegen zij deze breede
straat in en volgden haar over een geruimen afstand, tot zij den hoek
van Maide Hill hadden bereikt.
Daar verhief zich een vrij groot, nog nieuw gebouw, met een hardsteenen
pui en dat van den breeden weg gescheiden was door een kleinen
voortuin, waar door heen een klinkerpad naar de huisdeur liep.
Even boven de straat had het huis een zestal kelderramen, die van
vuistdikke tralies waren voorzien.
Naast de huisdeur bevond zich een koperen plaat, waarop met roode
letters te lezen stond:
AUSTIN GRAMMONT
Commissionnair in effecten
BANKZAKEN ENGROS EN EN-DETAIL.
Aan den kant van Maide Hill bezat het huis eveneens een deur, en
verderop was er nog een tweede, maar deze behoorde tot een muur van
omstreeks twee Meter hoogte, die een grooten tuin omgaf.
Over dezen muur heen kon men het dak zien van de garage, die dicht bij
den achtermuur geplaatst werd.
Het scheen een oogenblik of de beide heeren wilden doorloopen, maar zij
sloegen snel Maide Hill in, en het volgende oogenblik waren zij
verdwenen, alsof zij eensklaps door den grond waren gezonken.
Zij hadden echter niets anders gedaan, dan gebruik gemaakt van de
kleine tuindeur, waarvan zij blijkbaar een sleutel hadden.
En toch hoorden zij hier blijkbaar niet thuis, want in plaats van
dadelijk het huis aan de achterzijde binnen te gaan, stonden zij
geruimen tijd stil, een weinig voorovergebogen en ingespannen
luisterend.
Wie waren deze beide heeren, die op zulk een ongewoon tijdstip en langs
zulk een ongewonen weg het huis van den bankier Grammont binnengingen?
De grootste, de man met het strakke, scherp geteekende gelaat, was John
Raffles, de gentleman-inbreker, de langgezochte vijand van Scotland
Yard en zijn metgezel was zijn trouwe vriend Charly Brand.
En spoedig genoeg zal uit het vervolg blijken, wat de beide
onafscheidelijke vrienden hier kwamen uitrichten.
Toen zich in het groote huis volstrekt niets liet hooren, gingen zij,
behoedzaam over den grasrand van een der tuinpaden loopend, naar de
achterzijde van het huis, en stonden daar wederom even stil.
Nu vroeg Charly Brand, zoo zacht dat het bijna niet te verstaan was:
—Hoe staat het eigenlijk met het hondje van onzen vriend Grammont? Ik
meende dat het een zeer waakzaam dier was?
—Dat is het ook, en als ik een vreemdeling was, zou het beest zeker
vreeselijk te keer gaan en ons verraden. Maar ik heb in mijn
hoedanigheid als Lord William Aberdeen bij ieder bezoek, dat ik aan
Grammont bracht, de gelegenheid te baat genomen om goede maatjes met
Sherif te worden. Het dier ontvangt mij altijd kwispelstaartend, zonder
eenig geluid te geven.
Juist toen Raffles dit gezegd had, liet een naburige kerkklok een
enkelen galmenden slag hooren.
Het was halfdrie.
Raffles verloor geen tijd, maar zette zich aanstonds aan het werk.
Van onder zijn mantel haalde hij een kleine lederen tasch te
voorschijn, die een aantal instrumenten bevatte, alle aan zijn eigen
uitvindersvernuft ontsproten en in flanel gewikkeld, opdat zij geen
geluid zouden geven bij het dragen.
Eén daarvan was een vlijmscherpe beitel, met eenigszins gekromd lemmet,
hetwelk hij in het paneel van de achterdeur zette, en hieruit
vervolgens een stuk sneed; groot genoeg om er de hand door te kunnen
steken.
Het eerste, wat hij deed, was den draad van een alarminrichting door te
snijden, die onder het bereik van zijn hand langs den deurpost liep.
Vervolgens trok hij een paar zware grendels terug, en tenslotte draaide
hij den sleutel in het slot van de deur om.
Een oogenblik later waren de beide mannen binnengedrongen.
Raffles had dit alles volkomen op den tast verricht, maar nu zij
binnenshuis waren, zette hij eerst het uitgesneden stuk van het paneel
weder in de deur, en daarop maakten de beide mannen licht met behulp
van hun zaklantaarns.
Zij stonden in de met blauwe tegels geplaveide gang.
In het midden daarvan begon de diensttrap, naar de bediendenkamer,
waarvan de deur half aanstond.
Er lag geen looper op de trap, maar niettemin slopen de beide mannen
volkomen geruischloos naar boven, en bereikten zoo de eerste
verdieping.
Zij stonden op een portaal met een dikken cocos looper bedekt, waarop
twee deuren uitkwamen.
Charly wierp Raffles een vragenden blik toe, maar deze schudde
ontkennend het hoofd en zeide, na zijn mond vlak bij het oor van den
ander te hebben gebracht:
—De rookkamer en de kleine biljartzaal.
—Waar is ergens de werkkamer?
—Aan het einde van deze gang, en daar staat ook de brandkast, zooals ik
je gezegd heb, maar wij zijn in het midden van den zomer en het zou ons
veel te lang ophouden, om dat zware meubelstuk open te breken of open
te smelten. Over een uur is het klaarlichte dag.
—Maar hoe komen wij er dan in?
—De sleutels heeft Grammont in zijn slaapkamer, in de lade van het
nachtkastje. Wij zullen het oude, beproefde middel moeten toepassen en
een weinig bedwelmend gas in het slaapvertrek spuiten. Het is een
kwestie van vijf minuten. Je hebt immers alles bij je?
—Ja, natuurlijk. Waar slapen de bedienden ergens?
—Eén slaapt in het sousterrain en twee op de bovenste verdieping. De
huishoudster heeft een kamer op de derde verdieping.
—En het hondje?
—Dat schijnt nog al ongeregelde gewoonten te hebben. Het slaapt nu eens
hier, dan eens daar! Ik mag Sherif graag leiden, maar ik wilde toch
voor alle zekerheid, dat wij hem niet tegen het lijf liepen.
—En de slaapkamer van Grammont?
—Een verdieping hooger, ga maar met mij mede.
Zij sloegen een hoek van de gang om en bestegen opnieuw een trap, maar
ditmaal een breede, fraai bewerkte, van zwaar eikenhout.
Deze trap was met een dikken Smyrna looper belegd, en de voetstappen
van de beide mannen waren volkomen onhoorbaar.
Na het schijnsel van hun electrische lampen zoover te hebben gedempt,
dat zij er nog juist even bij konden zien, slopen de beide mannen naar
een hooge, wit gelakte deur, met fraai snijwerk versierd.
Charly begreep, dat het moeilijkste deel van de onderneming thans stond
aan te breken. Dit was zeker de slaapkamer.
Raffles bukte zich, bracht zijn oog voor het sleutelgat en kwam
dadelijk met een verbaasd gelaat weder overeind.
—Wat is er? vroeg Charly een weinig ongerust.
—Wat er is! Er brandt geen licht in de kamer!
—Wat zou dat dan?
—Wel, ik weet volkomen zeker dat Grammont steeds gewend is bij licht te
slapen. Hij zou in het donker geen oog kunnen dicht doen, zoo heeft hij
herhaaldelijk in gezelschap verzekerd.
—Hij zal toch niet uit de stad zijn? vroeg Charly.
—Welneen, om half elf was hij nog in de Windsor Club. Er was toen geen
sprake van, dat hij de stad zou uitgaan. Zijn gewoonten zijn zeer
geregeld, hij had om half één uiterlijk in bed moeten liggen.
—Een galant avontuurtje wellicht?
—Ik zeg niet, dat het onmogelijk is, maar Grammont was er juist de man
naar om dat ten aanhoore van alle leden van de Windsor Club te gaan
uitbazuinen. Hij is niet zoo bijzonder bescheiden, onze goede vriend
Grammont. Hoe dan ook, ik geloof niet dat hij op het oogenblik in deze
kamer is.
—Maar daaromtrent dienen wij toch zekerheid te hebben, hernam Charly
zacht fluisterend.
—Natuurlijk! Als hij binnen is, dan is de deur stellig op slot
gedraaid, als ik haar kan openen, dan kunnen wij er wel zeker van
opaan, dat hij niet thuis is.
En met deze woorden legde Raffles zijn hand op de kruk van de deur, en
begon haar met oneindig geduld, en zeer langzaam, open te draaien.
Er verliepen bijna volle vijf minuten, en toen week de deur naar binnen
open.
Raffles maakte haar, na zijn revolver ter hand te hebben genomen, weder
dicht en op het eerste gezicht zagen de beide vrienden, dat het groote
mahoniehouten bed in het midden van de kamer onbeslapen was.
De beide mannen keken elkander even aan en toen zeide Charly:
—Ik geloof, dat wij nu wel rechtsomkeert kunnen maken, natuurlijk heeft
hij de sleutels van zijn brandkast in zijn zak.
—Dat is nog zoo zeker niet, maar in ieder geval is de kans groot. Ik
vrees, beste Charly, dat het een verloren nacht zal zijn, want wij
hebben werkelijk geen tijd meer om de kast met geweld te openen. Het is
een verbazend zwaar en groot meubel, en ik zou op zijn minst anderhalf
uur noodig hebben om er een gat in te krijgen, en dan zou nog alles
moeten meeloopen. Ik moet je zeggen, dat mij die uithuizigheid van
Austin Grammont alles behalve aanstaat. Wat drommel, waarom heeft hij
mij niet van te voren gewaarschuwd?
—Ja, dat was hij eigenlijk jegens zijn Vice President van de
Windsor-Club half en half verplicht, zeide Charly spottend.
—Nu bij gebrek aan brood, eet men korstjes van pasteien, zeide Raffles
schouderophalend. Er zal in ieder geval wel iets in de secretaire te
vinden zijn. Een paar duizend pond is wel niet veel, maar het is beter
dan niets.
Op dit oogenblik deed een zacht geritsel hem plotseling ophouden, en
met de hand aan den palm van zijn revolver roerloos stilstaan.
Het geritsel kwam van den kant van de groote kleerenkast, en het
volgende oogenblik kwam kwispelstaartend een kleine foxterriër
aanloopen, die zich met een geweldigen geeuw behaaglijk uitrekte en
toen naar Raffles toekwam als naar een ouden kennis.
Hij ging tegen hem opstaan, en Raffles streelde het dier over den
schranderen kop en zeide op zachten toon:
—Ga maar weer slapen, Sherif, als een brave hond.
Het dier scheen hem zeer goed te begrijpen, en trippelde kalm weer naar
zijn warm plekje in den hoek bij de kleerenkast, waar hij zich rustig
neervlijde en verder geen notitie meer nam van de beide indringers.
Raffles en Charly verlieten het vertrek, waar zij niets meer te zoeken
hadden, daalden de trap weder af en traden de groote werkkamer van den
bankier binnen, waar in een hoek half in den muur gemetseld, een
brandkast van bijna twee Meter hoogte stond.
—Wat een gevaarte! kwam Charly bewonderend.
—O, wij zullen het ding nog wel eens aan den tand voelen, hernam
Raffles glimlachend.
—Wanneer de nachten wat langer worden en ik er wat meer tijd aan kan
gaan besteden, zullen wij dit huis nog wel met een bezoek vereeren.
Grammont is mij, over het algemeen genomen, volstrekt niet
onsympathiek, maar de man is veel te rijk.
Onder het spreken was hij op een fraai schrijfbureau toegetreden, en in
een oogwenk hadden zijn vaardige vingers het slot van de kap verbroken
en de lade geopend.
Zijn vermoeden bleek juist te zijn, en in een der stevig gesloten laden
vond hij een pakje bankbiljetten van tien pond, dat hij zonder het
zelfs te tellen, in den binnenzak van zijn jas liet glijden.
Hij liet zijn blikken door het vertrek dwalen, nam hier en daar als
terloops een paar fraaie gouden voorwerpen van schoorsteen of tafeltje,
en liet ze nonchalant in de tasch glijden, welke Charly hem geopend
voorhield.
Daarop raadpleegde hij zijn horloge.
Het was juist drie uur.
—Kom, mijn jongen, wij zullen dit huis weder verlaten, waar wij zoo
weinig welwillend ontvangen zijn, zeide Raffles. Een volgende maal
beter.
De twee vrienden verlieten het vertrek, sloten de deur achter zich,
gingen de bediendentrap weder af en stonden een oogenblik later weer in
den tuin.
Voor het achterlaten van een voetspoor behoefden zij niet bevreesd te
zijn, want het regende nog altijd hard en het hemelwater zou spoedig
alle sporen hebben uitgewischt.
In het Oosten begon de lucht zich te tinten met een lichter grijs, toen
zij weder door de tuindeur gingen, welke Raffles opnieuw geopend had
met den sleutel, dien hij zelf naar een wasafdruk van het slot had
vervaardigd.
Een oogenblik bleven zij staan luisteren, maar toen zich niets liet
hooren, dan heel in de verte de stap van een patrouilleerenden agent,
sloegen zij den kraag van hun jassen op en verlieten het terrein van
hun nachtelijke werkzaamheden, om pas een heel eind verder, aan het
begin van de Oxford Street, een huurauto aan te roepen, die hen tot op
honderd meter zou brengen van het fraaie huis in de Regentstreet,
hetwelk Raffles onder den naam van Lord Aberdeen bewoonde.
HOOFDSTUK II.
EEN VREEMDE VERKLARING.
De avondbladen van den volgenden dag behelsden een vrij uitvoerig
relaas van de inbraak, en Raffles en Charly lazen het met de
belangstelling van een acteur voor de kritiek eener première.
En zij lazen het tevens met een verbazing, die groeide, naarmate zij
verder gingen.
Dit geschiedde in de groote conversatiezaal van het Cecil-hotel, waar
zij gedineerd hadden.
Raffles had een nummer van de „Times” genomen, Charly had zich een
Daily Mail laten brengen en in dit laatste blad las de jongeman het
volgende verslag van de inbraak:
—In den afgeloopen nacht heeft er weder een uiterst brutale inbraak
plaats gehad, in het nieuwe huis van den heer Austin Grammont, den
bekenden bankier, hetwelk deze niet lang geleden in Paddington,
Harrow Road 39, heeft laten bouwen.
De inbrekers, want naar alle waarschijnlijkheid zijn er twee
geweest, zijn langs de tuinzijde binnengekomen, en hebben zich
toegang tot het huis weten te verschaffen, door een stuk uit een
paneel van de achterdeur te zagen, en door de opening heen de
knippen terug te schuiven en het slot om te draaien.
Tevens hebben zij de draden van het alarmsignaal doorgesneden.
De inbrekers hebben echter niet getracht de geweldig groote
brandkast aan te tasten, voor welk werk zij zeker zijn
teruggeschrikt en zij hebben zich tevreden moeten stellen met den
inhoud van het schrijfbureau, waaruit zij ongeveer elfhonderd pond
sterling aan bankpapier konden stelen, en met een aantal gouden
voorwerpen tot een gezamenlijke waarde van zeshonderd pond.
Op welk tijdstip de inbraak heeft plaats gehad, is niet nauwkeurig
na te gaan, maar in ieder geval moet het na één uur geweest zijn,
want op dat tijdstip was de butler van den heer Grammont, Henry
Dayton, nog wakker.
Toen begaf hij zich pas naar bed, daar hij meende, niet langer op
zijn meester behoeven te wachten.
De heer Grammont zelf verklaarde aan den detective, dat hij
omstreeks half twee was thuisgekomen, en zich toen dadelijk ter
ruste had begeven, en dat hij weliswaar een half uur later eenig
gerucht had meenen te hooren, maar daaraan geen beteekenis had
gehecht, en opnieuw was ingeslapen.
De bedienden zelven hebben volstrekt niets gehoord, maar wat het
vreemdste is, ook de foxterriër, anders een zeer waaksch dier, dat
bij het minste gerucht aanslaat, heeft in het geheel geen teeken
van leven gegeven.
De politie stelt een grondig onderzoek in, maar zij koestert
slechts geringe hoop, dat zij de daders zal kunnen vatten, want
deze hebben niet het minste spoor achtergelaten. Zij droegen
blijkbaar overschoenen, welke zij voor de achterdeur hebben
uitgedaan en binnenshuis is niet den minsten afdruk van hand of
voet gevonden.
Daar de conversatiezaal op dit oogenblik bijna geheel verlaten was, had
Charly dit korte verslag op zachten toon aan Raffles kunnen voorlezen.
Toen hij gereed was, zeide Raffles:
—De „Daily Mail” noemt het gedrag van Sherif het vreemdst. Maar er is
één ding, dat nog veel vreemder is, en dat is dat Grammont, die niet
thuis was, ons gehoord heeft.
—Dat is zeker al heel eigenaardig! Maar is het niet mogelijk, dat hij
ergens anders is geweest, in een ander vertrek van het huis?
—Dat is eenvoudig ondenkbaar, Charly, om verschillende redenen. Als een
zakenman om twee uur ’s nachts niet in zijn bed ligt, dan kan men hem
alleen maar in zijn werkkamer vinden, of met vrienden in de speelkamer.
Maar in het eerste vertrek was hij niet, en in het tweede kan hij niet
geweest zijn, want de speelkamer is daar vlak naast en wij hadden dan
natuurlijk moeten hooren lachen en praten. Je zult je echter
herinneren, dat het doodstil was in huis, en dan nog iets, als Grammont
dan in een andere kamer geweest is, en ons gehoord heeft, waarom is hij
ons dan niet komen overvallen? Hij is een man van even veertig jaar en
zeker geen lafaard. Ten slotte, hij zegt, dat hij wakker is geworden en
weer ingeslapen.
—Dat is waar, mompelde Charly, terwijl hij verbaasd voor zich
uitstaarde, dat is waar! Wel, dan begrijp ik er niets van!
—Ik moet je eerlijk zeggen, dat ik het ook niet goed begrijp. Welke
reden kan Grammont voor den drommel hebben, om een verklaring af te
leggen, waaruit blijkt, dat hij thuis was, terwijl wij heel positief
weten, dat dat niet het geval is geweest?
Charly haalde de schouders op en antwoordde:
—Ik kan je daar geen antwoord op geven, het is mij volkomen duister!
—Mij dunkt, dat daar maar één verklaring voor mogelijk is. Grammont is
ergens geweest, hetgeen hij tot iederen prijs geheim wenscht te houden,
en daarom heeft hij maar gezegd, dat hij eenig gerucht gehoord heeft.
Hij kan onmogelijk weten, dat wij in de slaapkamer zijn geweest, en
daarom gelooft hij, dat hij ongestraft deze leugen kan vertellen. Maar
waarom liegt de man? Welke reden kan hem daartoe bewogen hebben?
De beide vrienden bleven eenigen tijd zwijgend tegenover elkaar zitten
in diep nadenken verzonken, en toen hernam Raffles:
—Zoo zal het wel zijn, Grammont is ergens geweest, en dat wil hij
liever niet weten voor de buitenwereld. Het moet den schijn hebben,
alsof hij den nacht in zijn bed heeft doorgebracht en slechts even na
één uur is thuisgekomen. Nu, misschien brengen de volgende edities wel
een nadere opheldering.
Maar in deze verwachting zou Raffles bedrogen worden.
De late avondédities behelsden niets omtrent de inbraak, geen enkel
woord, misschien wel op verzoek van de politie.
Maar daarentegen las Raffles een bericht, dat hem zeer trof, ofschoon
het volstrekt niets te maken had met de inbraak en alleen maar, omdat
het feit, waarop het bericht betrekking had, zich op zeer korten
afstand had toegedragen bij het huis in de Harrow Road.
Het blad, waarin het bericht voorkwam, was de „Daily Telegraph” en het
luidde als volgt:
GEHEIMZINNIGE MOORD!
Een griezelige ontdekking.
In den afgeloopen nacht is er in Paddington een geheimzinnige
misdaad gepleegd, waaromtrent de politie nog volkomen in het
duister tast en die groote opschudding heeft gewekt in de geheele
buurt.
Een paar machinisten begaven zich hedenmorgen omstreeks vier uur
naar hun machineloods, staande in het spoorwegdepôt, tusschen de
Harrow Road en Bishop Road.
Zij hadden dienst en wilden hun machine uit de loodsen halen.
Het depôt is een zeer groot vierkant, doorkruist met een groot
aantal spoorlijnen, die naar de machineloodsen voeren, of naar een
der talrijke werkplaatsen.
Er worden veel wagons en ook machines hersteld en verder dient het
depôt voor het bewaren van oude en nieuwe wagons en goederenwagens,
waarvan er zich op dit oogenblik honderden bevinden.
Aan de zijde van Harrow Road is het terrein slechts door een laag
ijzeren hek van den openbaren weg afgesloten, terwijl het aan de
drie andere zijden omgeven is door een hoogen muur.
De machinisten hadden hun loods bijna bereikt, toen zij in de halve
schemering iets wits meenden te ontdekken, onder een goederenwagen.
Zij traden naderbij en deinsden met een kreet van afschuw en schrik
achteruit.
Daar—tusschen de rails—lag een menschelijk lichaam, zonder eenige
bedekking.
De beide mannen vatten echter moed en trokken het lichaam te
voorschijn.
Zij hielden een lijk in de handen.
Zooals gezegd, ontbrak ieder spoor van kleeding, de vingers hadden
ook geen ringen, maar wat het vreeselijkste was, het gelaat was
totaal onkenbaar, bedekt met een laag geronnen bloed, en
afschuwelijk verminkt.
De beide machinisten onderdrukten hun afgrijzen en zochten naar het
wapen, waarmede deze vreeselijke verwondingen waren toegebracht,
die het gelaat zoodanig hadden verminkt, dat herkenning wel
onmogelijk zou zijn.
En spoedig hadden zij het gevonden, op eenige meters afstand, het
was een soort zware koevoet, zooals ze in de depôts veel gebruikt
worden om wissels over te halen.
Het moordwapen was van onder tot boven met bloed bespat.
De beide machinisten ijlden, bleek van schrik en trillend over hun
geheele lichaam naar het huisje van den portier, dat zich aan den
ingang van het groote hek bevindt, en deelden hem, stotterend van
ontzetting, hun ontdekking mede.
Tien minuten later was de politie ter plaatse, nog geen kwartier
daarna was een inspecteur en een gerechtsgeneesheer komen
aansnellen.
Deze laatste deelde als zijn vaste overtuiging mede, dat de
ongelukkige nog geen volle drie uren dood kon zijn.
Hij was waarschijnlijk eerst bewusteloos geslagen, en daarna had
men met krankzinnigen drift op het gelaat gebeukt met de ijzeren
staaf, zoodat dit volkomen onkenbaar was geworden.
De politie staat hier voor een raadsel.
Zij heeft slechts kunnen ontdekken, dat het slachtoffer
waarschijnlijk ongeveer halverwege het lage hek verraderlijk is
overvallen, en, na te zijn neergeslagen door den moordenaar of de
moordenaars over het hek is geworpen, waarop zijn aanvallers hem
over het terrein naar een reeks wagons hebben gesleurd.
Het onderzoek van het lijk leverde verder hoegenaamd geen resultaat
op.
De geneesheer kon nergens een litteeken ontdekken, of eenig ander
herkenningsteeken.
Op verzoek van de politie vermelden wij hier het signalement van
den doode, natuurlijk voor zoover dit mogelijk is:
Lengte 64 inches, borst breed en gewelfd, beenen in geringe mate
hoepelvormig, hoofdhaar donkerblond, gave tanden, behalve een
tweeden rechterboventand, die geplombeerd is, groote voeten en
fijne, blanke handen, kortgeknipte snor.
Degenen, die mogelijkerwijs omtrent de identiteit van den doode
eenige inlichtingen zouden kunnen verschaffen, worden verzocht zich
op het hoofdbureau van politie in Downing Street aan te melden.
Raffles legde het blad terzijde, waarin hij dit treurige bericht had
gelezen en wendde zich tot Charly, die het reeds had gelezen, met de
opmerking:
—Daar zal wel weinig van terecht komen! Als het gelaat zoozeer verminkt
is, dat het onkenbaar is geworden, dan zal het wel heel moeilijk zijn,
den dader te vinden!
—Met welk doel zouden de moordenaars hun slachtoffer zoo
verschrikkelijk hebben toegetakeld? vroeg Charly, die nog vol afgrijzen
was over hetgeen hij had gelezen.
—Dat kan ik je niet zeggen, maar in ieder geval moet de man, die het
deed, een beest zijn geweest!
—En waarom is het lijk geheel ontkleed?
—Ook op die vraag moet ik je het antwoord schuldig blijven, Charly, ik
weet het niet, dat is alles wat ik zeggen kan.
Raffles haalde de schouders op en ging voort:
—De politie zal wel spoedig inzien, dat zij voor een zeer zware taak
staat en aan het signalement heeft men niet veel. Er zijn heel veel
mannen, met beenen, die een weinig hoepelvormig zijn, met geplombeerde
tanden, met donkerblond haar en met een kortgeknipte snor. Ook die
groote voeten zullen haar niet veel verder brengen. Ik ben er van
overtuigd, dat zich morgen honderden personen op Scotland Yard zullen
aanmelden, die er desnoods een eed op willen doen, dat zij in het lijk
een hunner bloedverwanten herkennen, en dan zal die bloedverwant thuis
zitten, als zij weer zijn teruggekeerd!
—Maar er zullen er ook vrij wat zijn, Edward, die inderdaad een
familielid missen! hernam Charly. In een stad als Londen verdwijnen
iederen dag tientallen menschen op geheimzinnige wijze, zonder dat er
een haan naar kraait!
Toen de beide vrienden dit gesprek voerden, bevonden zij zich in de
biljartkamer van het huis in de Regent Street, waar Gaston, de oude
kamerbediende, zooeven de laatste avondédities had binnengebracht.
Maar spoedig was de aandacht van de beide vrienden weder geheel bij de
zonderlinge zaak in Harrow Road, waarvan zij nog steeds geen oplossing
hadden kunnen vinden.
Raffles had een versche sigaret aangestoken en liep nu in gedachten
verzonken, met een rimpel tusschen de wenkbrauwen, het vertrek op en
neer.
Eindelijk barstte hij uit:
—Ik had er heel wat voor over, als ik maar een flauw vermoeden had,
waarom Grammont verklaard heeft, dat hij het gerucht van inbrekers
heeft vernomen, terwijl wij toch, als wij tenminste niet beiden versuft
en kindsch zijn, volstrekt zeker weten, dat hij niet thuis was
gisterennacht, in ieder geval niet tusschen half drie en drie uur, het
tijdstip van onze inbraak!
—Ik moet eveneens erkennen, Edward, dat ik het niet goed begrijp. Het
is immers niet aan te nemen, dat de man maar iets gezegd heeft, om een
praatje verlegen was, zooals het in den volksmond heet.
Raffles richtte zich op en zeide op vasten toon:
—Wij zullen er eens onderzoek naar doen, Charly, ik geloof, dat hier
meer achter schuilt, dan wij op het eerste gezicht kunnen vermoeden!
HOOFDSTUK III.
SHERIF.
Den volgenden dag, omstreeks tien uur in den morgen, hield een huurauto
stil voor het huis in Harrow Road, waar de inbraak had plaats gehad.
Den vorigen dag had er een politieagent voor het huis gestaan, maar men
had dezen wachtpost weder ingetrokken, als zijnde volkomen overbodig en
Raffles die in de auto had gezeten en nu op het huis toestapte,
behoefde dus volstrekt niet te duchten, dat hij met een agent van
politie moeilijkheden zou krijgen.
Hij belde aan en wachtte, totdat hem de deur zou worden opengedaan.
Toen voelde hij eensklaps iets tegen zijn beenen strijken.
Hij richtte den blik omlaag en ontwaarde Sherif, den kleinen
foxterriër, drijfnat en bibberend van de koude, die hem met smeekende
oogen aankeek.
—Mijn hemel, wat zie je er uit, kleine baas! riep Raffles vol
medelijden uit. Het lijkt wel of je uren en uren in een plasregen hebt
rondgeloopen! Zeker van den baas weggeloopen, nietwaar?
Op dit oogenblik werd de deur geopend en Sherif stoof naar binnen, luid
blaffend en er zich niet om bekommerend, dat hij met zijn modderige
pooten en zijn sliknat haar het kostbare kleed in de vestibule en den
marmeren vloer danig bevuilde.
De bediende, het was Henry Dayton, de butler, keek verbaasd van den
hond naar den vreemden bezoeker en vroeg toen:
—Neem mij niet kwalijk mijnheer, brengt u den hond mede? Is hij met u
medegeloopen?
—Volstrekt niet. Ik vond hem hier op de stoep voor de deur.
—Ik kan mij niet begrijpen, waar het beest gezeten heeft! Het is
gisterenmorgen de deur uitgeloopen en sindsdien is het niet terug
geweest!
—Misschien is het dier wel in een verliefde bui! meende Raffles. In
zulk een toestand zwerven zij vaak dagenlang over de straat!
Maar Dayton boog zich vertrouwelijk naar den bezoeker en zeide:
—Sherif moest eigenlijk geen jongensnaam dragen, mijnheer, zij is een
teefje! En ik wil u wel zeggen, dat zij nog nooit te voren geheel
alleen zoo lang op straat heeft rondgezworven. Mijnheer Grammont zal
aardig boos zijn! En wilt gij mij nu zeggen, wien ik moet aandienen?
—Ik ben William Blackburn, van het particulier detectivebureau en ik
wenschte mijnheer Grammont mijne diensten aan te bieden, in verband met
de inbraak. Onze voorwaarden zijn zeer billijk en ik weet zeker, dat
mijnheer Grammont van onze diensten wel gebruik zal maken!
De butler haalde de schouders op en zeide:
—Gij kunt het probeeren, maar ik geloof, dat gij uw tijd nutteloos
verspilt, mijnheer wil geen werk van de zaak maken.
—Geen werk? riep Raffles verwonderd uit. Maar wat drommel, elfhonderd
pond aan contanten en zeshonderd pond aan goud, is toch geen bagatel!
—Dat is ook mijn meening, maar mijnheer schijnt er anders over te
denken. Hij heeft de detectives van Scotland Yard ook al weggezonden,
die hier naar sporen kwamen zoeken en hij verklaart, dat het de moeite
niet waard is en dat men de inbrekers toch niet vindt!
—Nu, dat is een wijsbegeerte, welke men zelfs bij de rijkste menschen
niet veel aantreft, mompelde Raffles voor zich heen, te meer, daar het
hem, wat Scotland Yard betreft, immers geen cent behoefde te kosten!
Hij stond even in gedachten en eensklaps scheen hem iets in te vallen.
Hij wendde zich tot den butler met de vraag:
—Hoor eens hier mijn vriend, naar je deftig uiterlijk te oordeelen, ben
je zeker de butler, nietwaar?
—Die ben ik, mijnheer, antwoordde de man gevleid.
—Wil je me dan antwoorden op eenige vragen?
—Als het niet te lang duurt ....., antwoordde de man met een schuwen
blik naar de groote trap.
—Ik zal het zeer kort maken, dat beloof ik je. Is het zeker, dat op den
nacht van de inbraak, eergisteren dus, niemand van de bedienden iets
gehoord heeft?
—Volstrekt niets, mijnheer! Ik slaap zelf in het sousterrain en de twee
andere bedienden op de bovenste verdieping, terwijl de huishoudster een
verdieping lager slaapt. Maar het is een groot huis, en als de
inbrekers hun vak verstaan hebben, dan is het zeer begrijpelijk, dat
wij hen niet gehoord hebben.
—Gij zijt om één uur naar bed gegaan, naar ik in het verslag in de
bladen lees.
—Het kan er geen 5 minuten over zijn geweest!
—Hadt gij verlof, om naar bed te gaan, ingeval uw meester wat laat
thuiskwam?
—Ik behoefde nooit later dan tot half een te wachten. Het werd
eergisteren één uur, omdat ik toevallig in een boeienden roman had
zitten lezen!
—Het is natuurlijk ondenkbaar, dat mijnheer Grammont kan zijn
thuisgekomen, zonder dat gij het bemerkt hebt?
—Dat is onmogelijk, mijnheer! Ik ben den geheelen avond in of bij de
vestibule geweest, en van twaalf tot één heb ik op de groote bank, daar
bij die electrische lamp, zitten lezen.
—Mijnheer Grammont had natuurlijk een huissleutel?
—Dat spreekt van zelf. Maar ik zeg u nog eens, dat hij onmogelijk had
kunnen binnenkomen, of ik had hem moeten zien en hooren.
—Waren alle andere bedienden toen al naar bed?
—Al een uur.
—En de huishoudster?
—Die had zich om tien uur al naar haar kamer begeven. Miss Hotspur had
een weinig hoofdpijn.
—Kunt gij u herinneren, wanneer uw meester het huis verlaten heeft, om
zich naar de Windsor Club te begeven?
—Dat was ongeveer om half tien, antwoordde de butler na eenig nadenken.
—Hoe laat stond mijnheer Grammont gisteren op?
—Wel, vroeger dan hem misschien lief was, want ik ontdekte natuurlijk
dadelijk de inbraak, toen ik langs de werkkamer liep. Dat was omstreeks
acht uur en ik ben toen dadelijk mijnheer Grammont gaan waarschuwen,
die nog in zijn slaapkamer was.
—Sliep hij?
—Neen, hij was al wakker!
—Wat deed hij op dat oogenblik?
—Dat weet ik niet, de slaapkamerdeur was dicht.
—Was uw meester gewoon, die deur gesloten te houden?
—Neen, dat heb ik nog nooit opgemerkt!
Raffles haalde een goudstuk uit zijn vestzakje en stopte het den butler
in de hand.
—Ik dank u voor Uwe mededeelingen, ik zal er later nog wel gebruik van
kunnen maken.
De butler wilde iets zeggen, maar boven aan de trap klonken schreden en
Austin Grammont kwam naar beneden, terwijl hij bezig was zijn
handschoenen dicht te knoopen.
En toen gebeurde er iets zeer zonderlings.
Sherif, die al dien tijd had rondgesnuffeld, nu en dan het water van
zich afschuddend, had zijn meester nauwelijks in het oog gekregen, of
hij vloog de trap op en begon woedend tegen Grammont te blaffen.
Deze schopte toornig naar den hond en riep naar beneden:
—Ik heb je gezegd, Dayton, dat ik het mormel niet meer wilde zien! Hoe
komt het, dat ik het beest hier nu nog aantref?
—Aan mij! Maar mijnheer heeft mij niets gezegd! riep de butler
verwonderd uit.
—Nu, dan is het aan een van de anderen geweest, hernam Grammont.
Zijn gelaat stond bleek en strak en hij hield den steeds woedender
blaffenden hond van zich af met den voet.
Raffles had dit kleine tooneeltje met de grootste verbazing
gadegeslagen en hij vroeg zich tevergeefs af, waaraan het gedrag van
den hond was toe te schrijven, wiens genegenheid voor zijn meester hem
bekend was.
Austin Grammont was lid van de Windsor Club en Raffles had hem daar in
zijn kwaliteit van vice-president herhaaldelijk in gezelschap van den
kleinen terrier gezien.
Het schrandere dier gedroeg zich dan zeer welopgevoed, ging liggen,
waar het hem bevolen werd en bewoog zich niet, alvorens zijn meester
hem weder riep om te vertrekken.
Hij bestudeerde aandachtig, maar tersluiks, het gelaat van den bankier,
en hij las er een uitdrukking op, welke hij er tevoren nog nooit op
gezien had, een uitdrukking van wreedheid en boosaardigheid.
—Mijn God, wat is er met den man gebeurd? zeide hij zachtjes voor zich
heen. Zou hij op weg zijn, waanzinnig te worden? Is het mogelijk, dat
hij daarom volstrekt niet meer weet, wat hij eergisterennacht gedaan
heeft? Ik moet en zal zekerheid hebben.
Op dit oogenblik kreeg Grammont den bezoeker in het oog en vroeg op
tamelijk onvriendelijken toon:
—Wat is dat? Wat wenscht gij mijnheer?
Dadelijk was Raffles in zijn rol.
Hij nam beleefd zijn hoed af en zeide:
—Ik vraag verschooning, mijnheer, als ik u soms kom lastig vallen, maar
ik kom u mijn diensten aanbieden als particulier detective. Ik ben
William Blackburn.
—Zoo, meneer, het is mij aangenaam het te hooren, maar ik zal geen
gebruik maken van uw aanbieding, zeide Grammont kortaf. Ik heb reeds
aan de officieele politie laten weten, dat het mij de moeite niet waard
is, om zooveel drukte over de zaak te maken. Vindt men het gestolene en
ontdekt men den dief of de dieven, zooveel te beter. Maar in het
tegenovergestelde geval kan het mij volstrekt niet schelen. Ik ben
gelukkig rijk genoeg!
—Alweder een nieuwe karaktertrek, mompelde Raffles voor zich heen. Dat
heb ik ook nog nooit bij hem ontdekt! Je bent mij nooit sympathiek
geweest, vriend Grammont, maar je hebt toch nog nooit over je
rijkdommen gebluft!
En daarop vervolgde hij op luiden toon:
—Het spijt mij werkelijk meneer! Onze condities zijn zeer laag en ik
ben zeker, dat ik binnen korten tijd de daders zou hebben gevonden!
Misschien komt u nog wel op uw besluit terug en dan ben ik gaarne tot
uw dienst!
—Dat denk ik haast niet, mijnheer, zeide Grammont droogjes. Ik heb
weinig tijd, met dergelijke futiliteiten kan ik mij onmogelijk lang
ophouden.
Intusschen had de butler niet zonder moeite den kleinen terrier
opgevangen en hem in een vertrek, dat op de vestibule uitkwam,
opgesloten.
Maar ook daar nog ging het dier woedend te keer, huilde, blafte als een
razende en sprong tegen de deur op.
Het kwam Raffles voor, dat Grammont een snellen blik vol haat op de
dichte deur wierp en daarop kwam hij snel de overige treden van de trap
af, schreed door de vestibule en verdween, zonder verder notitie van
den gewaanden detective te nemen.
Raffles keek hem een oogenblik na en wendde zich toen weder tot den
butler met de vraag:
—Is uw meester altijd zoo vriendelijk gemutst?
—Ik moet bekennen, dat het humeur van mijnheer vandaag al bijzonder
slecht is, anders gaat het nogal.
—Wat mankeert die hond toch? ging Raffles nieuwsgierig voort.
Dayton haalde de schouders op.
—Ik begrijp er zelf geen sikkepit van. De hond is altijd dol van
blijdschap als hij mijnheer ziet en hij is voor vreemden juist niet
bijzonder toegankelijk!
Raffles dacht een oogenblik na en vroeg toen plotseling:
—Het is een onbescheiden vraag, maar mijnheer Grammont drinkt toch
niet?
De butler scheen een oogenblik te aarzelen, of hij wel op deze vraag
zou antwoorden en toen antwoordde hij met gedempte stem:
—Als gij mij bepaald belooft, dat gij het niet verder zult vertellen,
mijnheer drinkt in den laatsten tijd meer, dan wel goed voor hem is! En
dan doet hij aan morfine en meer van dat duivelsch goed!
Raffles schudde eenige malen het hoofd en bleef in gedachten voor zich
uitstaren.
Toen hernam hij:
—Dan heb ik hier verder niets meer te doen! Mijnheer Grammont schijnt
niet meer van mijn hulp gediend te zijn, het spijt mij, ik stelde veel
belang in de zaak. Apropos, hoelang heeft Mijnheer Grammont dien
terrier al?
—Minstens een jaar of drie! Hij heeft hem als pukkie van 3 maanden
gekocht.
—Is de hond wel eens meer zoo woedend tegen hem tekeer gegaan?
—Bij mijn weten nog nooit!
—Hoe komt het dier zoo kletsnat, en blijkbaar uitgehongerd thuis?
—Dat mag Joost weten! Mijnheer is gisterenmorgen met hem uitgegaan, en
hij moest hem toen aan de lijn meenemen. Het verwonderde mij toen
reeds, dat de hond volstrekt niet mee wilde, en ook zeide mijnheer
tegen mij, dat het dier te lastig begon te worden, en dat ik het maar
moest wegschenken. Toen hij terugkeerde, een uur later, verklaarde hij,
dat de hond van hem was weggeloopen in de drukte op het Strand.
—Merkwaardig! mompelde Raffles. Ik kan mij niet anders herinneren of
Grammont heeft altijd met groote liefde van zijn hond gesproken! Wat is
er toch met den man gebeurd, dat hij zoo eensklaps veranderd is.
Hij knikte den butler toe en verliet het huis.
Op straat riep hij een huurauto aan en liet zich tot dicht bij zijn
huis in de Regentstreet brengen.
Charly wachtte hem in de bibliotheekzaal.
Hij was juist teruggekeerd van een tochtje met zijn motorrijwiel en
vroeg dadelijk op nieuwsgierigen toon:
—Heb je met Grammont gesproken? Neemt hij je diensten aan?
—Ik heb met hem gesproken, maar hij wil mijn diensten niet aanvaarden.
—Dus je hebt niets bijzonders kunnen ontdekken, het geval is nog altijd
even raadselachtig?
—Mijn waarde, het is nog veel raadselachtiger geworden! kwam Raffles.
Ik moet je echter erkennen, dat ik er maar heel weinig meer van
begrijp. De man legt tegenover de politie een verklaring af, waaruit
moet blijken, dat hij thuis was in den nacht van de inbraak. Waarom? Ik
kan het niet zeggen! Hedenmorgen was ik bij hem en wien denk je dat ik
aan de deur ontmoette? Geef het maar dadelijk op, je zoudt het toch
niet raden. Sherif, zijn kleine trouwe foxterriër. Het beest was
drijfnat en waarschijnlijk letterlijk uitgehongerd, want het arme dier
had den geheelen dag van gisteren en hoogstwaarschijnlijk ook den
geheelen nacht op straat doorgebracht in dien plasregen.
—Dat is sterk! riep Charly verontwaardigd uit. Ik heb nooit bijzonder
veel met Grammont opgehad, maar in ieder geval had hij een goede
karaktertrek en dat was juist de liefde voor zijn dieren en speciaal
voor Sherif. Wat is er dan toch met den man gebeurd?
—Diezelfde vraag heb ik mij zelf ook gesteld, Charly, toen ik dit uit
den mond van den butler vernam. En ik kan er maar één antwoord op
vinden, er moet hem iets overkomen zijn, waardoor zijn hersens zijn
aangedaan! Maar wat dat is, dat weet ik nog niet, maar ik zal het
weten! Van dit oogenblik af, zullen wij met z’n drieën, jij, mijn
trouwe Henderson en ik, het huis in het oog houden. Er is iets niet in
orde daar in de Harrow Road, dat is zeker!
HOOFDSTUK IV.
HET DONKERE WATER VAN DE THEEMS.
Het was omstreeks één uur in den nacht van denzelfden dag.
In een portiek van een huis tegenover de bankzaak van Austin Grammont
stonden twee mannen.
Het waren John Raffles en Charly Brand.
Het was eigenlijk de wachttijd van Raffles, maar Charly had er op
gestaan, hem gezelschap te houden, en het nader verloop van de zaak zou
aantoonen, dat hij daar goed aan gedaan had.
Met eindeloos geduld hadden zij de wacht gehouden, na Henderson, den
chauffeur van Raffles, te hebben afgelost.
Dat was omstreeks 8 uur in den avond geweest en Henderson had hun
medegedeeld, dat hij volstrekt niets bijzonders had kunnen ontdekken.
Grammont had den geheelen dag thuis doorgebracht, en hij had hem vele
uren achtereen in zijn werkkamer voor zijn bureau zien zitten.
Nu en dan had hij iemand anders zien binnenkomen met een papier of een
register in de hand, waarschijnlijk iemand van het personeel, die den
bankier om inlichtingen kwam vragen.
Bezoekers waren er in het geheel niet geweest, maar wel eenige
winkeliersbedienden. En na achten had de bankier zijn huis al evenmin
verlaten. Hij had zeker veel te werken, want door de reet van een
gordijn voor een raam van zijn werkkamer scheen licht. Voor het overige
was het huis reeds om 11 uur in volkomen duisternis geweest.
Op dat tijdstip hadden de beide vrienden even een schaduw gezien achter
het lancaster rolgordijn van een kamer op de 3de verdieping, die van de
huishoudster Miss Hotspur.
Zij deed de overgordijnen dicht, en toen was al het licht uit het huis
verdwenen, behalve nog steeds de dunne reet van de gordijnen van het
raam der werkkamer.
Geruimen tijd hadden de beide vrienden zwijgend bij elkander gestaan,
toen Charly opmerkte:
—Ik sta nog voortdurend te denken aan het vreemde optreden van
Grammont. Wat denk je van mijn stelling, dat de man misschien zoo
ontzet is door de inbraak, dat dit zijn verstandelijke vermogens heeft
aangetast.
—Ik geloof niet, dat Grammont daar de man voor is, Charly, zeide
Raffles, hoofdschuddend. Dat er iets met zijn hersens gebeurd moet
zijn, dat staat volgens mij vast, maar als ik dat aanneem, dan kan ik
daarmee nog altijd niet het vreemde gedrag van den hond verklaren! Een
hond die zijn meester werkelijk lief heeft, verandert niet zoo van den
eenen dag op den anderen, als die meester hem eens wat ruw behandelt.
—Hij kan hem in blinde drift wel half dood geranseld hebben! meende
Charly.
—Dat zou het wel minstens moeten zijn, om het gedrag van den hond te
verklaren!
Een naburige kerkklok liet juist een enkelen sonoren klank hooren, toen
eensklaps de lichtkier verdween.
—Nu zal hij zich wel naar bed begeven, en wij kunnen, dunkt mij, wel
hetzelfde doen! kwam Charly.
—Een oogenblikje, mijn jongen, het is nu toch laat, en wij kunnen nog
wel een kwartiertje wachten!
—Wat verwacht je dan eigenlijk?
—Misschien gaat hij wel uit.
—Om één uur in den nacht? vroeg Charly verwonderd. Waar zou hij in ’s
hemelsnaam naar toe moeten gaan?
Raffles haalde de schouders op en antwoordde:
—Dat weet ik natuurlijk niet. Maar van iemand, die zoo vreemd doet, zou
het mij volstrekt niet verwonderen, als hij nog uitging.
Raffles had deze woorden nauwelijks uitgesproken, of boven de
straatdeur van het groote bankgebouw werd een flauw schijnsel
zichtbaar, dat spoedig weder verdween.
—Je motorrijwiel, Charly, haast je! zeide Raffles.
Charly had het zware, Amerikaansche motorrijwiel, waarmede hij en
Raffles hier waren gekomen in een garage gestald, die dag en nacht open
bleef en die op slechts eenige tientallen meters afstand in een
zijstraat was gelegen.
De jonge man ijlde weg, haalde het motorrijwiel, maar bleef voor de
garage staan, vanwaar hij de voordeur van het bankgebouw kon zien.
Juist ging de deur open en Austin Grammont verscheen.
Hij had zijn vilten hoed diep in de oogen getrokken en hield een klein
valies in de hand.
In een straat als deze rijden er op ieder uur van den nacht nog vrij
wat auto’s voorbij en de bankier had er dan ook spoedig een gevonden.
Hij gaf den chauffeur blijkbaar een of ander adres op en stapte in.
En nauwelijks was de auto weggereden, of Raffles ijlde op zijn beurt op
het motorrijwiel toe en wipte achter Charly op het tweede zadel.
—Houdt hem goed in het oog, maar kom niet te dicht bij, riep hij den
jongen man toe.
De tocht zou niet lang duren, want reeds veertig minuten later stopte
de huurauto in een straat, die op de Theemskade uitkwam.
Het was niet ver van de Lambeth Bridge.
Nog juist bijtijds had Charly het motorrijwiel tot staan kunnen
brengen, na het vlug een zijstraat te hebben ingestuurd.
Terwijl hij het op den standaard zette, keek Raffles voorzichtig om den
hoek en zag hoe Grammont met den chauffeur afrekende, terwijl hij het
valies naast zich op het asphalt had gezet.
De auto stond niet zoover af, of Raffles kon duidelijk het nummerbord
onderscheiden: N. L. 3717.
Niet ver daar vandaan was een auto-verhuurinrichting, en Raffles beval:
—Breng spoedig het rijwiel daar onderdak, Charly, maar haast je! Hij
schijnt te voet verder te gaan, en wij kunnen het motorrijwiel niet
gebruiken.
Terwijl de jongeman de motorfiets ging wegbrengen, hield Raffles den
bankier in het oog.
De auto had dicht bij een lantaarnpaal stilgestaan, en Raffles zag dat
het gelaat van den bankier bleek en vertrokken was.
Het valies trok eveneens zijn aandacht, het was zwaar en waarschijnlijk
zeer kostbaar, want het was van echt zwijnsleder vervaardigd.
Nu nam Grammont het op, knikte den chauffeur toe, en liep haastig de
straat af, die naar de Theemskade voerde.
Juist kwam Charly weder aansnellen, en de twee mannen volgden nu den
nachtelijken wandelaar op veiligen afstand.
Dat was wel noodig, want op dit uur van den nacht waren er in deze
straat zoo goed als geen voorbijgangers.
Ook de Theemskade was op deze plek stil en verlaten.
Op eenigen afstand teekende het Parlementsgebouw zijn krachtig silhouet
tegen den donkerblauwen nachthemel af.
Nog verder welfde zich de Tower Bridge machtig over de Theems.
—Ik gaf een lief ding, als ik wist, wat Grammont met dat valies van
plan is! Hij gaat dus op reis? fluisterde Charly.
—Als hij dat van plan is, waarom gebruikt hij dan niet zijn eigen auto
en waarom rijdt hij dan niet regelrecht naar een of ander station, naar
Victoria Station of Charing Cross?
Daarop wist Charly geen antwoord en daarom deed hij er het zwijgen toe.
Intusschen had Grammont de Theemskade over eenigen afstand gevolgd, en
nu liep hij de Lambeth Bridge op.
Ongeveer halverwege de brug scheen hij stil te staan.
Raffles en Charly, die zich haastig achter de borstwering van de kade
verscholen hadden, konden zijn gestalte vaag onderscheiden, zooals hij
daar over de ijzeren leuning boog en aandachtig scheen rond te kijken.
Het was reeds bij half drie, en heinde en ver was in deze eenzame buurt
niemand te bespeuren.
Aan de overzijde verhieven zich de hooge populieren van het
Aartsbisschoppelijke park, en aan deze zijde van de breede rivier
strekte zich de kade uit, geheel verlaten.
—Nu wil ik toch gevild worden, als ik iets van die geheele vertooning
begrijp, fluisterde Charly, wiens spanning iedere seconde toenam. De
man moet werkelijk niet goed bij het hoofd zijn. Lieve hemel, zie nu
toch eens wat hij doet.
Dat was werkelijk zonderling genoeg .......
Want er kwam een donker voorwerp van de brugleuning naar beneden
zakken, dat moest het valies zijn, hetwelk Grammont aan een touw
neerliet, waarschijnlijk, omdat hij bevreesd was, dat de plons van het
zware voorwerp in het water, de aandacht van een patrouilleerenden
agent zou trekken.
Gestadig daalde het valies naar de donkere, geheimzinnig glanzende
oppervlakte van de Theems. Binnen een halve minuut zou het valies onder
de golven verdwenen zijn.
Raffles verloor geen tijd.
Hij greep Charly bij den arm en trok hem mee, terwijl hij fluisterde:
—Ga spoedig mee, op twintig passen hier vandaan moet een sloep liggen
van de rivierpolitie, met een dreg er in.
—Maar dan moeten wij er de politie bij betrekken.
—Als het niet anders gaat, in ’s hemelsnaam dan maar.
De beide mannen snelden in gebukte houding langs de borstwering voort,
daalden een trap af, en ijlden op een kleine roeiboot toe, vastgemeerd
aan een paal, die een bord droeg, waarop met witte letters geschilderd
stond: „Politiedreg”.
Er was echter niemand in de nabijheid en de beide vrienden konden in
het bootje springen en het losmaken zonder dat iemand het zag.
Ook de man op de brug, die daar zulk een zonderlinge bezigheid
verrichtte, scheen voor niets anders oogen te hebben, dan voor het
valies, waarvan de onderzijde het water reeds aanraakte.
Toen liet Grammont het touw schieten, en geruischloos zonk het valies
in de golven.
Alsof de duivel hem op de hielen zat, zoo holde Grammont weg, zonder
zelfs een blik achter zich te werpen.
De beide vrienden hadden de riemen reeds gegrepen en roeiden nu zoo
snel zij konden, naar de plek, waar het valies was gezonken.
Omtrent de plek konden zij zich niet vergissen, het was juist tusschen
de middelste pijlers.
En het was nu voor hen van groot voordeel, dat Grammont het valies aan
een touw had laten zakken, want nu moest het valies noodzakelijk
rechtstandig gezonken zijn, en wel juist bij het begin van de
doorvaartopening.