VII.

De oostmousson is aangebroken en met den oostmousson een reeks van

overheerlijk schoone dagen.

De zon verrijst des morgens aan een wolkeloos blauwen hemel en schenkt

haar glanzen en stralen aan het heerlijk groenend landschap, kwistig en

zonder voorbehoud, als een jong meisje haar lachjes. Tegen de helling

van den Ardjoeno liggen de uitgebreide riettuinen zich te blakeren in

den gloed; de rechte stammen, in rijen geschaard, gelijken een leger

van soldaten met hier en daar de wuivende pluimen der aanvoerders.

Ook voor dit leger nadert de vijand.

Reeds ging er in de laatste dagen als een rilling door de gelederen; er

steeg een onheilspellend gerucht op van uit de vlakte en weldra werd de

vrees bewaarheid: bij het eerste ochtendgloren naderden de koelies met

hunne kapmessen om de schoonste en krachtigste te vellen.

Het was voor het maalfeest; de dag der dagen voor een suikerfabriek, de

dag die op Soeka-madjoe met groote plechtigheid, met veel omhaal en

drukte gevierd wordt, zooals trouwens past voor zulk een rijke,

voorspoedige onderneming.

Reeds gister, en eergister vooral, tegen het vallen van den avond,

kwamen de inwoners der naburige dessa’s toestroomen; de nieuwe morgen

brengt ze nog steeds in grooten getale.

Aan hun adat getrouw, loopen ze als de ganzen achter elkaar en vormen

zoo een bont-gekleurd lint, kronkelend langs de zonnig witte wegen,

die, nu stijgend, dan dalend, met het donkergroen van palm en waringin

tot achtergrond, met het zilver der kali omboord, een uiterst vroolijk

en teekenachtig effect maken.

Jong en oud, rijk en arm, aanzienlijk en gering zijn opgekomen en er is

veel toilet gemaakt.

Hooggele en hardblauwe zijde, grasgroen en lilas satijn, helrood

katoen, gestreept, geruit of geparsemeerd, ziedaar de geliefkoosde

kleuren der mannen; enkelen hebben zich gewaagd aan rose, hemelsblauw

of zeegroen, maar de uitwerking daarvan op hun bruinen tint is

verpletterend; anderen hebben zich vergaapt aan groote kleurige

patronen met het gevolg dat ze op zebra’s en tijgers gelijken of op

wandelende stukken weiland, bezaaid met reusachtige boterbloemen.

De vrouwen verkozen stemmiger tinten; de rijken dragen een baatje

koeroeng van zwarte zijde, de armen van donkerblauw katoen; jonge,

knappe gezichten krijgen iets frisch door vroolijke sitzen of neteldoek

kabaiaas; de dansmeiden schitteren boven allen uit door bonte

slendangs, voorzien van veel franje en veel goud.

Het systeem getrouw dat aan het toilet der Javanen ten grondslag

ligt—alles bedekken en toch zoo min mogelijk te raden overig laten—zijn

de fraaigeronde armen als worsten gestopt in nauwe mouwtjes, zijn de

goedgevormde beenen der mannen gedrongen in kleedingstukken die ze

omsluiten als het vel den paling; is de sarong getrokken om de slanke

heupen, als wilde de javaansche het onze Yerseys en corsets cuirasse

verbeteren.

Behalve de zwarte oogen en de met dubbele hoeveelheid klapperolie

gezalfde hoofden schittert er veel goud en zilver in het zonnetje; ook

enkele echte en veel valsche diamanten; de mannen, die er overigens

vreedzaam genoeg uitzien, dragen prachtige krissen op zijde, de vrouwen

torschen gouden buikbanden, veel ringen en veel spelden in het haar of

op de borst, maar de deftigheid, de eigenlijke chic hunner kleeding

moet toch in al dat moois niet gezocht worden: die wordt gevonden in

den kain.

Er zijn kain kapala en kain pandjang, sarongs en slendangs uit alle

oorden van Indië, in de wonderlijkste patronen en bontste kleuren,

Palembang en Solo, Djocja en China zijn vertegenwoordigd en straks, als

de heeren echtgenooten verdiept geraken in wajang of tandak zullen de

dames elkaar van meer nabij bekijken, het doek tusschen de vingers

nemen, wrijven, beruiken en ruilingen aangaan, waarvan ze, thuis

gekomen, spijt hebben.

Nu en dan ontstaat er in den zich langzaam voortbewegenden stoet een

klein oponthoud. ’t Is als een reiswagen reeds van verre zijn nadering

aankondigt door geschreeuw en zweepgeklap; ook als een américaine of

lichte mylord komt voorbijsnellen met gasten voor den administrateur;

soms ook is het een dogcart of bendie, die zijn min of meer

bruingetinte vracht afzet voor de nette huisjes der employés; meest

echter tjikarveers, volgepropt met Javanen.

Toch wordt eindelijk ook door de laatste voetgangers het doel hunner

wenschen bereikt. De groote witte pilaren, waarop in vergulde letters

Soeka-madjoe prijkt, komen steeds nader en weldra ligt het uitgebreid

terrein, waarop de feestelijkheden zullen plaats vinden, in het helder

zonlicht, vroolijk en uitlokkend met zijn talrijke eerepoorten en

triomfbogen, met zijn vlaggen en wimpels, zijn juichende menigte.

Ook de weg die van de fabriek naar het woonhuis voert, is versierd en

op dien weg zijn aller oogen gevestigd, zoodra de gong zijn negen

slagen heeft doen hooren.

Eensklaps barsten de gamelans los in hun vroolijk giro; van de breede

marmeren trappen daalt een lange stoet van dames en heeren; de regent

en de resident onder hun gouden pajongs, inlandsche hoofden, de

geldhebbenden en machthebbenden uit den omtrek, geflankeerd door hunne

wederhelften, maar niet, zooals in Holland het geval zou zijn, gevolgd

door veelbelovend kroost: de zonen zijn in Europa, de dochters òf nog

in broek en baadje, thuis, òf reeds getrouwd.

Drukte en gejoel wordt niet gevonden onder een javaanschen volkshoop,

maar als nu onder een opwekkenden marsch der inlandsche muziek de

wolanda’s nader komen, ontstaat er een golvende beweging in de

veelkleurige massa, en vroolijk dringt alles vooruit, met blijde

verwachting op de bruine aangezichten.

Weldra is het doel van den optocht bereikt.

Zooals de bruid wordt getooid voor den gewichtigen stond, waarin ze het

zorgeloos jongemeisjes-leven verwisselt voor de ernstige plichten der

vrouw, zoo tooit men ook den molen eener suikerfabriek voor den morgen,

waarop hij uit zijn rust wordt gewekt om, met inspanning van al zijn

krachten, het werk te aanvaarden.

Een tent van rood en wit doek is gespannen over de raderen, die straks

in full speed de rietstokken gaan verbrijzelen; bloemruikers,

guirlandes, wimpels, vlaggen en vuurwerken hangen in kwistigen

overvloed van die tent af.

Ook hier is, als bij zoo menige andere gelegenheid, door den Europeaan

een offer gebracht aan het inlandsch bijgeloof.

De toorn der machine—voor den Javaan een machtig wezen, bezield met

menschelijke gevoelens en hartstochten—de toorn der machine moet

verzoend worden. Hij wil bloed zien... en als niet aan zijn

koninklijken wil gehoorzaamd wordt, zal weldra een flink werkman of

vroolijk knaapje verpletterd liggen tusschen zijn raderen... Maar de

bloedende kop van een karbouw werd boven den topcylinder opgehangen...

men kan gerust aan ’t werk gaan.

’t Is den Javaan echter niet genoeg, dat de toorn der booze geesten is

afgewend, ook de goede geest moet zijn zegen geven.

De gamelans zwijgen, heeren en dames scharen zich in wijden kring, de

inlanders staan rondom, en in de groote plechtige stilte, die eensklaps

onder die woelige menschenmassa ontstaan is, treedt een pengghoeloe

naar voren.

De priester draagt den oogst en het werk, dat men op het punt staat te

beginnen, in Allah’s hooge bescherming op; de Javanen vallen in met hun

„Amil, Amil!” het gebed wordt uitgesproken, enkele godsdienstige

plechtigheden volbracht en de pengghoeloe heeft het zijne gedaan.

Nu volgt een ceremonie van meer vroolijken aard. Alles dringt dichter

naar den molen; de stoom, vooraf opgemaakt, begint te werken, de

raderen zetten zich langzaam in beweging en de administrateur van

Soeka-madjoe, met de schoonste rietstokken in de hand, nadert den

resident.

Hij wil hem de eerste vrucht van zijn oogst aanbieden, maar.... naast

den resident staat zijn dochter, een blonde Céres gelijk in haar wit

kleed met de frissche korenbloemen—en als door een plotselinge gedachte

bezield legt Henri Reijkman den rietstok in hare handen.

Een luid hoera breekt los nu Constance blozend en verlegen naar voren

treedt en het riet onder den molen plaatst; de gamelans juichen, de

muziek speelt haar vroolijkst airtje en weldra knallen de kurken van de

champagneflesschen, terwijl heeren en dames nadertreden om den molen

van rietstokken te voorzien.

Eindelijk zal aan de laatste formaliteit voldaan worden. De

karbouwenkop wordt afgenomen en in plechtigen optocht met volle muziek,

onder het afsteken van vuurwerk, het oorverdoovend geknal van mortions

en geweren, op eenigen afstand van den molen gebracht en daar begraven.

Maar dan breekt ook het oogenblik aan, het oogenblik dat voor den

inlander het schoonst van den dag is.

Bergen van rijst in verschillende kleuren en vormen, in bladen

gevlochten of gevouwen, toebereid met heete spijzen en ongewoon

smakelijk door den overvloed van vleesch en visch, die iedere

rijstmassa verzelt, verdwijnen als door tooverij, weggespoeld met veel

koffie, bier en toebereid ijswater. Het is haast onbegrijpelijk hoe de

eigenaars van die meer dan gevulde magen opgewektheid kunnen gevoelen

om deel te nemen aan de volksspelen, maar toch! nauwelijks weerklinkt

de muziek die hen naar het strijdperk roept of langzaam rijzen de

Javaantjes overeind.

Nog langzamer en niet zonder eenige inspanning gorden ze den

buikband—dien ze straks gemakshalve losgespten—wederom aan en begeven

zich, gevolgd door vrouw en kinderen, met loome schreden naar de arena.

Het is er verre van daan dat hier Olympische spelen zouden gevierd

worden. Alle hollandsche grappen en aardigheden zijn op javaanschen

bodem overgebracht. Er wordt stroop gelikt, mast geklommen en zak

geloopen. Toch—geheel hollandsch is het niet!

De prijzen bestaan hier noch uit hammen noch uit bonte zakdoeken, noch

uit baaien inexpressibles, en in plaats van den krachtigen vloek of het

ruw bon mot waarmee onze sjouwers en boeren hun gevoel lucht geven,

bewaart de inlander een diep stilzwijgen; bij neêrlaag zoowel als

zegepraal, drukt de welbeheerschte tronie van den gelukkige, die een

kostbaren kain uit den mast haalt, hetzelfde uit als die van den

rampzalige, daareven van de boegspriet getuimeld, terwijl hij zonder

hoofddoek en met een bedorven baatje staat uit te druipen.

Er is voor de spelen een lommerrijk plekje gekozen, en waar de

waringins het dichtst zijn is een aardig tentje opgeslagen opdat de

gasten kunnen toezien. Luid gelach en vroolijke scherts weerklinken

daar, maar weldra wordt toch het zonnetje zóó warm en het licht zóó

schel, dat het voorstel van den administrateur om zijn koele woning te

gaan opzoeken, algemeen bijval vindt.

De rijsttafel wacht en nu volgen dames en heeren het voorbeeld hunner

bruine broeders; de eetlust laat ook hier niets te wenschen over en ook

hier zal na het overvloedig maal een weinig rust niet onwelkom zijn.

Weldra begeven de gasten zich naar hunne kamers om—o woord vol zoete

beteekenis voor den Indo-Europeaan!—om zich lekker te maken!

Schoenen en kousen die benauwen, corsetten die al te weelderige vormen

beklemmen, halsboorden, die dikke halzen tergen, ze worden losgetrokken

en met onverdiende hardheid neergesmeten; haardossen verdwijnen,

bedaklagen worden afgewasschen en sarong en kabaia met smachtend

verlangen uit de handen der baboes aangenomen.

Ontdaan van alle banden, lang uitgestrekt in het ruime, koele bed in

het halfdonker met de gesloten jaloeziën, doen een paar uurtjes rust

wonderen; een frisch bad en een geurig kop thee verrichten het overige

en tegen den tijd dat de zon wegschuilt, komen dames en heeren met

nieuwen glans te voorschijn.

Indische Huwelijken · 第 25 / 27 题