VI.

’t Is in onze tropische nachten voor gelukkigen onuitsprekelijk zoet

droomen: achterovergeleund in den gemakkelijken zetel, het gelaat tot

den flonkerenden hemel gekeerd, terwijl heerlijke geuren opstijgen van

de bebloemde aarde naar het wazig blauw der wolken, terwijl het koeltje

door de lokken speelt, droomerig en teeder als de vingeren der

geliefde, terwijl de sleepende tonen eener verwijderde muziek de

gedachten vleugelen schenken en het beekje fluistert van wenschen die

vervuld, van idealen, die werkelijkheid werden.

’t Is zoet droomen voor den gelukkige.

Maar ook den minder bevoorrechte, ook den balling, die niets dan

teleurstelling vond in het land der vreemdelingschap, is het goed neer

te zitten in den kalmen vrede van Insulinde’s nachten.

De koelte moge hem van geen teedere aanraking eener aangebeden hand

spreken, hem streelt ze het gloeiend voorhoofd met haar frisschen adem,

hem vaagt ze den blos der ergernis van de wangen, hem kust ze toornige

woorden van de lippen; de muziek moge hem niet voeren tot peinzen over

het genotvol heden, ze voert hem terug tot het blij voorheen, ze

verhaalt van een betere toekomst....

En als het vriendelijk beekje ook langs zijn voeten stroomt, is het of

hem wordt toegeruischt: Geduld! Geduld! Wij allen hebben onzen strijd

op aarde! Ook ik was eenmaal een trotsche bergstroom met niets dan het

blauw des hemels boven, het groen der heuvelen rondom me; thans word ik

in boeien gekneld door menschenhanden; thans word ik ver van mijn

schoone geboorteplek, gevoerd langs dorren zandgrond en kale rotsen en

naakte vlakten, maar om eindelijk af te dalen in een vriendelijke

vallei! Dáár zal de zon mij tooien met glinsterende juweelen; de

kinderen zullen mij met bloemen strooien onder blij gezang, schoone

vrouwen zullen haar ranke leden komen toevertrouwen aan mijn

liefkoozingen, minnenden zullen neerzitten aan mijn oevers en het

geklater mijner golfjes begeleiden met den klank hunner kussen....

Toen Edith was heengegaan en met háár de laatste zonnestraal uit zijn

sombere woning, toen ook Nora, om haar aan den verderfelijken invloed

der moeder te onttrekken, onder streng toezicht van vreemden geplaatst

was, toen de kinderstemmetjes niet meer weerklonken die de eenige

juichtoon waren geweest in den droeven treurzang van zijn huiselijk

leven, was het Henri Reijkman of hij den last van het bestaan moest

afwerpen.

Zijn goede engel had hem verlaten; zijn booze genius moest hem altijd

nabij blijven, háár kon hij niet ontvluchten.... Waartoe langer zijn

ellendig leven voortgesleept?

’t Was een bange strijd geweest en meer dan eenmaal had hij een wapen

in handen genomen en het aangezien met woest verlangen als redder,

verlosser.... maar Edith’s geest zweefde nog door de stille woning,

Edith’s voetstappen weerklonken nog door de ledige gaanderijen; ’t was

hem of haar handjes hem het wapen uit de klamme vingeren loswoelde, of

zij hem met zich voerde naar buiten, naar buiten waar aarde en hemel,

met denzelfden reinen zilverschijn overgoten, lagen te sluimeren in den

schoonen maanlichtnacht.

Dan zat hij daar uren lang tot ieder geruisch had opgehouden in den

omtrek, tot alles sliep en alles rustte, tot de bergen toornige titans

geleken, en de boomen spookgestalten werden, maar ook de wolken

daarhenen zweefden als engelen in hemelschen starbezaaiden dos.

Dan boog hij luisterend het oor en ’t was als ruischte van verre over

de eeuwige stilte van den Oceaan, waarop het kind zijns harten zwierf,

hem een groet tegen; dan sloot hij de oogen en het was hem als bracht

de zefir die als Noordenwind had geloeid om de ranke boot, waaraan haar

dierbaar leven was toevertrouwd, hem woorden vol zoeten troost, dan

droomde hij van een verre, verre toekomst, waarin de banden niet meer

knellen, de ketens niet meer rammelen zouden, waarin hij als vrij en

gelukkig man haar zou wederzien!

Hij droomde haar zooals ze dan zijn zoude: een ranke maagd met teedere

vormen, de blonde krullen los neervallend om het zacht gebogen hoofd,

de blauwe oogen vol dwepende teederheid, vochtig en glanzend,

fonkelende starren aan den onbewolkten hemel harer ziel, het

vriendelijk mondje altijd bereid tot een lief woord, de zachte wangen

gekleurd met den jonkvrouwelijken blos....

’t Was een liefelijk beeld dat hij zich voor den geest tooverde en hij

voltooide het langzaam, met innerlijk genot, hij teekende het en iedere

penseelstreek deed hij met liefde, en als het beeld gereed was, bleef

hij er op staren en legde al de trekken er van weg in zijn hart....

De wind in de bamboestammen doortrilt de lucht als de onbestemde

klanken eener Eölusharp; de eenzame woudduif kirt en haar tortel

antwoordt uit de verte met een luiden jubeltoon; de zachtklagende tonen

van een liefdezaag klimmen op uit de kampong.... nog fluistert de

sombere droomer den naam van het aangebeden kind, maar straks, straks

als de sterren elkaar zijn geheim reeds verklapten en de maan hem met

een spotlach in het aangezicht staart, straks is het hem eensklaps

duidelijk geworden wier beeld het is, dat hij draagt in zijn hart en

trek voor trek teekent met zooveel liefde als hij zich het ideaal eener

jonkvrouw denkt!

Constance.... ach, Constance! Hoe gelukkig, hoe liefelijk moet het

leven zijn aan uwe zijde....

Daar verneemt hij het weer, dat afschuwelijk geluid, verzeld van het

hoongelach der helgeesten, het ratelen zijner ketens!....

De wachten zijn er reeds aan gewoon hem in het holle van den nacht te

zien dwalen rondom het huis; de honden blaffen niet aan, zij kennen

dien gejaagden stap; alleen zijn lievelingspaard op stal hinnikt, als

verwachtte hij dat zijn meester hem zou bestijgen en met hem

voortrennen in wilde vaart, zooals in menig vroegeren nacht....

Maar hij gaat voorbij, den tuin in, het erf op. Eerst een paar uur

later keert hij terug; vermoeid, bezweet, maar zonder dàt zou hij geen

rust vinden op zijn eenzame legerstede. Hij gaat haastig het huis langs

om achter binnen te treden en mijdt nu niet, zooals des daags, het

gedeelte door Marie bewoond.

Even blijft hij stilstaan. Is dat niet een mannenstem, die hij daar

hoort in Marie’s vertrekken?....

Hij wist niet of zijne vrouw sinds hij haar van zijn zijde verbande,

hem de trouw had gehouden die echtgenooten elkaar beloven; maar hij

wist dat de hartstochten, die haar beheerschten, niets met de zinnen

gemeen hadden en had daarop vertrouwd toen hij zichzelf deed gelooven,

dat ze ten minste niet op die wijze den naam, dien ze droeg, tot

schande zou maken.

Eén oogenblik trilde hij van woede bij de gedachte; maar toen

glimlachte hij; de stem, die tot hem doordrong, was die van Marie’s

broeder.

Wie Rudolf Bastoort eenmaal in het laaghartig gezicht, in de listige

oogen gezien had, wist, dat die man gewantrouwd moest worden. Reijkman

had meer dan één staaltje ontvangen van zijn laagheid. Maar hij had

hem, omdat hij de broeder zijner vrouw was—anders had hij hem gaarne

zien hangen—uit zekere moeilijkheden gered. Na de laatste

„moeilijkheid” echter verbood hij hem het huis, met bedreiging hem als

dief en opiumsmokkelaar te doen opvatten, als hij het waagde zijn erf

te betreden—vandaar dit bezoek in het holle van den nacht.

„Och, Marie, kassian toch met je broêr,” riep de door drank en

uitspatting heesche stem, een wanklank in de heilige stilte van den

nacht.

„Kassian met jij,” siste het snerpend geluid Henri zoo wèlbekend uit

Marie’s oogenblikken van hevige drift, „kassian met jij? Jij moet zelf

weten. Wie schulden maak, die betaal! Jij bent niet gek genoeg om hulp

te verwachten van mij?”

„Je begrijp misschien niet, Marie! Ze zetten me in den boei. Ze hebben

ampioen gevonden bij mij in huis. Ik moet afkoopen....”

„Ampioen gevonden....? Heel goed! ’k Heb lang verwacht.... ’k Ben

blij....”

„Ik moet honderd gulden hebben, Ria! minstens!”

„Al moest je een gobang hebben, jij krijg niet van mij,” zegt de zuster

bepaald. „Nu, ga weg!”

De heer Rudolf Bastoort stort thans zijn gevoel uit in een walgelijk

dronkemansgeween.

„Waarom moet jij spelen, dronkenlap? Ben je een grooten mijnheer

misskien?”

„Neen,” zegt de broeder, terwijl hij eensklaps de onharmonische uiting

zijner droefheid staakt. „Maar jij bent een groote mevrouw; jij kunt

betalen en.... jij moet.... jij moet....!”

„Moeten?” vraagt ze, ziedend van toorn. „Moeten?”

„Ik zit in de benauwdheid, Ria, ik ben verloren....” kermt hij.

„Tra per doeli!” [2]

„Marie?!”

„Ga weg, zeg ik. Ik roep de jongens! Ga weg, ja?”

„Niet vóór ik het geld heb!”

„Ben je gek, kerel?” gilt ze buiten zich zelve.

„Dat vroeg je niet toen ik je helpen moest om...”

„Diam!” [3] roept Marie gebiedend, maar fluisterend tevens.

„Voor wat diam? Ik geef nergens meer om. Ik ga alles vertellen...”

„Je bent niet brani. Je bent veel te bang.... laffe dronkaard...”

„Bang dat ze jou hangen zullen? Och neen, ik zou het met pleizier zien!

Je hebt het aan mij verdiend, nog veel meer dan aan mijnheer

Reijkman...”

„Jij hangt ook! Net zoo goed! Jij hebt me de vergift gegeven,” zegt ze

met haar valschen lach.

„Maar jij hebt het hem in de soep gedaan en in de koffie! Wat kan mij

schelen, of ze me in de gevangenis zetten, daar kom ik toch in!”

„Nu, ik zal... hoorde je daar niets? Ja, ja! een voetstap... ja, ik

weet zeker... Als je me hebt verraden... ik vermoor je!”

Pas verbleekten de sterren, pas kraaide de haan, toen Onno uit zijn

slaap werd gewekt door het binnentreden van Reijkman. Verbaasd rees hij

overeind en nauwelijks had hij bij het matte schijnsel van het

morgenlicht hem in het gelaat gezien, of met een kreet van schrik was

hij uit het bed gesprongen.

„Henri?! Wat is er gebeurd? Een nieuw ongeluk?!”

„Neen. Het oude ongeluk maar. Onno, geef me de hand! Ik heb je leelijk

behandeld, oude vriend... ik heb je miskend...”

„O, dat is niets... laat ons daar niet van spreken.”

„Jawel, ik had het niet moeten doen. Maar ik kon het maar niet

vergeten, dat jij het waart, die me met Marie hadt laten trouwen. Ik

wist toen niet waarom je het deedt... het was om mij te redden, niet

waar mijn jongen?”

„Weet je het?... Hoe heb je het ontdekt?...”

„Ik weet het; laat dat je genoeg zijn. Ze had me vergiftigd, niet waar?

Je hebt heldhaftig gezwegen.... en ik heb je schandelijk gegriefd...

Kun je me vergeven... mijn oude vriend?”

„Vergeven? Henri!”

„Dwaasheid! Maar.... je kende me zoo goed, Onno, tien jaar lang.... je

hadt het kunnen, je hadt het moeten weten dat het leven geen waarde

voor me hebben zou als ik het tot dien prijs behield. Ik, verbonden aan

een gifmengster! Ik, getrouwd met een moordenares!”

„Reijkman, je weet het nu.... je kunt je nu vrij maken! Wat verhindert

je haar aan te klagen.... haar schuld is bewezen en....”

„Stil! ’t is de moeder van mijn kinderen! Ik bid je, spreek daar nooit

van. Hoor je, nooit! nooit! Ik mag daar niet aan denken.... Ik mag

niet! ’t Zou de naam van mijn kinderen zijn, die ik voor altijd prijs

gaf.... Ze hebben immers haar bloed in de aderen.... En toch.... o

God!.... als ik haar aanklaagde en ze werd veroordeeld.... Onno! dan

zou ik vrij zijn! Vrij! Begrijp je wat dat zeggen wil?.... Vrij om....

maar neen, neen! Ik mag niet! Ze is Edith’s moeder....”

„Mijn arme vriend!”

„Ik moet rust hebben. Ik ben nog niet te bed geweest.... je zult me van

morgen waarschijnlijk niet zien in de fabriek.... adieu!”

„Henri, laat me met je meegaan.”

„Waarom?”

„Omdat.... neen, geloof me, ’t is beter dat er iemand bij je is. Je

bent overspannen, je....”

„Zeg het maar, mijn jongen, je vreest dat ik me van kant zal maken....

Is ’t niet zoo? Wees gerust Onno. Er komt een oogenblik in het leven

waarop het vreeselijkste ons niet meer onvoorbereid vindt, een

oogenblik, waarin we door ervaring geleerd, het ergste verwachten! En

dan.... laat me je dit zeggen, sinds ik het heengaan van Edith

overleefd heb, kan er voor mij geen sprake meer zijn van zelfmoord.”

Indische Huwelijken · 第 24 / 27 题