’t Is in onze tropische nachten voor gelukkigen onuitsprekelijk zoet
droomen: achterovergeleund in den gemakkelijken zetel, het gelaat tot
den flonkerenden hemel gekeerd, terwijl heerlijke geuren opstijgen van
de bebloemde aarde naar het wazig blauw der wolken, terwijl het koeltje
door de lokken speelt, droomerig en teeder als de vingeren der
geliefde, terwijl de sleepende tonen eener verwijderde muziek de
gedachten vleugelen schenken en het beekje fluistert van wenschen die
vervuld, van idealen, die werkelijkheid werden.
’t Is zoet droomen voor den gelukkige.
Maar ook den minder bevoorrechte, ook den balling, die niets dan
teleurstelling vond in het land der vreemdelingschap, is het goed neer
te zitten in den kalmen vrede van Insulinde’s nachten.
De koelte moge hem van geen teedere aanraking eener aangebeden hand
spreken, hem streelt ze het gloeiend voorhoofd met haar frisschen adem,
hem vaagt ze den blos der ergernis van de wangen, hem kust ze toornige
woorden van de lippen; de muziek moge hem niet voeren tot peinzen over
het genotvol heden, ze voert hem terug tot het blij voorheen, ze
verhaalt van een betere toekomst....
En als het vriendelijk beekje ook langs zijn voeten stroomt, is het of
hem wordt toegeruischt: Geduld! Geduld! Wij allen hebben onzen strijd
op aarde! Ook ik was eenmaal een trotsche bergstroom met niets dan het
blauw des hemels boven, het groen der heuvelen rondom me; thans word ik
in boeien gekneld door menschenhanden; thans word ik ver van mijn
schoone geboorteplek, gevoerd langs dorren zandgrond en kale rotsen en
naakte vlakten, maar om eindelijk af te dalen in een vriendelijke
vallei! Dáár zal de zon mij tooien met glinsterende juweelen; de
kinderen zullen mij met bloemen strooien onder blij gezang, schoone
vrouwen zullen haar ranke leden komen toevertrouwen aan mijn
liefkoozingen, minnenden zullen neerzitten aan mijn oevers en het
geklater mijner golfjes begeleiden met den klank hunner kussen....
Toen Edith was heengegaan en met háár de laatste zonnestraal uit zijn
sombere woning, toen ook Nora, om haar aan den verderfelijken invloed
der moeder te onttrekken, onder streng toezicht van vreemden geplaatst
was, toen de kinderstemmetjes niet meer weerklonken die de eenige
juichtoon waren geweest in den droeven treurzang van zijn huiselijk
leven, was het Henri Reijkman of hij den last van het bestaan moest
afwerpen.
Zijn goede engel had hem verlaten; zijn booze genius moest hem altijd
nabij blijven, háár kon hij niet ontvluchten.... Waartoe langer zijn
ellendig leven voortgesleept?
’t Was een bange strijd geweest en meer dan eenmaal had hij een wapen
in handen genomen en het aangezien met woest verlangen als redder,
verlosser.... maar Edith’s geest zweefde nog door de stille woning,
Edith’s voetstappen weerklonken nog door de ledige gaanderijen; ’t was
hem of haar handjes hem het wapen uit de klamme vingeren loswoelde, of
zij hem met zich voerde naar buiten, naar buiten waar aarde en hemel,
met denzelfden reinen zilverschijn overgoten, lagen te sluimeren in den
schoonen maanlichtnacht.
Dan zat hij daar uren lang tot ieder geruisch had opgehouden in den
omtrek, tot alles sliep en alles rustte, tot de bergen toornige titans
geleken, en de boomen spookgestalten werden, maar ook de wolken
daarhenen zweefden als engelen in hemelschen starbezaaiden dos.
Dan boog hij luisterend het oor en ’t was als ruischte van verre over
de eeuwige stilte van den Oceaan, waarop het kind zijns harten zwierf,
hem een groet tegen; dan sloot hij de oogen en het was hem als bracht
de zefir die als Noordenwind had geloeid om de ranke boot, waaraan haar
dierbaar leven was toevertrouwd, hem woorden vol zoeten troost, dan
droomde hij van een verre, verre toekomst, waarin de banden niet meer
knellen, de ketens niet meer rammelen zouden, waarin hij als vrij en
gelukkig man haar zou wederzien!
Hij droomde haar zooals ze dan zijn zoude: een ranke maagd met teedere
vormen, de blonde krullen los neervallend om het zacht gebogen hoofd,
de blauwe oogen vol dwepende teederheid, vochtig en glanzend,
fonkelende starren aan den onbewolkten hemel harer ziel, het
vriendelijk mondje altijd bereid tot een lief woord, de zachte wangen
gekleurd met den jonkvrouwelijken blos....
’t Was een liefelijk beeld dat hij zich voor den geest tooverde en hij
voltooide het langzaam, met innerlijk genot, hij teekende het en iedere
penseelstreek deed hij met liefde, en als het beeld gereed was, bleef
hij er op staren en legde al de trekken er van weg in zijn hart....
De wind in de bamboestammen doortrilt de lucht als de onbestemde
klanken eener Eölusharp; de eenzame woudduif kirt en haar tortel
antwoordt uit de verte met een luiden jubeltoon; de zachtklagende tonen
van een liefdezaag klimmen op uit de kampong.... nog fluistert de
sombere droomer den naam van het aangebeden kind, maar straks, straks
als de sterren elkaar zijn geheim reeds verklapten en de maan hem met
een spotlach in het aangezicht staart, straks is het hem eensklaps
duidelijk geworden wier beeld het is, dat hij draagt in zijn hart en
trek voor trek teekent met zooveel liefde als hij zich het ideaal eener
jonkvrouw denkt!
Constance.... ach, Constance! Hoe gelukkig, hoe liefelijk moet het
leven zijn aan uwe zijde....
Daar verneemt hij het weer, dat afschuwelijk geluid, verzeld van het
hoongelach der helgeesten, het ratelen zijner ketens!....
De wachten zijn er reeds aan gewoon hem in het holle van den nacht te
zien dwalen rondom het huis; de honden blaffen niet aan, zij kennen
dien gejaagden stap; alleen zijn lievelingspaard op stal hinnikt, als
verwachtte hij dat zijn meester hem zou bestijgen en met hem
voortrennen in wilde vaart, zooals in menig vroegeren nacht....
Maar hij gaat voorbij, den tuin in, het erf op. Eerst een paar uur
later keert hij terug; vermoeid, bezweet, maar zonder dàt zou hij geen
rust vinden op zijn eenzame legerstede. Hij gaat haastig het huis langs
om achter binnen te treden en mijdt nu niet, zooals des daags, het
gedeelte door Marie bewoond.
Even blijft hij stilstaan. Is dat niet een mannenstem, die hij daar
hoort in Marie’s vertrekken?....
Hij wist niet of zijne vrouw sinds hij haar van zijn zijde verbande,
hem de trouw had gehouden die echtgenooten elkaar beloven; maar hij
wist dat de hartstochten, die haar beheerschten, niets met de zinnen
gemeen hadden en had daarop vertrouwd toen hij zichzelf deed gelooven,
dat ze ten minste niet op die wijze den naam, dien ze droeg, tot
schande zou maken.
Eén oogenblik trilde hij van woede bij de gedachte; maar toen
glimlachte hij; de stem, die tot hem doordrong, was die van Marie’s
broeder.
Wie Rudolf Bastoort eenmaal in het laaghartig gezicht, in de listige
oogen gezien had, wist, dat die man gewantrouwd moest worden. Reijkman
had meer dan één staaltje ontvangen van zijn laagheid. Maar hij had
hem, omdat hij de broeder zijner vrouw was—anders had hij hem gaarne
zien hangen—uit zekere moeilijkheden gered. Na de laatste
„moeilijkheid” echter verbood hij hem het huis, met bedreiging hem als
dief en opiumsmokkelaar te doen opvatten, als hij het waagde zijn erf
te betreden—vandaar dit bezoek in het holle van den nacht.
„Och, Marie, kassian toch met je broêr,” riep de door drank en
uitspatting heesche stem, een wanklank in de heilige stilte van den
nacht.
„Kassian met jij,” siste het snerpend geluid Henri zoo wèlbekend uit
Marie’s oogenblikken van hevige drift, „kassian met jij? Jij moet zelf
weten. Wie schulden maak, die betaal! Jij bent niet gek genoeg om hulp
te verwachten van mij?”
„Je begrijp misschien niet, Marie! Ze zetten me in den boei. Ze hebben
ampioen gevonden bij mij in huis. Ik moet afkoopen....”
„Ampioen gevonden....? Heel goed! ’k Heb lang verwacht.... ’k Ben
blij....”
„Ik moet honderd gulden hebben, Ria! minstens!”
„Al moest je een gobang hebben, jij krijg niet van mij,” zegt de zuster
bepaald. „Nu, ga weg!”
De heer Rudolf Bastoort stort thans zijn gevoel uit in een walgelijk
dronkemansgeween.
„Waarom moet jij spelen, dronkenlap? Ben je een grooten mijnheer
misskien?”
„Neen,” zegt de broeder, terwijl hij eensklaps de onharmonische uiting
zijner droefheid staakt. „Maar jij bent een groote mevrouw; jij kunt
betalen en.... jij moet.... jij moet....!”
„Moeten?” vraagt ze, ziedend van toorn. „Moeten?”
„Ik zit in de benauwdheid, Ria, ik ben verloren....” kermt hij.
„Tra per doeli!” [2]
„Marie?!”
„Ga weg, zeg ik. Ik roep de jongens! Ga weg, ja?”
„Niet vóór ik het geld heb!”
„Ben je gek, kerel?” gilt ze buiten zich zelve.
„Dat vroeg je niet toen ik je helpen moest om...”
„Diam!” [3] roept Marie gebiedend, maar fluisterend tevens.
„Voor wat diam? Ik geef nergens meer om. Ik ga alles vertellen...”
„Je bent niet brani. Je bent veel te bang.... laffe dronkaard...”
„Bang dat ze jou hangen zullen? Och neen, ik zou het met pleizier zien!
Je hebt het aan mij verdiend, nog veel meer dan aan mijnheer
Reijkman...”
„Jij hangt ook! Net zoo goed! Jij hebt me de vergift gegeven,” zegt ze
met haar valschen lach.
„Maar jij hebt het hem in de soep gedaan en in de koffie! Wat kan mij
schelen, of ze me in de gevangenis zetten, daar kom ik toch in!”
„Nu, ik zal... hoorde je daar niets? Ja, ja! een voetstap... ja, ik
weet zeker... Als je me hebt verraden... ik vermoor je!”
Pas verbleekten de sterren, pas kraaide de haan, toen Onno uit zijn
slaap werd gewekt door het binnentreden van Reijkman. Verbaasd rees hij
overeind en nauwelijks had hij bij het matte schijnsel van het
morgenlicht hem in het gelaat gezien, of met een kreet van schrik was
hij uit het bed gesprongen.
„Henri?! Wat is er gebeurd? Een nieuw ongeluk?!”
„Neen. Het oude ongeluk maar. Onno, geef me de hand! Ik heb je leelijk
behandeld, oude vriend... ik heb je miskend...”
„O, dat is niets... laat ons daar niet van spreken.”
„Jawel, ik had het niet moeten doen. Maar ik kon het maar niet
vergeten, dat jij het waart, die me met Marie hadt laten trouwen. Ik
wist toen niet waarom je het deedt... het was om mij te redden, niet
waar mijn jongen?”
„Weet je het?... Hoe heb je het ontdekt?...”
„Ik weet het; laat dat je genoeg zijn. Ze had me vergiftigd, niet waar?
Je hebt heldhaftig gezwegen.... en ik heb je schandelijk gegriefd...
Kun je me vergeven... mijn oude vriend?”
„Vergeven? Henri!”
„Dwaasheid! Maar.... je kende me zoo goed, Onno, tien jaar lang.... je
hadt het kunnen, je hadt het moeten weten dat het leven geen waarde
voor me hebben zou als ik het tot dien prijs behield. Ik, verbonden aan
een gifmengster! Ik, getrouwd met een moordenares!”
„Reijkman, je weet het nu.... je kunt je nu vrij maken! Wat verhindert
je haar aan te klagen.... haar schuld is bewezen en....”
„Stil! ’t is de moeder van mijn kinderen! Ik bid je, spreek daar nooit
van. Hoor je, nooit! nooit! Ik mag daar niet aan denken.... Ik mag
niet! ’t Zou de naam van mijn kinderen zijn, die ik voor altijd prijs
gaf.... Ze hebben immers haar bloed in de aderen.... En toch.... o
God!.... als ik haar aanklaagde en ze werd veroordeeld.... Onno! dan
zou ik vrij zijn! Vrij! Begrijp je wat dat zeggen wil?.... Vrij om....
maar neen, neen! Ik mag niet! Ze is Edith’s moeder....”
„Mijn arme vriend!”
„Ik moet rust hebben. Ik ben nog niet te bed geweest.... je zult me van
morgen waarschijnlijk niet zien in de fabriek.... adieu!”
„Henri, laat me met je meegaan.”
„Waarom?”
„Omdat.... neen, geloof me, ’t is beter dat er iemand bij je is. Je
bent overspannen, je....”
„Zeg het maar, mijn jongen, je vreest dat ik me van kant zal maken....
Is ’t niet zoo? Wees gerust Onno. Er komt een oogenblik in het leven
waarop het vreeselijkste ons niet meer onvoorbereid vindt, een
oogenblik, waarin we door ervaring geleerd, het ergste verwachten! En
dan.... laat me je dit zeggen, sinds ik het heengaan van Edith
overleefd heb, kan er voor mij geen sprake meer zijn van zelfmoord.”