VIII.

Buiten beschijnt de maan het vroolijk tooneel, waar de Javanen zich

geschaard hebben om den wajang; binnen verlichten talrijke lampen de

ruime galerij, waar de tafel is aangericht.

’t Is een prachtig diner.

Op het fijn damast glinstert zilver en kristal in rijken overvloed;

geurige bloemen zijn met kwistige, smaakvolle hand aangebracht; de

schatten, die het meer en het woud opleveren, de fijne wijnen en

uitgezochte gerechten uit de welvoorziene goedangs, komen

achtereenvolgens het verhemelte streelen; het dessert munt uit door

ongewone délicatesses....

Jammer dat de heerlijke toebereiding van den reebout, de geur der

ragouts, het croquante van het speenvarken enkele heeren telkens

herinnert aan de diners op Soeka-madjoe in den tijd, toen mevrouw

Reijkman nog Njai Marie was.

Thans zit ze aan het hoofd van de tafel.

Mooi is Marie nooit geweest, maar tien jaar geleden zag ze er vrij

aardig uit met haar tengere vormen en rond gezichtje; nu is ze in

omvang toegenomen en, ofschoon nog geen vijf en twintig jaar, begint ze

reeds tanig en oudachtig te worden, terwijl de groote fonkelende oogen,

die vroeger het donker gelaat eenigen glans gaven, tegenwoordig slechts

ter sluiks opgeslagen en de witte tanden zelden gezien worden, even

zelden als de vroolijke lach.

Zou ze in sarong en kabaia onbevallig zijn, in europeesche

kleederdracht is ze leelijk en, wat erger is dan leelijk, belachelijk.

Het parijsch corset is niet gemaakt voor de welgevormde maar korte

taille, de lange sleep van den donkerrooden japon slingert op de

zonderlingste wijze heen en weer bij haar sarongstap; de voeten bewegen

zich moeilijk in de hooggehakte schoenen; het valsch kapsel, waarin ze

met moeite haar lang, dik haar dwong, drukt haar de hersens; de

geplooide kraag, die den hals omsluit, schijnt door de wraakgodinnen

uitgedacht om de gifmengster te herinneren aan de straf, die haar

toekomt. Niettegenstaande dit alles geniet ze, geniet ze

onuitsprekelijk.

Immers, het is de eerste gelegenheid waarbij ze optreedt als vrouw des

huizes; ’t is voor de eerste maal dat het maalfeest gegeven wordt,

sedert zij, nu twee jaar geleden, mevrouw Reijkman werd.

De tijd, waarin ze zich schuil moest houden voor de gasten en hen

bedienen van achter het groote scherm, is voor altijd voorbij; de

hooggeplaatste bezoekers, die toen veinsden haar niet te zien; hunne

dames, die toen het hoofd zouden hebben omgedraaid, als ze haar

toevallig ontmoetten; de jongelui die toen haar aanstaarden met

onbeschaamde blikken, zij allen moeten nu voor haar buigen, zij allen

moeten haar nu erkennen als de wettige vrouw van Henri Reijkman.

Wat deert het haar, dat op het eenmaal zoo vroolijk gelaat van haar

echtgenoot de diepste wanhoop te lezen staat, dat er geen glimlach

heeft gespeeld om zijn bleeke lippen, sinds dat hartverscheurend

oogenblik, toen Edith er voor de laatste maal een kus op drukte; wat

deert haar zijn koele terughouding, hij kan zijn huwelijk toch niet

ongedaan maken!

Wat deert het haar, dat Onno haar noch de achting betoont, noch de

beleefdheid bewijst, die hij als eerste geëmployeerde van Soeka-madjoe,

aan de vrouw van zijn principaal verschuldigd is? Hij kan haar plagen

zooveel hij wil; niet meer benadeelen nu zij eenmaal mevrouw Reijkman

is.

Wat deert het haar ook, dat de resident zijn gastvrouw niet schijnt te

zien, dat de suikerlords, hoewel zelf vrij beleefd, vergaten hun

vrouwen aan haar voor te stellen, dat enkele dames haar uit de hoogte

behandelen, anderen gichelen en fluisteren zoodra ze niet langer in

haar nabijheid is—ze kunnen haar toch niet verdringen van haar plaats!

Neen! dat alles deert haar niet!

Maar wat haar wèl deert, wat nu en dan een onheilspellend licht doet

opvlammen in haar donker oog, wat haar maanden lang reeds vervolgt als

een schrikbeeld, wat haar reeds menigmalen, als ze na een bangen nacht

eindelijk insliep, knersetandend deed ontwaken, dat is het blonde kind

met de blauwe oogen die eenmaal zoo medelijdend rustten op Henri

Reijkman’s bleek gelaat, die nu naar hem zijn opgeheven met den

vochtigen blik van een dwepend meisjeshart.

De roode frissche lippen lachen zoo onbezorgd, het blanke voorhoofd is

zoo rein, geheel de uitdrukking van het fijnbesneden gelaat zoo edel,

geheel de vorm van het ranke lichaam zoo meisjesachtig, zoo kinderlijk

nog bijna, dat men een Marie Bastoort zijn moet om iets zondigs te

zoeken in de verhouding van Henri Reijkman en Constance van Raatshove.

Maar zij meent er dat zondige in te vinden en met gebalde vuisten en

kloppend hart slaat ze hen gade, en in haar verhit brein komen

gedachten op, die haar doen verbleeken en beven te midden van het

feestgewoel.

’t Is middernacht.

De sterren flonkeren met gouden glansen aan het azuur van den effen

blauwen hemel, de nachtbloemen openen haar kelken en geuren als wisten

ze hoe kort haar bloeitijd zijn zal, de vlinders dwarlen halfbedwelmd

rondom. Een frissche koelte daalt van den Ardjoeno en komt de verhitte

gezichten aanraken van de honderden mannen en vrouwen, die geschaard

liggen rondom den wajang of genieten van de bevallige dansen en het

onharmonisch gezang der ronggèngs.

Uit de ruime pendoppo der administrateurswoning klinkt vroolijke muziek

en de paren zweven op de maat eener wals, die steeds sneller, steeds

wilder wordt.

Het is niet alleen de jeugd, die hier danst: oud en jong doet mede; de

resident heeft het bal geopend met de gade van den grondbezitter; te

zamen dragen ze een eeuw op de schouders, maar het hart bleef jong en

de voet vlug; een weeuwtje wier volwassen zoon in Holland gelukkig geen

getuige kan zijn van mama’s aanvechtingen naar de vreugden des levens,

draait lustig in de rondte met den geëmployeerde, wien het eerste dons

om de kin speelt; een grijze overste heeft een piepjong nonnatje

gekozen....

Er zijn echter ook andere paartjes, jong en onbezorgd, vroolijk en

bevallig, aardig om aan te zien. Maar geen schooner onder die allen dan

de forsche en toch zoo slanke gestalte van den gastheer, met zijn dame,

die er uitziet als een engel in haar wolken van wit, haar guirlandes

vergeet-mij-niet, den krans in de goudglansende krullen.

Ze rust in de armen, die haar omvatten, ze geeft zich geheel over aan

het genot van den dans, en hij sluit haar vaster aan zijn borst, en

staart in het schitterend blauw dier welsprekende oogen en—had hij tot

heden toe slechts een zucht in antwoord op de taal dier oogen, nu

fluistert hij en droomt—en in zijn droom hoort hij het rammelen niet

van den keten, die achter hem aansleept.

Uit den donkersten hoek van de groote pendoppo volgen een paar ernstige

oogen het schoone paar; met warme bewondering maar met teedere

bezorgdheid ook.

Eindelijk rijst Onno overeind uit zijn verborgen plekje. Hij treed

haastig voorwaarts; hij legt zijn hand op Henri’s arm, zoodra deze zijn

dame verlaten heeft.

„Henri!” fluistert hij.

„Wat is er?” vraagt deze eenigszins ongeduldig.

„Marie ziet je!”

„Onno! één avond, één halven nacht van geluk maar!” vraagt Reijkman

smeekend.

En Onno laat hem los en treedt naar buiten; hij ziet op naar de

sterren, die glimlachen en vroolijk knipoogen, want ze zijn te verre af

om het lijden der menschen te zien, en peinzensmoê spreekt hij de vraag

uit, die zijn ziel beroert, de vraag die in dit uur als in zooveel

andere uren zijn warm, trouw vriendenhart vervult: „Is hij dan gedoemd

tot het ongeluk, levenslang?.... Kan er dan niets, niets voor zijn

verlossing gedaan worden?....”

Maar de sterren glimlachen en knipoogen steeds voort en antwoorden

niet. Wilder klinkt de muziek, luider het gegons der vroolijke stemmen,

maar het zijn niet de blijde tonen die hem weer naar binnen drijven:

het is het onbestemd voorgevoel van een naderende ramp.

Hij moet weten wat er voorvalt. Henri,—dit heeft hij straks bespeurd

aan zijn fonkelend oog, aan zijn koortsig gloeiend gelaat—is zichzelf

niet; hij zou in dezen nacht van verrukking en opgewondenheid de

grootste onvoorzichtigheid begaan; ook het schoone kind met den krans

van vergeet-mij-niet weet niet welk gevaar haar dreigt; maar om Marie’s

lippen speelt nu en dan de koude wreede grijnslach, dien hij somtijds

heeft gezien in Henri’s ziekenkamer, en hij weet dat er dan gewaakt

moet worden....

Hij volgt de donkerroode japon met zijn strakken blik, waarheen zij

zich ook beweegt; hij ziet hoe ze orders geeft aan de bedienden, niet

flink en bepaald als gewoonlijk, maar verstrooid, hoe ze het eene glas

champagne na het andere leegdrinkt en toch niet vroolijk wordt, hoe ze

met de zwarte oogen één wit punt volgt in de balzaal....

Weldra komt de wreede koude grijnslach niet meer nu en dan om de

bleekblauwe lippen spelen, maar blijft en schijnt zich te verspreiden

over geheel het strak gelaat, tot zelfs in de oogen.... als Onno dat

ziet, grijpt een groote angst hem aan: hij moet zijn waakzaamheid

verdubbelen.

Op eens—daar wordt de roode japon niet meer gezien in de balzaal. Ieder

is te zeer met zichzelf vervuld om haar te missen, die daar nu langzaam

de breede trappen der pendoppo afdaalt en, als had ze behoefte aan een

weinig frissche lucht, den bloemtuin achter het huis begint op en neder

te wandelen.

Ze loopt zoo bedaard mogelijk en niet zonder nu en dan eens stil te

staan om aan een roos te ruiken of haar kleed beter op te nemen; ze

kiest de zijde van het huis door haar bewoond; dáár verdwijnt ze een

oogenblik in haar kamers en als ze wederom te voorschijn komt, neemt ze

het kleed met de linkerhand te zamen; de rechter is niet meer vrij....

Nu strekt ze haar wandeling wat verder uit; ze neemt den kant van de

bijgebouwen; eerst rechts, naar de bediendenkamers; dan links naar de

logeervertrekken....

’t Is hier doodstil; geen sterveling beweegt zich, de logées zijn in de

balzaal, de jongens en meiden bij de ronggèngs.

Al de kamers zijn gesloten, ook die waarvoor Marie nu stilhoudt. Maar

ze weet, dat het knipje van de jaloezie gebroken is, ze duwt er

zachtkens tegen aan, het springt open en, daar het venster niet

gesloten werd, kan ze nu over het vrij lange kozijn de kamer

binnenklimmen.

De half neergedraaide lamp verspreidt een flauw en schemerachtig licht

in het vrij ruim vertrek.

Marie kijkt rondom zich. Een paar kleine slofjes staan voor het bed; op

de toilettafel ligt een gebroken waaier, een gouden armband; het witte

kleedje met de korenbloemen, dat Constance van Raatshove heeft gedragen

dien morgen, hangt aan het schutsel.

De kamer ziet er uit, zooals iedere andere waarin een jong meisje zich

voor het bal heeft gekleed, met bloemen en kanten en strikken overal

verstrooid. Maar in deze kamer is een bedwelmend zoete geur, in deze

kamer prijkt op het midden van de marmeren tafel een heerlijke, witte

bloemtros.... Marie weet dat het de schoonste en zeldzaamste is der

orchydeën, die Henri met zooveel zorg kweekt....

Haar fonkelend oog rust langen tijd op die bloem; dan treedt ze snel en

vast nader en scheurt haar van den stengel en trapt haar onder den

voet. Een oogenblik nog en de rechterhand, tot nu toe zoo vastgeklemd,

opent zich;.... een wit, fijn poeder gaat uit die hand over in den met

water gevulden gendie [4].

Als uilengekras, zoo onheilspellend weerklinkt haar akelig schorre lach

door de stilte van den nacht; fluisterend, of ze vreesde voor haar

eigen stem, spreekt ze: „Ha, ha! mooie meisjes worden warm van het

dansen.... ze krijgen dorst, ze willen slapen, droomen van den knappen

mijnheer... ze drinken, drinken!.... Het witte gezicht blauw, de roode

wangen blauw....”

Daar slaakt ze een rauwen gil. Ze heeft opgezien in den grooten spiegel

tegenover haar; ze heeft een gloeienden blik ontmoet, gloeiend van haat

en wraak, gloeiend van razende woede.

Lang blijft het doodstil in Constance’s slaapvertrek. Als een tijger

heeft Onno van achter zijn prooi besprongen en zóó plotseling was de

aanval, zóó vast grepen de ijzeren vuisten, zóó krachtig nijpen ze, dat

de gifmengster geen geluid kan voortbrengen. Nu... ze worstelt als een

bezetene, ze tracht zich los te wringen, hem omver te werpen, ze bijt

hem in de handen, ze krabt hem het gelaat tot bloed...

Eindelijk is hij den strijd moede.

Een ijzeren vuistslag komt neder op het hoofd, dat zooveel monsterlijks

uitbroedde. Als ze bewusteloos achterover valt op den grond, zet Onno

haar de knie op de borst.

Dan grijpt hij den gendie.

En als ze ontwaakt uit haar korte bezwijming, ziet ze vlak boven haar

gelaat die vurige oogen vol haat, dien mond schuimend van woede, hoort

ze het bevel dat haar doodvonnis is: „Drink!”

Maar neen, ze wil niet drinken! Ze moet leven! Ze rukt zich los, ze

kromt zich als een slang, ze kruipt en wentelt zich, ze smeekt om

genade; dan tracht ze hem het glas uit de handen te slaan.

Maar eindelijk begrijpt ze dat de kansen niet gelijk staan, hij is even

listig en veel sterker dan zij. Ze heft een vreeselijk gegil aan, schor

en woest. Ze schreeuwt om hulp, haar antwoorden de tonen van den

vroolijken galop, en in haar verbeelding ziet ze Henri daarhenen

zweven, stralend van geluk, met het blonde meisje in zijn armen...

zooals hij háár nooit, nooit in de armen hield!

„Neen! neen! Ik wil niet sterven! Zij zal hem niet hebben,” gilt ze.

„Ik moet leven.”

Maar daar sist het vlak bij haar oor: „Gifmengster! Hij zal haar

trouwen... niet gedwongen, maar uit vrijen wil... En hij zal haar lief

hebben... En ze zullen gelukkig zijn... En nu, drink!”

Maar ze houdt de tanden vast opeengeklemd, de lippen gesloten; dan

woelt ze door de lange, losgemaakte haren, waarin nog de juweelen

schitteren....

Onno buigt zich dieper over haar heen; de tegenstand wordt zwakker,

steeds zwakker... hij giet haar het gif in de keel, tot den laatsten

droppel toe!

Daar flikkert iets in de schemering. Onno grijpt naar zijn borst....

een vreeselijk stekende pijn!.... ruggelings valt hij achterover....

Het is vijf uur in den morgen. De starren verbleeken en grijs en

kleurloos breidt de hemel zich uit over den Ardjoeno; de gamelans

zwijgen, ook de dansmuziek heeft opgehouden.... men maakt zich gereed

tot scheiden.

Nu wordt de gastvrouw gemist.

Eerst zijn de groote galerijen, dan Marie’s vertrekken, dan geheel het

huis, eindelijk zelfs de tuin doorzocht.... ten laatste vraagt Reijkman

zijn logées in hun kamers te willen zien....

Wat is het, dat hem drijft om zelf den sleutel te zoeken van die kamer

links? Wat is het dat hem er toe brengt door de geopende jaloezie naar

binnen te springen, nog vóór de deur ontsloten kon worden?...

De lamp is uitgegaan, maar bij de vale ochtendschemering ziet hij

midden in het vertrek, op den grond, een verwarde massa, als in één

grooten bloedplas.

Hij stoot de vensters open en.... neen, ’t is geen bloedplas, dat

purperkleurige, ’t is de roode japon van Marie. En die akelige,

bleekblauwe vlek in het midden met de zwarte slangen die ze

omkronkelen, dat is Marie’s gelaat, dat zijn Marie’s lange haren!

De doodsstrijd heeft afschuwelijke sporen achtergelaten op het door

woede en wanhoop verwrongen gezicht.... Maar dicht naast het hare ligt

een ander, bleek en strak.

Henri Reijkman knielt zachtjes neêr bij den getrouwe; hij legt het

moede hoofd aan zijn borst, hij drukt een langen kus op de bleeke

lippen, hij roept luide den naam van zijn vriend.

„Henri?! O, dat is goed!” fluistert een zwakke stem.

„Onno, wat is er gebeurd?” vraagt Reijkman in de vreeselijkste

spanning.

„Ze heeft niet gedronken?” fluistert de zwakke stem.

„Wie? Marie?”

„Het meisje met de vergeet-mij-nietjes?”

„Onno?... O God! nu begrijp ik het. Zij had haar willen vergiftigen...

En o, mijn trouwe vriend, je hebt gewaakt over Constance?”

„Heb ik goedgemaakt, wat ik misdeed, Henri?”

„Ja, ja! duizendmalen! Maar Onno, wat deert je? Wat heeft ze je

misdaan? Antwoord! Antwoord!”

Onno wijst op den langen, scherpen haarnaald, waaraan een diamant

fonkelt.

„Die heeft ze me door het hart gestoken.”

„God! Laat me hulp roepen.... Onno, je moogt niet sterven!”

„Neen, neen! Blijf zoo zitten.... Laat mijn hoofd zoo liggen.... En zeg

het nog eens en nog eens, dat ik alles heb goedgemaakt.... dat je nu

gelukkig zult worden.... Zeg het, Henri!....”

En terwijl Henri al zijn smart uitspreekt in één lange stomme

omhelzing, terwijl heete tranen neerstroomen op het bleeke voorhoofd,

terwijl hij woorden stamelt van eeuwige dankbaarheid en het uitroept

dat de trouwe vriend nimmermeer zal vergeten worden in zijn huis, komt

in den dood het donker gelaat een glimlach verhelderen, zoo liefelijk

en zacht, zoo zalig en tevreden, als nooit te voren.

Indische Huwelijken · 第 26 / 27 题