„Arme papa!”
Ze vermoedde niet welke de smart was die hem folterde, maar ’t scheen
of ze alles begreep; ze kon niet weten welke slag hem getroffen had,
maar ’t was of een geheime stem haar toefluisterde dat hier een lijdend
hart van wanhoop te redden viel, en van nu af wijdde ze zich met al de
teederheid van haar warm jong gemoed aan die taak.
Als bij ingeving raadde het kind, wat menige vrouw levenslang verborgen
blijft: ze wist wanneer haar vriendelijk gekeuvel hem wekken moest uit
sombere gepeinzen, maar ook wanneer hij behoefte had aan rust en niets
dan rust; ze wist wanneer ze hem vragen kon deel te nemen aan haar
vroolijk spel, maar ook wanneer ze haar hoofdje aan zijn borst vlijen
en een opkomenden storm bedaren moest door liefdeblijken.
Toen de krachten terugkeerden was het op háár smeeken dat hij nu en dan
eens naar buiten trad in de heerlijke natuur, maar het kostte moeite
hem over te halen; daarbuiten scheen het hem nog ondragelijker dan in
het halfdonker ziekvertrek; het was hem of de heldere zonneschijn al
zijn dwaasheid blootlegde; het was hem of de vogels zongen, of de
eenden kwaakten van zijn schande; immers schande, driedubbele schande
noemde hij het, dat de naam, dien zijn vader met rechtmatigen trots
noemde, den naam die zijn moeder zoo rein had bewaard, nu werd gedragen
door Maria Bastoort!
’t Was ook Edith die er hem toe bracht weer eens naar de fabriek te
gaan. Wel wist ze het nog niet bij ervaring, dat werken leert vergeten,
maar ze bemerkte hoe bezigheid papa goed deed. Het was een zware gang;
met warme onverholen blijdschap ontvingen hem zijn ondergeschikten,
maar hij kon niet werken met den lust en den ijver van voorheen;
immers, voorheen werden de winsten weggelegd voor de reis naar Europa,
voor de toekomst als de kinderen groot waren; nu waren alle plannen den
bodem ingeslagen; nu was er geen toekomst—dan met Maria Bastoort!
Er was tusschen hem en de vrouw, die de wet tot zijn gade gemaakt had,
een vergelijk getroffen. Hij oordeelde dat hij niet het recht had haar
verwijtingen te doen; alleen zeide hij haar zacht maar vast, dat ze
nooit anders dan in naam zijn vrouw zou wezen, dat ze, toen ze van zijn
toestand misbruik maakte om hem te ontrooven wat ze wist dat hij haar
nooit vrijwillig zou geofferd hebben, voor altijd zijn genegenheid had
verspeeld.
Het was haar tamelijk onverschillig; niet zijn liefde had ze zich
gewenscht, maar zijn titel, zijn rang, zijn geld,—en die kon hij haar
niet ontnemen. Hij handelde juist zooals ze verwacht had: paarden,
rijtuigen, bedienden, ruim huishoudgeld en nog ruimer kleedgeld stelde
hij tot hare beschikking.
Maar op zekere voorwaarden.
Het huis was groot en ruim; wilde ze hem verplichten door het
linkergedeelte te bewonen, terwijl hij zich tot de rechterzijde bepalen
zou? Edith was aan hem gehecht, terwijl Nora háár lieveling heette;
wilde ze Edith aan haar vader afstaan? En zou ze over het geheel hem
niet tegenwerken bij de opvoeding der beide kinderen?
En eindelijk—nog deze ééne groote gunst—wilde ze beloven hem niet te
dwingen met haar uit te gaan?
Neen, dat wilde ze niet!
Waarvoor zou zij haar mooie toiletten koopen, als het niet was om er
mee te schitteren in de gezelschappen; waarvoor zou ze alles verdragen,
al zijn dwaze nukken inwilligen, wanneer het niet was in de hoop van
als mevrouw Reijkman zich te vertoonen in kringen, waarin men vroeger
haar naam niet genoemd, veel min haar tegenwoordigheid geduld zou
hebben?
Al de fierheid, die in hem was, kwam in opstand tegen het ondergaan van
die laatste vernedering; hij smeekte en bad, hij dreigde en beleedigde;
te vergeefs! Op dit ééne punt bleef Marie onverzettelijk.
Het was, hoe grievend dan ook voor zijn gevoel, een ware verlossing,
toen hem van verschillende zijden werd getoond, dat zijn komst altijd
hoogst aangenaam zou wezen, maar men liever wenschte van bezoeken
zijner vrouw verschoond te blijven;—zij bleef echter loeren op een
gelegenheid om den triomf, waarvan zij zoo lang gedroomd had, te
genieten.
Weldra deed zich die voor. Er werd een groot feest gegeven door een der
rijkste suikerlords uit den omtrek en Reijkman ontving een uitnoodiging
voor zich en zijn vrouw.
Hij wilde een voorwendsel zoeken om te weigeren. Maar Marie, wie het
thuiszitten verveelde, dreigde alleen te gaan, zoo hij haar niet
verzellen wilde.
Hij gaf toe; hij liep de spitsroeden door en ze wondden hem dieper dan
de felste zweepslagen ooit een ontblooten rug konden doen; de donkere
blikken van de schoone vrouwen, wier liefde hij eenmaal zoo gemakkelijk
had kunnen winnen en die nu schenen te vragen: moest ik dáárvoor
versmaad worden? de spottende lachjes om meêdoogenlooze lippen, het
gefluister van scherpe tongen, het deelnemend groeten of verlegen
afwenden van bevriende gezichten....
Er was één paar oogen, blauw en zacht als Insulinde’s hemel, dat
telkens rusten bleef op Henri’s gelaat en deelnemend scheen te vragen,
waarom het toch zoo treurig stond; er was één frisch, rooskleurig
mondje, dat met half kinderlijken schroom hem toesprak; ze behoorden
aan Constance van Raathoven, de eenige dochter van Passoeroean’s
resident.
Het kind was pas uit Holland terruggekeerd en begreep niet, welk recht
de zwarte vrouw kon hebben op dezen jongen man, met zijn edel, blond
gelaat, zoozeer gelijkend op het ideaal, dat ze zich gevormd had van
den held harer droomen.
Hij ving de zachte blikken op, zoo dikwerf ze op hem rusten bleven,
gelijk de verschroeide bloem een dauwdrup opvangt; hij luisterde naar
de tonen dier melodieuse stem.... misschien was het juist de blik uit
die reine meisjesoogen, misschien waren het juist de woorden van dat
schuldeloos kind... die hem het knellen van zijn keten zoo ondragelijk
maakten, die zijn wanhoop opvoerden tot razernij....
Het was goed dat het rollen van den wagen over het grint kleine Edith
ontwaken deed; het was goed dat ze op haar bloote voetjes kwam
aantrippelen en haar armen om papa’s hals sloeg en fluisterde, dat ze
zoo koud was en vroeg of ze voor dien éénen nacht mocht slapen in
papa’s bed....
Ze sluimerde spoedig in, zooals kinderen dat doen kunnen, maar toch
vroeg ze zich den volgenden morgen af, of ze gedroomd had, dat er, o
zulke heete tranen op haar voorhoofd gevallen waren.
Intusschen—ook na den bangsten nacht breekt een morgen aan, waarin
alles geregeld zijn gang gaat; waarin ieder werkt en handelt alsof er
niet zoo iets als smart en wanhoop bestond onder de menschen—en iedere
morgen vond den administrateur van Soeka-madjoe op zijn post.
Onno had gedurende de ziekte, die niet minder dan vijf maanden duurde,
gedaan wat hij als geëmployeerde vermocht te doen, maar toch viel er
nog veel te regelen, dat op het herstel van Reijkman had gewacht.
Hij werkte zooals een man werkt, wiens doel het is zichzelf te
ontvlieden; in brandende zonnehitte, in storm en regen steeg hij te
paard, en eerst wanneer lichaam en geest doodelijk vermoeid waren,
zocht hij rust, in de hoop dat de verdooving die op groote inspanning
volgt, de booze droomen, de treurige gedachten zou verdrijven.
Maar eindelijk toch brak de tijd aan dat alle achterstand ingehaald
was, de aanplant geregeld, de tuinen in orde, de boeken bijgewerkt, de
machineriën nagezien, de suikers verzonden; de tijd waarin den
administrateur van een fabriek niet veel anders te doen overblijft, dan
te wachten tot de zon den nieuwen oogst heeft rijp gestoofd.
„Papa, nu hebt u het niet meer zoo druk, is het wel?” vroeg Edith op
zekeren langen, regenachtigen namiddag, toen haar vader sedert een half
uur de voorgalerij op en neder liep.
„Neen, lieve. Waarom vraag je dat zoo?” antwoordde hij, terwijl hij een
oogenblik stil stond om de hand langs haar zijden krullen te strijken.
„Omdat.... weet u niet meer, wat u ons beloofd hebt, als de drukte
voorbij was?”
„Ja zeker! We zouden een beetje leeren samen—en spelen ook. Goed dat je
me er aan herinnert, kind! We zullen dan maar dadelijk beginnen, hé?
Maar eerst moet Nora hier zijn. Waar is ze?”
„Bij mama, geloof ik.”
„Nu, ga haar dan roepen.”
„Ik weet niet of zij zal willen komen, papa.”
„O zeker! Zeg maar dat ik een mooi geschiedenisje ga vertellen, een,
dat ze nog nooit gehoord heeft.”
Het duurde een geruime poos voor Edith terug kwam. Toen trad ze
aarzelend nader, de lange wimpers rustend op de hoogblozende wangen.
„Nora is.... Nora heeft een beetje hoofdpijn, papa! Ze kan onmogelijk
komen... zegt mama.”
„Hoofdpijn? Kassian! Is het erg?”
„Neen pa! och neen, het is eigenlijk niets erg,” sprak Edith, meer en
meer verward.
„Edith!” vroeg Reijkman streng, terwijl hij zijn doordringenden blik op
het kind vestigde, „wat is er?”
Edith bleef zwijgen.
Toen klonk er een droeve klacht van des vaders lippen. „Edith, mijn
lieveling, ze hebben je toch niet geleerd te liegen?”
In een oogwenk lag ze aan zijn borst. „O papa, wees niet bedroefd!
Geloof me, papa, ik heb gezegd, dat ik niet jokken wilde, maar mama...”
„Sst...” sprak Marie’s echtgenoot, „sst!”
Daarop gaf hij in het javaansch een bevel aan Arsan en weinige
oogenblikken later verscheen Nora, met een hoogrooden blos op de bruine
kaken, met iets uitdagends in de fonkelende, zwarte oogen. Hij
bestrafte haar met geen enkel woord; hij nam haar op zijn knie en begon
te vertellen—van een kind, dat gelogen had en de vreeselijke gevolgen
van dien leugen. Halverwege moest hij het verhaal afbreken; Edith was
in een zenuwachtig snikken losgebarsten; ook van Nora’s donker gezicht
was het uitdagende verdwenen, maar toen Reijkman haar aanzag en aan
zijn hart drukte met de vraag: „Begrijp je nu hoe slecht het is om te
jokken, liefje?” keerde ze het hoofdje om en wilde noch antwoorden,
noch schuld bekennen, noch beterschap beloven.
Maar hij was er de man niet naar om door een mislukte poging te worden
afgeschrikt.
Met al den ernst, al het geduld die de opvoeding van ieder kind, maar
de opvoeding van een indisch kind vooral, eischt, met al de liefde die
hij te geven had, wijdde hij zich aan de taak, die gelukkiger
echtgenooten zoo gaarne op de schouders der moeder leggen. Hij zou dat
trotsche hoofdje buigen, het goede zaad zaaien in dat jonge hartje, het
onkruid uitroeien, dat Marie’s leiding zoo welig deed opschieten.
Wat hij niet kon vermoeden, hij deed zichzelf oneindig veel goed door
dat geregeld samenzijn met de kinderen; eerst was het hem een
inspanning geweest, weldra werd het hem een genoegen; Edith’s ernstige
vragen, die van zoo diep nadenken getuigden, verbaasden en verrasten
hem; Nora’s aardige, kinderlijke opvatting van alles, wat hij haar
trachtte duidelijk te maken, was hem een waar vermaak, en toen hij
reeds vruchten van zijn onderwijs begon te zien, toen Nora met haar
zoete stem en gracieus gebarenspel een gedichtje voor hem opzeide en
Edith haar eersten brief naar Holland schreef, toen kwamen er weer
goede oogenblikken in zijn eenzaam leven, toen herinnerde hij zich hoe
een vriend eens beweerd had, dat men zich over een ongelukkig huwelijk
leert troosten door de vreugde die de kinderen schenken, en hij vond
die bewering niet meer zóó onzinnig als te voren.
Waarmede hij de beide meisjes ook trachtte bezig te houden, welke
spelletjes en pretjes hij ook bedacht, altijd herhaalden zij de vraag:
„Een vertelseltje, papa!”
Gelukkig was zijn auditorium niet moeilijk te voldoen; ’t ging als op
de nutslezingen in kleine plaatsen; het deed er weinig toe of het
verhaal nieuw was, nog minder of er logisch verband in werd gevonden,
het allerminst of het een zedelijke strekking, had, als er maar een
bepaalden tijd gesproken werd.
Op een avond dat hij wat vermoeid en misschien daardoor niet zeer
helder van hoofd was, wilde het hem maar niet gelukken een vertelsel
saâm te flansen.
„Dan maar een sprookje van moeder de Gans,” raadde Edith. „De schoone
slaapster in het bosch bijvoorbeeld, pa?”
’t Was lang geleden dat de kinderen dit voor het laatst hoorden en met
ingehouden adem luisterden ze, hoe de booze toovergodin verscheen aan
het doopmaal; hoe, niettegenstaande alle voorzorgen, de voorspelling
vervuld en het mooie prinsesje door de schaar gewond werd.
Eindelijk was de verhaler de slotscène genaderd; de jonge vreemde prins
had het prachtig kasteel met zijn onbewaakte schatten en slapende
bewoners betreden; hij drukte de koningsdochter den kus op de lippen
die haar moest doen ontwaken....
„He, hoe dom!” riep Nora op eens.
„Stil toch!” fluisterde Edith verontwaardigd over die stoornis. „Toe
pa, vertel verder!”
Maar Nora’s uitroep had de aandacht van haar vader getrokken. „Waarom
dom?” vroeg hij.
„Omdat.... wel, papa, hij had immers alles kunnen wegnemen, het heele
huis leêgdragen, als hij haar had laten slapen.”
„Zou je dat in zijn plaats gedaan hebben, Nora?”
„Ja zeker,” sprak Nora, zonder zich een oogenblik te bedenken.
Henri Reijkman liet het kind van zijn knie glijden en toen ze,
verschrikt over de uitwerking van haar gezegde, weder op hem toetrad,
stiet hij haar terug.
Terwijl Edith, de kleine handjes gevouwen, zat te peinzen en ten volle
begreep waarmeê Nora papa zoo ontstemd had, terwijl Reijkman met
gejaagden tred op en neer liep en zich afvroeg of dan niets, niets den
verderfelijken invloed zijner vrouw onschadelijk maken kon, schaterde
Marie het uit van lachen en beloonde het kind met gebak en noemde haar
een pintere meid, toen ze het verhaal deed van hetgeen er was
voorgevallen.
Nooit was door de goede en booze geesten de strijd om een menschenziel
met meer volharding gestreden, dan door dezen vader en deze moeder den
strijd om het hart van dit zevenjarig kind.
Nog bleef Reijkman hopen dat de overwinning aan zijn zijde verblijven
zou. Nora was leugenachtig en vol listen en streken, maar er was toch
ook veel goeds in haar verwilderd hartje; er woonden naast verkeerde
gedachten ook betere wenschen en edeler verlangens; met Edith tot
voorbeeld en onder ernstige leiding kon er nog iets liefs van haar
komen....
O, als hij de vrouw, die hem zijn geluk en zijn vrijheid had ontroofd,
nu ook nog de ziel van zijn kind moest afstaan, dat zou te veel zijn!
En hij worstelde om Nora’s behoud met de volharding van een man, met
het geduld eener vrouw.
Toch zou hij het moeten opgeven.
’t Was in de plotseling gevallen schemering van een druiligen namiddag,
dat Henri de beide meisjes zocht om met haar het gewone leeruurtje te
beginnen.
Te vergeefs liep hij de vóór- en achter- en binnengalerij door, en
juist wilde hij Arsan roepen om ze in den tuin te gaan halen, toen hij
achter het groote schutsel in de slaapkamer eenig gerucht vernam.
Hij had in den laatsten tijd meer dan eens opgemerkt dat er in Nora’s
zijn iets geheimzinnigs stak; telkens als hij haar onverwacht naderde,
schrikte ze op en voortdurend had ze Edith dingen meê te deelen die
papa niet hooren mocht....
Zonder bepaald kwade vermoedens te koesteren, verontrustte hem dit en
daarom bleef hij nu ook achter het scherm staan, in de hoop van
onopgemerkt getuige te zijn van het gesprek.
In de halve duisternis kwam het fijne, edele gezichtje van Edith, met
de lange blonde krullen omkranst, teekenachtig uit tegen Nora’s
donkergelokt kopje en haar groote fonkelende oogen. Er lag in het
gelaat van het oudere zusje nieuwsgierigheid, maar een zekere angst en
afschuw tevens, terwijl Nora de gloeiende wang tegen de hare drukte en
fluisterde, fluisterde....
Daar trof een woord het oor van den vader, een woord dat nimmer moest
worden uitgesproken door reine kinderlippen, een woord waarvan de
beteekenis geen kind mocht geopenbaard zijn....
Verschrikt, ontroerd trad hij terug; nooit was hem de zonde zoo
afschuwelijk voorgekomen, als nu zij den mond van zijn kind tot tolk
had gekozen...
Een oogenblik nog zag hij het roerloos aan hoe de kleine demon zich
heenboog over het blonde zusje, gereed om haar de gemaakte ontdekking
mede te deelen, toen greep hij Nora bij de schouders en sleurde ze ver
weg, als ware ze een venijnig insekt geweest....
De innige vertrouwelijkheid die eertijds tusschen Onno en zijn vriend
bestond, had sinds eenigen tijd plaats gemaakt voor een veel koeler
verhouding; daarom durfde Onno niet vragen toen hij Reijkman stiller
vond dan gewoonlijk; daarom bleef hij zwijgen ook toen hij zag hoe Nora
verbannen werd uit de tegenwoordigheid haars vaders, terwijl het Edith
ten strengste verboden was in de vertrekken van Marie te komen. Eerst
toen Reijkman sprak van een reis naar Soerabaia, vroeg hij of het voor
particuliere zaken was.
„Ja,” sprak Reijkman, „voor particuliere zaken maar... vraag niet
verder, Onno!”
Toen hij terugkwam, stond Edith hem van verre toe te wuiven; geheel
haar lief gezichtje straalde van vreugde en nog vóór hij het huis had
betreden, vloog ze hem in de armen.
„Papa, waarom zijt u zoo lang weggebleven? U weet immers, dat ik niet
zonder u kan?... En—kunt u dan zonder mij? Zeg paatje, kunt u zonder uw
kleine Edith?”
Op eens zag Edith haar vader doodsbleek worden, wankelen... ze riep oom
Onno, en toen deze zijn vriend ter hulp snelde, vernam hij een dof
snikken, een onsamenhangend gefluister: „Ze moet weg.... mijn
lieveling! Naar Europa! Alles is reeds bepaald... over vier weken....
God helpe me!”