IV.

Midden tusschen de gezonde jongens en aardige meisjes, die ons huis

vervullen met hun luidruchtige vroolijkheid, midden tusschen de

goudgelokte, roodwangige cherubijnen, treft ons somtijds een zacht,

bleek gezichtje, waaruit twee groote oogen ons aanstaren vol peinzenden

ernst. Ze is niet de voorspoedigste, niet de gezondste geweest onzer

kleinen. Niet half zoo grappig en schalksch als klein zusje, ook niet

zoo flink en vlug als de broers, merken vreemden haar ter nauwernood op

en wordt er weinig eer met haar ingelegd, wanneer er bezoek komt;

toch—is ze de ouders liever dan een der anderen.

Als papa haar naam noemt, verzacht zich zijn stem; als mama’s oog op

haar rusten blijft, is het met onuitsprekelijke teederheid; soms, als

de heerlijke starren zoo geheimnisvol schitteren in het bleek

gezichtje, zoeken vader en moeder elkaars oogen en lezen ze in elkaars

bezorgden blik de verzuchting, die geen van beiden durft uitspreken:

„Als we haar maar behouden mogen!”

Ze hebben haar lachend „klein moedertje” genoemd en ze is trotsch op

dien naam. Wanneer mama uitgaat, tracht zij den vrede te bewaren onder

het jonge volkje en het is vreemd hoe gaarne de wilde jongens naar haar

luisteren, de kleintjes bij haar troost komen zoeken; wanneer er zorg

woont in huis, weet de moeder het reeds, van wie de zachte voetstap is,

die telkens weder gehoord wordt in de ziekenkamer, weet ze het wie die

bloemen binnenbracht, wie die kleine oplettendheden heeft gehad; als er

een feestje gevierd wordt, is het datzelfde vriendelijk handje,

datzelfde lief stemmetje, dat niemand vergeet en allen tot blijdschap

stemt.

Met haar droomerigen blik ziet ze half verlangend, half angstig de

wijde wereld in; soms is het of haar fijn besnaard gemoed ineenkrimpt

bij al de harde en treurige waarheden, die ze er langzamerhand ontdekt;

haar opmerkingen brengen ouderen en wijzeren in verwarring; en nu en

dan moeten de ouders het antwoord schuldig blijven op haar vragen.

Zelve heeft ze nog geen smart gekend; maar toch kan ze reeds mede

gevoelen met hen die lijden; ze weet nog niets van den weemoed die er

ligt op den bodem van het menschenhart; maar toch—ze verstaat reeds

menschenharten—of ten minste de kunst om tot hen te spreken.

Van een bewolkt voorhoofd kust ze met haar reine lippen de rimpels weg;

brandende tranen droogt ze met haar zijden krullen; een verbitterd

gemoed brengt ze tot kalmte door haar schuldeloos gekeuvel, haar

blijden glimlach; een gelaat, door de zonde misvormd, moge zich vol

schaamte afwenden van het hare, met smachtend verlangen vraagt het om

een der goddelijke vonken, die daar glinsteren in die heerlijke oogen.

De heilige taak, waarvoor anderen een geheel leven behoeven, vervult

zij in de weinige jaren die haar geschonken worden, want—helaas! ze

toeven niet lang in ons midden, die vriendelijke afgezanten uit

gelukkiger oorden.

Nog luisteren we naar de zilveren klanken der lieve stem als reeds het

wiekgeklep wordt vernomen van de serafs, die het schoone zieltje komen

ontvoeren; nog drukken we het blonde hoofd aan onze borst, als reeds

een aureool het komt omkransen; nog staren we, vol verrukking, in de

oogen wier glans niet van deze aarde is, als het duister rondom ons

wordt en droevig en ledig.... dan vallen we op het aangezicht en

schreien ten hemel: „Heer, we hebben een engel geherbergd!”

Zulk een engel stond aan de zijde van Henri Reijkman in de bange uren

van zijn terugkeer tot het leven; zulk een engel werd hem zijn

aangebeden oudste, zijn zachte Edith.

Hoewel langzaam, zoo onmerkbaar langzaam soms, dat zijn vrienden de

hoop opgaven—hij herstelde: het vergif had vreeselijke verwoestingen

aangericht, maar het krachtig lichaam behaalde de overwinning.

Toen er niet meer getwijfeld behoefde te worden aan zijn behoud braken

voor dokter Banck moeilijke oogenblikken aan.

„Niet waar, dokter?” vroegen hem de dames, die een onbepaald vertrouwen

stelden in hun kundigen geneesheer, „niet waar, het zijn praatjes, dat

Reijkman beterend zou wezen? U hebt gezegd dat hij sterven moet en u

gelooven wij.”

„Rira bien qui rira le dernier,” sprak de specialiteit in leverziekten,

„ik werd zoo uitgelachen, toen ik beweerde dat het de lever en niets

dan de lever was.... nu ziet u eens!”

„’t Schijnt, collega, dat ik den bal niet zoo ver missloeg,” sprak de

dokter van Soerabaia, die, driemaal in consult geroepen, driemaal

beweerd had dat het wel slijten zou.

Dokter Banck zweeg, wat hem niet weinig kostte; bleef zwijgen, ook toen

zijn goede kennissen hem lachend op den schouder tikten en vroegen of

het haast geen tijd werd om Reijkman te gaan begraven.

Maar toen zijn eigen vrouw, de bezitster van het vriendelijkste der

vriendelijke gezichtjes, die hem hadden toegelachen bij zijn verblijf

in Holland, toen zelfs zijn eigen vrouw meende te moeten opmerken: „Wat

is dat jammer, ventje, dat je je zoo vergist hebt in die ziekte van

Reijkman,” toen werd het hem te kras; hij zweeg niet meer, maar raasde

en tierde tegen de zwarte dierages in het algemeen en het zwart

dierage, genaamd Maria Magdalena, in het bijzonder.

Maar al deze speldeprikken, hoe pijnlijk ook, waren niets vergeleken

bij den degenstoot, die het hart van den goeden man doorboorde, toen

hij op zekeren middag bij zijn patiënt zat.

„Vrij van pijn en benauwdheid,” had Henri verklaard.

„En de koorts drie dagen achtereen geheel weggebleven,” zei de dokter

vroolijk, „nu nog maar flink versterken en alles is in orde.”

„Dokter,” begon Reijkman nu met iets gejaagds in stem en gelaat, „ik

had een verzoek aan u. Ik heb Onno reeds herhaaldelijk hetzelfde

gevraagd, maar het schijnt wel of hij me niet begrijpt. Dat is de

reden, waarom ik u er mee lastig val.”

„Zeg maar wat je op het hart hebt, Reijkman.”

„’t Is met het oog op mijn spoedig herstel; ik geloof niet dat ik gauw

beter zal worden, als dat mensch hier blijft....”

„Welk mensch?”

„Mijn ménagère! Neen, u behoeft niet zoo verwonderd te kijken, dokter;

ze hindert me! U moogt het den gril van een zieke noemen—misschien is

het dat!—maar ik zou veel eer beter zijn, als zij niet zoo altijd om en

bij me was. Dat valsche gezicht met die loerende oogen is me een

ergernis; het agiteert me, het maakt me zenuwachtig....”

Dokter Banck ziet den zieke ontsteld aan; hij weet niet wat te

antwoorden. Eindelijk stamelt hij: „Ik geloof, Reijkman.... ik geloof

toch, dat je de koorts hebt....”

„En u hebt daareven zelf geconstateerd, dat de koorts sinds drie dagen

niet is teruggekomen....? Neen, dokter, het is geen koortsachtige

opgewondenheid, die me tot het doen van die vraag brengt! Het is niet

sinds vandaag of gister, dat de gedachte in me opkwam me van dat

gluiperig schepsel te ontdoen. Meer nog dan de noodzakelijkheid van de

kinderen weg te brengen, was het de wensch om van Marie los te komen,

die me dreef naar Europa.”

„Maar dat alles is nu immers veranderd....”

„Ja, dat weet ik: er kan van die reis vooreerst niets komen. Maar ik

zie daarin geen reden om iemand bij me te houden, wier tegenwoordigheid

me hatelijk is.”

„Reijkman....! Je herinnert je toch....?”

„Wat?” vraagt de zieke, met den doodelijksten angst in zijn gespannen

trekken, „wat zou ik me herinneren?”

Maar de dokter wendt haastig het hoofd af en blijft zwijgen. De man was

immers half bewusteloos, toen hij het ja uitsprak, waardoor zijn leven

gered, maar ook voor altijd van vreugd en geluk beroofd moest worden.

Weinige uren na die laatste inspanning lag hij in heete koortsen....

Niemand roerde, sedert hij weer bij kennis was, het pijnlijk onderwerp

aan.... Zelfs Onno heeft het niet gewaagd er ook maar uit de verte op

te zinspelen.... De hemel weet of hij zich de treurige waarheid bewust

is....

„Eén ding, Reijkman,” zegt de dokter eindelijk, „leg je hier nu niet

noodeloos op te winden en wacht tot je geheel hersteld zijt, met je

over die dingen moeilijk te maken.”

„Ja,” zegt de patiënt volgzaam, „dat was ook eerst mijn voornemen,

maar.... het wordt me met elken dag, met elk uur moeilijker! Ze is ook

zoo hatelijk geworden in den laatsten tijd. Ze neemt airs aan, alsof ze

de vrouw des huizes was....” en weer ziet Reijkman zijn geneesheer aan,

met dat angstig vragende in den blik.

„Adieu, Reijkman; mijn zieken wachten me.”

Als Onno hem ontmoet in de galerij en angstig vraagt of Reijkman erger

is, ontvangt hij tot eenig antwoord den kreet: „Hadt je mijn raad

gevolgd, Onno! Hadt je hem stil laten sterven!”

Onmiddellijk begeeft de trouwe vriend zich naar de ziekenkamer.

Schijnbaar vroolijk informeert hij naar den toestand van den nu zoo

ongeduldigen lijder.

„Ik wou dat je eens rustig bij me kondt komen zitten, Onno; niet in

zoo’n haast alsof je geen oogenblikje missen kunt! Neen, wat

dichterbij! Het spreken valt me moeilijk; die schorheid gaat nog maar

altijd niet over.... Nu is het goed, nu kan ik je in het gezicht zien

en nu zul je me ook eindelijk antwoorden op de vraag, die ik je te doen

heb.—Onno, je herinnert je zekere periode in mijn ziekte, toen de

krampen en benauwdheden ophielden, maar die vreeselijke ijlende koorts

me niet verlaten wilde?....”

„Ja, zeker herinner ik me dat.”

„Welnu. Uit dien tijd van waanzin en visioenen is me één tooneel

bijgebleven. Al de andere akeligheden, al de dwaze en vreeselijke

gezichten zijn, tegelijk met de koorts, verdwenen, maar dit eene staat

me nog altijd voor den geest. Zonderling! al deze lange weken is het me

bijgebleven, zelfs in mijn half bewusteloozen toestand.... Ik kan het

niet vergeten....!”

„En.... wat is het? Een droom?”

Met groote krachtsinspanning, met doodsbleeke lippen begint Henri zijn

verhaal.

„Er rolden rijtuigen.... het deed me vreeselijk pijn in mijn hoofd;

toen kwamen er menschen rondom mijn bed staan, met zwarte rokken en

witte dassen.... de assistent-resident was er, en de dokter en jijzelf,

en de geëmployeerden.... ze waren gekomen om me te begraven, geloof

ik.... maar op eens zag ik Marie binnenkomen en.... een dwaas idée,

niet waar? toen ze begrepen dat ik nog niet begraven behoefde te

worden, vroegen ze me of ik dan met Marie trouwen wilde; zeker”—dit met

een akeligen, schorren lach—„omdat ze hun zwarte rokken niet voor niets

wilden aantrekken....”

Een ijskoude rilling is den vriend door de leden gevaren. Zijn stem

beeft als hij vraagt: „Weet je nog wat je geantwoord hebt, Henri?”

„Neen, dat weet ik niet,” zegt deze met een mislukte poging om

onbezorgd te spreken. „Neen, dat weet ik niet. Maar dat doet ook niets

ter zake, niet waar?.... ’t Was toch maar een droom, een visioen! Ha!

ha! men kan toch op vreemde denkbeelden komen in zoo’n ijlende koorts!

Goddank dat het geen waarheid was!... Onno, waarom antwoord je niet?

Zeg dan toch ook, dat het alles onzin, alles begoocheling geweest

is.... God! Ik heb het gedroomd, niet waar? Gedroomd? Gedroomd?”

Hij heeft in doodsangst de handen van zijn vriend gegrepen; hij staart

hem in ’t gelaat en—leest zijn vonnis....

„Henri! Vergeving!... Ik heb haar tot je vrouw gemaakt! Ik kon, ik

mocht niet anders!”

„Haar?.... Marie?.... Tot mijn vrouw?.... Haar?!”

„Neen, neen! zeg dat niet zóó! Zie me zóó niet aan! Dàt heb ik niet

verdiend! Henri, geloof je, dat ik je liefheb?... Ik mocht niet anders

doen. Ik dacht dat je stervend waart. Ik wist dat je voor je kinderen

een wettige moeder wenschte, ik meende in je geest te handelen...”

„Door me te binden, voor eeuwig te binden aan dat schepsel, dat ik

haat... dat ik verfoei....? Stil, spreek niet meer tegen me; ik

gevoel... ik gevoel dat ik sterk genoeg zou zijn om een moord te

begaan...”

„O, Henri, vergeving!”

„Nooit! Vloek over je! Vloek! Vloek!....”

Als door een knodsslag getroffen, zoo wankelt Onno naar de deur; een

blinde gelijk tast hij naar den knop... hij staat buiten in den

vroolijken zonneschijn. Daar hoort hij een kinderstem. Edith nadert,

zij slaat de armpjes om zijn hals; ze vraagt, wat hem deert.... O, het

doet onuitsprekelijk goed die zachte vriendelijkheid van het lieve

kind, maar er is een ander die troost behoeft.

„Papa is ook bedroefd,” fluistert hij.

Het kind heeft geen andere aanmaning noodig; vlug trippelen de kleine

voetjes over den marmeren vloer en weldra nemen fijne, rooskleurige

vingeren de handen weg, die in doodsangst geslagen werden voor het

verwrongen gelaat; weldra ruischt een liefelijk stemmetje door het

vertrek, waarin straks vervloekingen weerklonken, en weldra ligt Henri

Reijkman te weenen als een kind op het blonde hoofd, dat zich nestelde

aan zijn borst.

Indische Huwelijken · 第 22 / 27 题