Midden tusschen de gezonde jongens en aardige meisjes, die ons huis
vervullen met hun luidruchtige vroolijkheid, midden tusschen de
goudgelokte, roodwangige cherubijnen, treft ons somtijds een zacht,
bleek gezichtje, waaruit twee groote oogen ons aanstaren vol peinzenden
ernst. Ze is niet de voorspoedigste, niet de gezondste geweest onzer
kleinen. Niet half zoo grappig en schalksch als klein zusje, ook niet
zoo flink en vlug als de broers, merken vreemden haar ter nauwernood op
en wordt er weinig eer met haar ingelegd, wanneer er bezoek komt;
toch—is ze de ouders liever dan een der anderen.
Als papa haar naam noemt, verzacht zich zijn stem; als mama’s oog op
haar rusten blijft, is het met onuitsprekelijke teederheid; soms, als
de heerlijke starren zoo geheimnisvol schitteren in het bleek
gezichtje, zoeken vader en moeder elkaars oogen en lezen ze in elkaars
bezorgden blik de verzuchting, die geen van beiden durft uitspreken:
„Als we haar maar behouden mogen!”
Ze hebben haar lachend „klein moedertje” genoemd en ze is trotsch op
dien naam. Wanneer mama uitgaat, tracht zij den vrede te bewaren onder
het jonge volkje en het is vreemd hoe gaarne de wilde jongens naar haar
luisteren, de kleintjes bij haar troost komen zoeken; wanneer er zorg
woont in huis, weet de moeder het reeds, van wie de zachte voetstap is,
die telkens weder gehoord wordt in de ziekenkamer, weet ze het wie die
bloemen binnenbracht, wie die kleine oplettendheden heeft gehad; als er
een feestje gevierd wordt, is het datzelfde vriendelijk handje,
datzelfde lief stemmetje, dat niemand vergeet en allen tot blijdschap
stemt.
Met haar droomerigen blik ziet ze half verlangend, half angstig de
wijde wereld in; soms is het of haar fijn besnaard gemoed ineenkrimpt
bij al de harde en treurige waarheden, die ze er langzamerhand ontdekt;
haar opmerkingen brengen ouderen en wijzeren in verwarring; en nu en
dan moeten de ouders het antwoord schuldig blijven op haar vragen.
Zelve heeft ze nog geen smart gekend; maar toch kan ze reeds mede
gevoelen met hen die lijden; ze weet nog niets van den weemoed die er
ligt op den bodem van het menschenhart; maar toch—ze verstaat reeds
menschenharten—of ten minste de kunst om tot hen te spreken.
Van een bewolkt voorhoofd kust ze met haar reine lippen de rimpels weg;
brandende tranen droogt ze met haar zijden krullen; een verbitterd
gemoed brengt ze tot kalmte door haar schuldeloos gekeuvel, haar
blijden glimlach; een gelaat, door de zonde misvormd, moge zich vol
schaamte afwenden van het hare, met smachtend verlangen vraagt het om
een der goddelijke vonken, die daar glinsteren in die heerlijke oogen.
De heilige taak, waarvoor anderen een geheel leven behoeven, vervult
zij in de weinige jaren die haar geschonken worden, want—helaas! ze
toeven niet lang in ons midden, die vriendelijke afgezanten uit
gelukkiger oorden.
Nog luisteren we naar de zilveren klanken der lieve stem als reeds het
wiekgeklep wordt vernomen van de serafs, die het schoone zieltje komen
ontvoeren; nog drukken we het blonde hoofd aan onze borst, als reeds
een aureool het komt omkransen; nog staren we, vol verrukking, in de
oogen wier glans niet van deze aarde is, als het duister rondom ons
wordt en droevig en ledig.... dan vallen we op het aangezicht en
schreien ten hemel: „Heer, we hebben een engel geherbergd!”
Zulk een engel stond aan de zijde van Henri Reijkman in de bange uren
van zijn terugkeer tot het leven; zulk een engel werd hem zijn
aangebeden oudste, zijn zachte Edith.
Hoewel langzaam, zoo onmerkbaar langzaam soms, dat zijn vrienden de
hoop opgaven—hij herstelde: het vergif had vreeselijke verwoestingen
aangericht, maar het krachtig lichaam behaalde de overwinning.
Toen er niet meer getwijfeld behoefde te worden aan zijn behoud braken
voor dokter Banck moeilijke oogenblikken aan.
„Niet waar, dokter?” vroegen hem de dames, die een onbepaald vertrouwen
stelden in hun kundigen geneesheer, „niet waar, het zijn praatjes, dat
Reijkman beterend zou wezen? U hebt gezegd dat hij sterven moet en u
gelooven wij.”
„Rira bien qui rira le dernier,” sprak de specialiteit in leverziekten,
„ik werd zoo uitgelachen, toen ik beweerde dat het de lever en niets
dan de lever was.... nu ziet u eens!”
„’t Schijnt, collega, dat ik den bal niet zoo ver missloeg,” sprak de
dokter van Soerabaia, die, driemaal in consult geroepen, driemaal
beweerd had dat het wel slijten zou.
Dokter Banck zweeg, wat hem niet weinig kostte; bleef zwijgen, ook toen
zijn goede kennissen hem lachend op den schouder tikten en vroegen of
het haast geen tijd werd om Reijkman te gaan begraven.
Maar toen zijn eigen vrouw, de bezitster van het vriendelijkste der
vriendelijke gezichtjes, die hem hadden toegelachen bij zijn verblijf
in Holland, toen zelfs zijn eigen vrouw meende te moeten opmerken: „Wat
is dat jammer, ventje, dat je je zoo vergist hebt in die ziekte van
Reijkman,” toen werd het hem te kras; hij zweeg niet meer, maar raasde
en tierde tegen de zwarte dierages in het algemeen en het zwart
dierage, genaamd Maria Magdalena, in het bijzonder.
Maar al deze speldeprikken, hoe pijnlijk ook, waren niets vergeleken
bij den degenstoot, die het hart van den goeden man doorboorde, toen
hij op zekeren middag bij zijn patiënt zat.
„Vrij van pijn en benauwdheid,” had Henri verklaard.
„En de koorts drie dagen achtereen geheel weggebleven,” zei de dokter
vroolijk, „nu nog maar flink versterken en alles is in orde.”
„Dokter,” begon Reijkman nu met iets gejaagds in stem en gelaat, „ik
had een verzoek aan u. Ik heb Onno reeds herhaaldelijk hetzelfde
gevraagd, maar het schijnt wel of hij me niet begrijpt. Dat is de
reden, waarom ik u er mee lastig val.”
„Zeg maar wat je op het hart hebt, Reijkman.”
„’t Is met het oog op mijn spoedig herstel; ik geloof niet dat ik gauw
beter zal worden, als dat mensch hier blijft....”
„Welk mensch?”
„Mijn ménagère! Neen, u behoeft niet zoo verwonderd te kijken, dokter;
ze hindert me! U moogt het den gril van een zieke noemen—misschien is
het dat!—maar ik zou veel eer beter zijn, als zij niet zoo altijd om en
bij me was. Dat valsche gezicht met die loerende oogen is me een
ergernis; het agiteert me, het maakt me zenuwachtig....”
Dokter Banck ziet den zieke ontsteld aan; hij weet niet wat te
antwoorden. Eindelijk stamelt hij: „Ik geloof, Reijkman.... ik geloof
toch, dat je de koorts hebt....”
„En u hebt daareven zelf geconstateerd, dat de koorts sinds drie dagen
niet is teruggekomen....? Neen, dokter, het is geen koortsachtige
opgewondenheid, die me tot het doen van die vraag brengt! Het is niet
sinds vandaag of gister, dat de gedachte in me opkwam me van dat
gluiperig schepsel te ontdoen. Meer nog dan de noodzakelijkheid van de
kinderen weg te brengen, was het de wensch om van Marie los te komen,
die me dreef naar Europa.”
„Maar dat alles is nu immers veranderd....”
„Ja, dat weet ik: er kan van die reis vooreerst niets komen. Maar ik
zie daarin geen reden om iemand bij me te houden, wier tegenwoordigheid
me hatelijk is.”
„Reijkman....! Je herinnert je toch....?”
„Wat?” vraagt de zieke, met den doodelijksten angst in zijn gespannen
trekken, „wat zou ik me herinneren?”
Maar de dokter wendt haastig het hoofd af en blijft zwijgen. De man was
immers half bewusteloos, toen hij het ja uitsprak, waardoor zijn leven
gered, maar ook voor altijd van vreugd en geluk beroofd moest worden.
Weinige uren na die laatste inspanning lag hij in heete koortsen....
Niemand roerde, sedert hij weer bij kennis was, het pijnlijk onderwerp
aan.... Zelfs Onno heeft het niet gewaagd er ook maar uit de verte op
te zinspelen.... De hemel weet of hij zich de treurige waarheid bewust
is....
„Eén ding, Reijkman,” zegt de dokter eindelijk, „leg je hier nu niet
noodeloos op te winden en wacht tot je geheel hersteld zijt, met je
over die dingen moeilijk te maken.”
„Ja,” zegt de patiënt volgzaam, „dat was ook eerst mijn voornemen,
maar.... het wordt me met elken dag, met elk uur moeilijker! Ze is ook
zoo hatelijk geworden in den laatsten tijd. Ze neemt airs aan, alsof ze
de vrouw des huizes was....” en weer ziet Reijkman zijn geneesheer aan,
met dat angstig vragende in den blik.
„Adieu, Reijkman; mijn zieken wachten me.”
Als Onno hem ontmoet in de galerij en angstig vraagt of Reijkman erger
is, ontvangt hij tot eenig antwoord den kreet: „Hadt je mijn raad
gevolgd, Onno! Hadt je hem stil laten sterven!”
Onmiddellijk begeeft de trouwe vriend zich naar de ziekenkamer.
Schijnbaar vroolijk informeert hij naar den toestand van den nu zoo
ongeduldigen lijder.
„Ik wou dat je eens rustig bij me kondt komen zitten, Onno; niet in
zoo’n haast alsof je geen oogenblikje missen kunt! Neen, wat
dichterbij! Het spreken valt me moeilijk; die schorheid gaat nog maar
altijd niet over.... Nu is het goed, nu kan ik je in het gezicht zien
en nu zul je me ook eindelijk antwoorden op de vraag, die ik je te doen
heb.—Onno, je herinnert je zekere periode in mijn ziekte, toen de
krampen en benauwdheden ophielden, maar die vreeselijke ijlende koorts
me niet verlaten wilde?....”
„Ja, zeker herinner ik me dat.”
„Welnu. Uit dien tijd van waanzin en visioenen is me één tooneel
bijgebleven. Al de andere akeligheden, al de dwaze en vreeselijke
gezichten zijn, tegelijk met de koorts, verdwenen, maar dit eene staat
me nog altijd voor den geest. Zonderling! al deze lange weken is het me
bijgebleven, zelfs in mijn half bewusteloozen toestand.... Ik kan het
niet vergeten....!”
„En.... wat is het? Een droom?”
Met groote krachtsinspanning, met doodsbleeke lippen begint Henri zijn
verhaal.
„Er rolden rijtuigen.... het deed me vreeselijk pijn in mijn hoofd;
toen kwamen er menschen rondom mijn bed staan, met zwarte rokken en
witte dassen.... de assistent-resident was er, en de dokter en jijzelf,
en de geëmployeerden.... ze waren gekomen om me te begraven, geloof
ik.... maar op eens zag ik Marie binnenkomen en.... een dwaas idée,
niet waar? toen ze begrepen dat ik nog niet begraven behoefde te
worden, vroegen ze me of ik dan met Marie trouwen wilde; zeker”—dit met
een akeligen, schorren lach—„omdat ze hun zwarte rokken niet voor niets
wilden aantrekken....”
Een ijskoude rilling is den vriend door de leden gevaren. Zijn stem
beeft als hij vraagt: „Weet je nog wat je geantwoord hebt, Henri?”
„Neen, dat weet ik niet,” zegt deze met een mislukte poging om
onbezorgd te spreken. „Neen, dat weet ik niet. Maar dat doet ook niets
ter zake, niet waar?.... ’t Was toch maar een droom, een visioen! Ha!
ha! men kan toch op vreemde denkbeelden komen in zoo’n ijlende koorts!
Goddank dat het geen waarheid was!... Onno, waarom antwoord je niet?
Zeg dan toch ook, dat het alles onzin, alles begoocheling geweest
is.... God! Ik heb het gedroomd, niet waar? Gedroomd? Gedroomd?”
Hij heeft in doodsangst de handen van zijn vriend gegrepen; hij staart
hem in ’t gelaat en—leest zijn vonnis....
„Henri! Vergeving!... Ik heb haar tot je vrouw gemaakt! Ik kon, ik
mocht niet anders!”
„Haar?.... Marie?.... Tot mijn vrouw?.... Haar?!”
„Neen, neen! zeg dat niet zóó! Zie me zóó niet aan! Dàt heb ik niet
verdiend! Henri, geloof je, dat ik je liefheb?... Ik mocht niet anders
doen. Ik dacht dat je stervend waart. Ik wist dat je voor je kinderen
een wettige moeder wenschte, ik meende in je geest te handelen...”
„Door me te binden, voor eeuwig te binden aan dat schepsel, dat ik
haat... dat ik verfoei....? Stil, spreek niet meer tegen me; ik
gevoel... ik gevoel dat ik sterk genoeg zou zijn om een moord te
begaan...”
„O, Henri, vergeving!”
„Nooit! Vloek over je! Vloek! Vloek!....”
Als door een knodsslag getroffen, zoo wankelt Onno naar de deur; een
blinde gelijk tast hij naar den knop... hij staat buiten in den
vroolijken zonneschijn. Daar hoort hij een kinderstem. Edith nadert,
zij slaat de armpjes om zijn hals; ze vraagt, wat hem deert.... O, het
doet onuitsprekelijk goed die zachte vriendelijkheid van het lieve
kind, maar er is een ander die troost behoeft.
„Papa is ook bedroefd,” fluistert hij.
Het kind heeft geen andere aanmaning noodig; vlug trippelen de kleine
voetjes over den marmeren vloer en weldra nemen fijne, rooskleurige
vingeren de handen weg, die in doodsangst geslagen werden voor het
verwrongen gelaat; weldra ruischt een liefelijk stemmetje door het
vertrek, waarin straks vervloekingen weerklonken, en weldra ligt Henri
Reijkman te weenen als een kind op het blonde hoofd, dat zich nestelde
aan zijn borst.