Hij vindt het niet want op dit oogenblik ligt het op de tafel waaraan
dokter Banck is gezeten tegenover Onno.
„Hoe hebt u het ontdekt?” vraagt de dokter.
Onno strijkt met de hand over het voorhoofd als om orde te brengen in
zijn verward brein.
„Het is me nu,” begint hij eindelijk, „of ik het altijd geweten heb,
altijd. Ik heb die vrouw gehaat van het oogenblik dat ze in zijn huis
kwam; ik heb haar altijd gewantrouwd en op den morgen toen hij den
eersten aanval kreeg, nu vier maanden geleden, toen wist ik het.... Ik
wist het, en ik wist ook dat hij gered zou zijn, als ik hem aan haar
macht kon onttrekken; ik heb alles beproefd om hem uit het huis te
krijgen.... u weet hoe mijn plannen verijdeld werden!
„Het eenige wat ik doen kon was hem te bewaken. Ik heb vier weken aan
zijn bed gezeten.... wat ik in dien tijd niet heb uitgedacht om haar te
betrappen! Maar ze was listiger dan ik! En dan—ik kon niet altijd
waken.... Eens ben ik vier dagen en vier nachten achtereen wakker
gebleven; hij begon reeds te beteren———ik viel in slaap; toen ik
ontwaakte lag hij in een vreeselijk toeval.”
„Hoe hebt u eindelijk de zekerheid verkregen?”
„Ik bespiedde al haar gangen, en werd daarin bijgestaan door Arsan,
Reijkman’s lijfjongen, die mijn vermoeden deelde. Hij had opgemerkt,
dat ze soms ’s avonds, als het heette dat ze een wandeling ging maken,
samenkomsten had met haar broeder, en—dat altijd na de bezoeken bij
dien broeder een instorting volgde.... En nog kon ik niets bewijzen! O,
God alleen weet wat ik heb uitgestaan, hoe het me tot razernij bracht,
hoe ik soms, als ze naar binnen sloop en zich over mijn armen vriend
heenboog, me geweld moest aandoen om haar niet aan te grijpen en te
verwurgen.
„Eindelijk besloot ik tot een laatste wanhopige daad: ik liet Henri met
haar alleen. Ik nam den schijn aan alsof zaken mij naar Passoeroean
riepen, maar bleef in den omtrek. Drie dagen heb ik, als inlander
verkleed, tevergeefs rondom Bastoort’s huis gezworven.... Eindelijk,
gisteravond, daar kwam Marie.... Ze spraken lang samen, ze scheidden
met hooge woorden; ik wachtte. Tegen den nacht ging Bastoort uit en
toen hij het vergif gevonden had....”
„U weet zeker, dat het vergif is?”
„Ik heb een vierde gedeelte van wat hier ligt voor mijn hond gekookt;
hij was binnen het uur dood.”
Er volgt een lange stilte.
„Welke reden had ze om zich op hem te wreken?” vraagt dokter Banck
eindelijk.
„Ze schijnt er op gerekend te hebben dat hij haar trouwen zou; zijn
vertrek naar Europa maakte dit onmogelijk en....”
„Dus het gewone geval.”
„Hadt u vermoedens?”
„Ik heb altijd vermoedens, waar een ménagère is. U weet hoe ik reeds
lang geleden ophield hem medicijnen te geven. We hebben geen middelen
tegen het vergif van den inlander. Zelfs geen tegengif!”
„Geen tegengif....? Dus moet hij sterven....? Dus moet ik hem voor mijn
oogen zien vermoorden?” roept Onno in vreeselijken zielsangst.
„Laat het u tot troost zijn dat zijn lijden kort zal wezen; hoogstens
vier, vijf dagen!”
„O Henri! Mijn vriend.... mijn weldoener!”
De dokter keert zich haastig af; hij heeft veel geleerd in zijn
dertigjarige praktijk,—niet om een man te zien weenen.
„Vous l’avez voulu, George Dandin,” roept hij nu op eens met luider
stem. „Vous l’avez voulu,” herhaalt hij nogmaals met de heftigheid van
iemand, die zich zoekt te verzetten tegen een hem overmeesterend
gevoel; „men moest geen medelijden hebben met Europeanen, die door hun
huishoudsters vergiftigd worden, men moest niets anders zeggen dan:
„Mijnheer, u hebt het gewild!””
„Dat kan u geen ernst zijn, dokter! U weet zoo goed als ik dat de
omstandigheden dikwerf dwingen tot die leefwijze.”
„Wis en waarachtig is het me ernst, mijnheer,” roept Banck, zich meer
en meer opwindende. „Waarom trouwen ze niet, dat vraag ik u? Zijn er
geen meisjes genoeg misschien? Ik zal u eens iets zeggen, mijnheer. Ik
heb nooit geweten hoe jongelui, die huishoudsters nemen, zich
bezondigen vóór ik met verlof ging en in Holland al die lieve, aardige
deerntjes zag—heele rijen, mijnheer, halve dozijnen in één huis,
mijnheer, die zich zaten te verkniezen in een stil dorpje, die in een
vervelend landstadje haar eentonig bestaan voortsleepten, en niets
liever zouden gewenscht hebben dan brave vrouwen en zorgzame moeders te
worden; lieve, verstandige meisjes, mijnheer, enkelen zelfs met een
aardig stuivertje, die den hemel zouden danken als er een fatsoenlijk
man uit Indië om haar kwam. Waarachtig, als je daar eens rondkijkt en
al die vriendelijke gezichtjes lachen je toe, dan spijt het je dat een
mensch maar één vrouw tegelijk mag nemen. Ik houd vol, een man, die
ongetrouwd van verlof terugkomt, is een wreedaard, wat zeg ik, een
monster van wreedaardigheid!”
„U vergeet dat men een goed tractement moet hebben om hier een
Europeesche vrouw te kunnen onderhouden.”
„En zoo’n zwart dierage”—dit was de geliefkoosde uitdrukking van den
dokter waar het Oostersche schoonen gold—„en zoo’n zwart dierage dan?
Alsof die het geld niet met handen vol weggooiden! Alsof die zuinig en
overleggend en ijverig waren, zooals een flink Hollandsch wijfje? Maar
laat ons aannemen dat het kostbaarder is om getrouwd te leven, hoeveel
gelukkiger is het ook niet? En wat wacht den Europeaan hier in de
meeste gevallen als hij ongetrouwd blijft? Een eenzaam leven, zedelijke
achteruitgang, vaderzorgen zonder vadervreugd of vadertrots, schaamte
en onvoldaanheid; dikwerf de vrees, soms zelfs de zekerheid van
bedrogen te worden. En—als ze er het leven dan nog maar afbrachten!
Maar, mijnheer, als er eens een statistiek werd opgemaakt van de
heeren, die, na met een inlandsche vrouw te hebben geleefd, aan
onbekende oorzaken stierven, gelooft u niet dat men tot een vreeselijk
resultaat zou geraken?”
„Ik geloof het gaarne,” zegt Onno, die maar half geluisterd heeft,
„maar om op mijn vriend terug te komen....”
„Waartoe op hem terug te komen? Laat hem rustig sterven.... Hij heeft
immers zijn laatste beschikkingen gemaakt; alles is geregeld, niet
waar? Ik weet, het is hard.... maar er is geen.... ja, er is nog één
middel om hem te redden.”
„Één middel! O dokter, welk?”
De dokter bedenkt zich een oogenblik. Dan spreekt hij langzaam: „Haar
trouwen.”
„U bedoelt....?” vraagt Onno verbijsterd.
„Het schepsel trouwen! Vandaag nog! Morgen! Overmorgen is het misschien
te laat!”
„Haar trouwen? Marie trouwen? En waartoe?”
„Opdat ze hem tegengif ingeeft. Ik heb meer dan één op die manier zien
redden.”
„Maar.... Henri zou op die manier niet gered willen worden. Neen, hij
zou liever sterven, dan te leven, gekluisterd aan eene giftmengster!”
„Behoeft hij te weten dat ze eene giftmengster is? Hij vermoedt niets,
zegt u? Welnu? Is er geen enkele reden, waarom hij wenschen zou haar
vóór zijn dood tot zijn wettige vrouw te maken? Die twee lieve meisjes
zijn er immers? Wel, niets is gemakkelijker dan hem aan het verstand te
brengen, dat nu het oogenblik gekomen is om „de moeder zijner kinderen”
te réhabiliteeren. Ik heb hem—daar hij er op gesteld was, de volle
waarheid te weten—gezegd, dat hij niet veel meer dan een week te leven
heeft; laat hem haar trouwen om der wille zijner kinderen in de
overtuiging, dat hij het doet op zijn sterfbed—wat misschien zal
blijken waar te zijn, want hoogstwaarschijnlijk is hij reeds te ver
heen om nog te herstellen.”
„In Godsnaam.... Ik wil alles gedaan hebben.... Ik moet het onmogelijke
beproeven....”
Weinige dagen later, op een goddelijk schoonen ochtendstond, vol
zonneglansen en bloemengeuren, weerklonk in de plechtige stilte van den
morgen de vraag: „Henri Johan Reijkman, verklaart ge tot vrouw te nemen
Maria Magdalena, dochter van Albertus Bastoort en de Javaansche vrouw
Poengoet?”
En ter nauwernood verstaanbaar, schor en zwak was het antwoord: „Ja.”