II.

„Tot morgen!”

Als het morgen wordt, als de Ardjoeno uit de nevelen verrijst, gekleurd

met zachtblozende tinten, gehuld in zilverwitte wolken, ligt Henri

Reijkman ten prooi aan de vreeselijke toevallen die elken nieuwen

aanval zijner kwaal vergezellen....

De wagen wordt afgespannen en niemand spreekt nu van de reis naar

Malang, ieder denkt met huivering aan de groote reis, die hij weldra

zal aanvaarden.

Drie doctoren verschijnen beurtelings of gezamenlijk aan de

lijdenssponde; ze slaan de duldelooze pijnen, de heftige krampen gade

en geven verdoovende middelen; ze verbazen zich over een

lichaamskracht, die zoo lang weerstand biedt aan sluipkoortsen; ze

laten zich bedriegen door korte vleugjes van herstel, die ze voor

werkelijke beterschap houden; ze staan regelrecht tegenover elkaar in

hun opinie omtrent de ziekte en lachen grimmig over elkanders

vergissingen, maar eindelijk,—na vier weken weifelen en raden—zijn

allen het eens op één punt: er is geen hoop meer!

Edith en Nora, die eenmaal zoo gaarne vertoefden in papa’s kamer,

ontvluchten het kermen en steunen; jeugd kan zich niet verdragen met

lijden; de trouwe Arsan, uitgeput van vermoeienis, heeft verlof

gevraagd om in de kampong uit te rusten; Marie, bleek en vermagerd, met

holle oogen en akelig strakke trekken, spant haar laatste krachten in

om den zieke niet alleen te laten, maar wordt telkens half bewusteloos

weggedragen.

Alleen Onno zit nog op zijn oude plek; hij laat zich niet verdrijven.

Bij het krieken van den morgen, in de brandende middaghitte, onder het

vallen van de schemering, ja, in het holst van den nacht, gevoelt

Marie—wier zorg en waakzaamheid, volgens het algemeen oordeel,

voorbeeldig zijn—dat twee oogen, die steken als dolken, haar volgen

waarheen ze gaat; soms, als ze het waagt die oogen te ontmoeten, vaart

haar een koude rilling door de leden als bij naderend gevaar.

Enkele malen op het oogenblik dat ze den zieke de voorgeschreven

medicijn wil toedienen, ontrukt zijn vriend haar flesch en glas; soms

ook, als ze haar heer verzorgt met de fijne zachte handen, voelt ze

zich ruw teruggestooten door dien anderen bewaker; eenmaal, toen ze

zich alleen waande en Reijkman toesprak met lieve namen, klonk er een

schaterende lach door het vertrek.

Marie heeft Henri’s vriend altijd gewantrouwd, altijd gehaat, maar nu

is ze voor hem vervuld van een doodelijken angst; daarom juicht ze als

hij eindelijk gedwongen wordt zijn post te verlaten, als ze hoort hoe

hij den zieke vertelt dat dringende zaken hem naar Passoeroean roepen,

dat hij nog heden vertrekken moet.

„Je komt immers terug; heel spoedig, vóór het te laat is....” fluistert

de schorre, zwakke stem.

„Wees gerust, Henri,” hoort Marie hem zeggen, „ik zal bij je zijn

wanneer je me noodig hebt!” Maar ze hoort niet wat hij dan zijn vriend

toefluistert: „Ik ga niet ver weg.”

Het uur nadert, waarin de slangen en adders zich op het pad begeven,

het uur dat de wilde varkens afwachten om het woud te verlaten en hun

verwoestingen aan te richten in de riettuinen; het uur waarin de

ketjoes elkaar het geheimzinnig teeken geven, dat ze gereed zijn voor

een nachtelijken tocht.

Op de breede, goed onderhouden wegen, die Soeka-madjoe omgeven, is het

nog licht; maar tusschen het dicht geboomte kan men de smalle paadjes

ter nauwernood herkennen.

Toch schrijdt een vrouw daar voort, langzaam en bedaard, als had ze

niets te vreezen, als ging ze voor louter genoegen een avondwandeling

maken.

Straks echter, als ze aan het eind is van de breede laan, die van de

administrateurswoning naar de fabriek leidt, straks, als de smallere

paden achter haar liggen, die van de fabriek naar talrijke kleine

gebouwen voeren, ziet ze spiedend rondom zich; dan, zeker dat geen

nieuwsgierig oog haar volgt, bukt ze haastig, neemt de goudgehakte

slofjes van de bloote voeten, doet de fraaie overkabaia af en verbergt

ze te zamen onder het dichte loof van eenig kreupelhout.

Ze slaat den zijden slendang om het hoofd, zoodat van haar gelaat

weinig zichtbaar blijft en nu ziet ze er in haar sitzen kabaia en

rooden sarong uit als een gewone javaansche vrouw.... toch kan ze geen

gewone javaansche zijn; aan de hand, waarmee ze den slendang vasthoudt,

schittert een kostbaar juweel.

Dan verhaast ze haar tred, meer en meer, steeds meer! tot ze voortrent

als een gejaagd hert, de eene steilte op, de andere af; nu eens langs

den boschkant, dan weer op de smalle dijkjes der sawahs, soms ook

wadend door ondiepe slootjes of springend over hoekige steenen.

Eindelijk geheel buiten adem, staat ze stil.

’t Is voor een klein, net huis, zooals het de inlandsche kinderen bij

voorkeur bewonen; met een tuintje er vóór en bloemen in bontgekleurde

petroleumblikken langs de perken; met smalle vensters en daarachter

witte gordijnen, schuin opgenomen door kleurige strikken; de weinige

ruimte, die het houten gebouwtje aanbiedt, geheel ingenomen door

meubelen, waarvan de eigenaardigheid daarin bestaat, dat geen enkel

stuk gelijkt op het andere.

Op haar zacht kloppen komt de bewoner naar buiten.

Hij is nog jong in jaren, maar toch is er iets oudsch, iets vermoeids

in het vervallen gelaat dat slechts spreekt van het dierlijke in den

mensch; toch behoeft men die gebogen gestalte op de wankelende, dunne

beenen, slechts even aan te zien om te weten welke der goden door hem

het ijverigst gediend wordt.

„Goeden avond, Marie!”

Met een gebiedende beweging legt ze hem het zwijgen op.

„Er is niemand,” fluistert hij, „ik ben alleen.”

Maar toch is ze nog niet geheel gerustgesteld. Ze werpt een

onderzoekenden blik in de beide ledige kamers; dan speurt ze angstig

rond of ze niet gevolgd werd misschien; eerst als ze zeker is dat geen

levend wezen zich in hun nabijheid bevindt, trekt ze haar broeder met

zich mede naar binnen en zet zich naast hem op de bank.

Een geluid van fluisterende stemmen dringt naar buiten door.

Langzamerhand verheffen ze zich... het gesprek, in gebroken hollandsch

begonnen, wordt in vloeiend maleisch voortgezet; eindelijk klinkt

Marie’s toon schel en gebiedend.... ze opent de deur en, zonder haar

broeder te groeten, neemt ze den terugtocht aan.

Maar hij bemerkt dit ter nauwernood; hij lacht en grinnikt als iemand

die een goeden koop heeft gesloten; hij ziet zijn zuster na met een

zonderlingen blik, terwijl ze daarhenen snelt, den slendang om het

hoofd geslagen.... aan de hand waarmede ze dien slendang vasthoudt,

ontbreekt het kostbaar juweel.

Alles zwijgt rondom den Ardjoeno.

Eerst hield het geklop der rijstblokken op in de kampong, toen klonken

de slagen van den gong luider in de toenemende stilte; het gegons der

stemmen werd zwakker en zwakker, tot het eindelijk geheel wegstierf;

het eentonig gezang van een teeder minnaar trilde nog op de koelte. Een

nachtvogel krijschte; de bladeren op den grond ritselden als een

kruipend gedierte daaronder wegschool.... toen werd ook zelfs het

ritselen der bladeren niet meer gehoord.

De vriendelijke fee, die in oostersche nachten haar tooverstaf zwaait,

treedt nu van achter de blauwe wolken te voorschijn. Ze gluurt door het

dichte loof der bosschen; dan zweeft ze over de velden, stoeiend met de

wuivende pluimen der maïsstruiken, met de zacht gebogen kopjes der

padihalmen; straks blijft ze een oogenblik leunen tegen de glooiing der

heuvelrijen om dan te gaan dwalen in de sluimerende kampong.

Dáár herschept ze de hutjes in vergulde paleizen, de bloemtuintjes in

lustoorden, de beekjes in vloeibaar zilver; en eindelijk sluipt ze een

geopend venster binnen en beschijnt het gloeiend gelaat van den

jongeling, aan wiens borst de geliefde rust, wie de koelte zijn

minnezang overbracht....

De gong doet zijn twaalf slagen weerklinken in de onafgebroken

stilte.... alles rust, alles zwijgt, maar... welk uur is het van den

nacht, welk is het plekje der aarde waarin de mensch, de door liefde of

haat, door hartstocht of winzucht vervolgde mensch, rust vinden kan?

Uit de kleine nette woning, met de hooggekleurde bloempotten langs de

paden, treedt Rudolf Bastoort, Marie’s broeder, te voorschijn; hij

draagt het zwart glanzend hoofd ongedekt en helder verlicht de maan het

bruin gelaat met de vermoeide trekken en de rood omrande, glurende

oogen.

Op bloote voeten, in slaapbroek en kabaia, met een oud flanellen jasje

tot overkleed, gaat hij langzaam, steeds dieper en dieper het bosch in,

de oogen gevestigd op den grond, waar, uit een dichten humuslaag,

tallooze planten en plantjes oprijzen. Weldra bukt hij zich dieper naar

den vochtigen bodem en zoekt daar met een ijver of de kiezels, die in

het maanlicht glinsteren als diamanten, werkelijk kostbare steenen

waren....

Een uur is voorbijgegaan sinds hij het bosch betrad: nog zoekt hij te

vergeefs. Nu en dan staat hij luisterend stil. Hoort hij daar geen

geritsel....? Het zal een klapperrot of boschhoen geweest zijn, die

opschrikten uit hun slaap.... Maar dit....? Dit zijn voetstappen, dicht

achter hem! Neen, toch niet; hij moet zich vergist hebben. Een slang of

hagedis misschien?

Nu zet hij zich neer aan den voet van een boom en laat in de stralen

van het maanlicht een juweel schitteren. Wat heeft het een moeite

gekost dien steen Marie afhandig te maken. Wat heeft zij lang weerstand

geboden, als hij den ring en altijd weder den ring vroeg tot loon voor

zijn diensten?.... En toch, hij moest hem hebben! Met dien ring wil hij

tot de schoonste der ronggèngs, tot de lang begeerde Maja gaan, en als

hij haar dien in de oogen laat schitteren, zal ze hem toebehooren....

Komaan! gezocht! gezocht!.... Marie’s opdracht moet vervuld worden!

Wederom is een uur voorbij gegaan; daar slaakt Rudolf Bastoort een

kreet van vreugde; hij heft zich op uit zijn gebukte houding; in de

hand houdt hij een plantje met dikken, saprijken stengel, met

donkergroene blaadjes, met fijnen purperen bloesem.

Zonder zich ook nog eenmaal te bukken, zonder nog een enkel oogenblik

rondom zich te zien, keert hij terug langs den weg, dien hij twee uur

geleden gekomen is. Het is koud geworden, hij huivert; hij meent weer

dat geheimzinnig ritselen achter zich te hooren, en verhaast zijn

stap....

Daar op eens gevoelt hij hoe een ijzeren vuist hem aangrijpt; hij wordt

op den grond geworpen; knuppelslagen vallen in dichten regen op hem

neer; vloekend, tierend van pijn verdedigt hij zich, met beide handen

grijpt hij naar den aanvaller, maar een laatste slag komt hem op het

hoofd neer en velt hem ter aarde.

De maan is schuil gegaan, het eerste morgenlicht doorgebroken, als

Rudolf Bastoort eindelijk ontwaakt uit zijn bedwelming: kermend en

steunend richt hij het gekneusde lijf overeind en het duurt geruimen

tijd voor hij weder geheel tot bewustzijn is teruggekeerd; dan zoekt

hij met plotselingen schrik het juweel in zijn vestzakje.

Hij vindt den ring, ook zijn horloge, ook zijn beurs; dus kan de

aanvaller geen dief geweest zijn.... Misschien een vijand, misschien

een Javaan, die zich wreken wilde....?

Hij zal het ontdekken. Maar nu moet hij beproeven naar huis te komen;

verkleumd en gewond als hij is, heeft hij allereerst rust noodig.

Reeds heeft hij enkele schreden gedaan als hij plotseling terugkeert:

het plantje, het kostbaar plantje...!

Maar hoe hij ook staart op den grond, hoe hij zoekt en alles

doorsnuffelt, hij vindt het niet.

Indische Huwelijken · 第 20 / 27 题