„Tot morgen!”
Als het morgen wordt, als de Ardjoeno uit de nevelen verrijst, gekleurd
met zachtblozende tinten, gehuld in zilverwitte wolken, ligt Henri
Reijkman ten prooi aan de vreeselijke toevallen die elken nieuwen
aanval zijner kwaal vergezellen....
De wagen wordt afgespannen en niemand spreekt nu van de reis naar
Malang, ieder denkt met huivering aan de groote reis, die hij weldra
zal aanvaarden.
Drie doctoren verschijnen beurtelings of gezamenlijk aan de
lijdenssponde; ze slaan de duldelooze pijnen, de heftige krampen gade
en geven verdoovende middelen; ze verbazen zich over een
lichaamskracht, die zoo lang weerstand biedt aan sluipkoortsen; ze
laten zich bedriegen door korte vleugjes van herstel, die ze voor
werkelijke beterschap houden; ze staan regelrecht tegenover elkaar in
hun opinie omtrent de ziekte en lachen grimmig over elkanders
vergissingen, maar eindelijk,—na vier weken weifelen en raden—zijn
allen het eens op één punt: er is geen hoop meer!
Edith en Nora, die eenmaal zoo gaarne vertoefden in papa’s kamer,
ontvluchten het kermen en steunen; jeugd kan zich niet verdragen met
lijden; de trouwe Arsan, uitgeput van vermoeienis, heeft verlof
gevraagd om in de kampong uit te rusten; Marie, bleek en vermagerd, met
holle oogen en akelig strakke trekken, spant haar laatste krachten in
om den zieke niet alleen te laten, maar wordt telkens half bewusteloos
weggedragen.
Alleen Onno zit nog op zijn oude plek; hij laat zich niet verdrijven.
Bij het krieken van den morgen, in de brandende middaghitte, onder het
vallen van de schemering, ja, in het holst van den nacht, gevoelt
Marie—wier zorg en waakzaamheid, volgens het algemeen oordeel,
voorbeeldig zijn—dat twee oogen, die steken als dolken, haar volgen
waarheen ze gaat; soms, als ze het waagt die oogen te ontmoeten, vaart
haar een koude rilling door de leden als bij naderend gevaar.
Enkele malen op het oogenblik dat ze den zieke de voorgeschreven
medicijn wil toedienen, ontrukt zijn vriend haar flesch en glas; soms
ook, als ze haar heer verzorgt met de fijne zachte handen, voelt ze
zich ruw teruggestooten door dien anderen bewaker; eenmaal, toen ze
zich alleen waande en Reijkman toesprak met lieve namen, klonk er een
schaterende lach door het vertrek.
Marie heeft Henri’s vriend altijd gewantrouwd, altijd gehaat, maar nu
is ze voor hem vervuld van een doodelijken angst; daarom juicht ze als
hij eindelijk gedwongen wordt zijn post te verlaten, als ze hoort hoe
hij den zieke vertelt dat dringende zaken hem naar Passoeroean roepen,
dat hij nog heden vertrekken moet.
„Je komt immers terug; heel spoedig, vóór het te laat is....” fluistert
de schorre, zwakke stem.
„Wees gerust, Henri,” hoort Marie hem zeggen, „ik zal bij je zijn
wanneer je me noodig hebt!” Maar ze hoort niet wat hij dan zijn vriend
toefluistert: „Ik ga niet ver weg.”
Het uur nadert, waarin de slangen en adders zich op het pad begeven,
het uur dat de wilde varkens afwachten om het woud te verlaten en hun
verwoestingen aan te richten in de riettuinen; het uur waarin de
ketjoes elkaar het geheimzinnig teeken geven, dat ze gereed zijn voor
een nachtelijken tocht.
Op de breede, goed onderhouden wegen, die Soeka-madjoe omgeven, is het
nog licht; maar tusschen het dicht geboomte kan men de smalle paadjes
ter nauwernood herkennen.
Toch schrijdt een vrouw daar voort, langzaam en bedaard, als had ze
niets te vreezen, als ging ze voor louter genoegen een avondwandeling
maken.
Straks echter, als ze aan het eind is van de breede laan, die van de
administrateurswoning naar de fabriek leidt, straks, als de smallere
paden achter haar liggen, die van de fabriek naar talrijke kleine
gebouwen voeren, ziet ze spiedend rondom zich; dan, zeker dat geen
nieuwsgierig oog haar volgt, bukt ze haastig, neemt de goudgehakte
slofjes van de bloote voeten, doet de fraaie overkabaia af en verbergt
ze te zamen onder het dichte loof van eenig kreupelhout.
Ze slaat den zijden slendang om het hoofd, zoodat van haar gelaat
weinig zichtbaar blijft en nu ziet ze er in haar sitzen kabaia en
rooden sarong uit als een gewone javaansche vrouw.... toch kan ze geen
gewone javaansche zijn; aan de hand, waarmee ze den slendang vasthoudt,
schittert een kostbaar juweel.
Dan verhaast ze haar tred, meer en meer, steeds meer! tot ze voortrent
als een gejaagd hert, de eene steilte op, de andere af; nu eens langs
den boschkant, dan weer op de smalle dijkjes der sawahs, soms ook
wadend door ondiepe slootjes of springend over hoekige steenen.
Eindelijk geheel buiten adem, staat ze stil.
’t Is voor een klein, net huis, zooals het de inlandsche kinderen bij
voorkeur bewonen; met een tuintje er vóór en bloemen in bontgekleurde
petroleumblikken langs de perken; met smalle vensters en daarachter
witte gordijnen, schuin opgenomen door kleurige strikken; de weinige
ruimte, die het houten gebouwtje aanbiedt, geheel ingenomen door
meubelen, waarvan de eigenaardigheid daarin bestaat, dat geen enkel
stuk gelijkt op het andere.
Op haar zacht kloppen komt de bewoner naar buiten.
Hij is nog jong in jaren, maar toch is er iets oudsch, iets vermoeids
in het vervallen gelaat dat slechts spreekt van het dierlijke in den
mensch; toch behoeft men die gebogen gestalte op de wankelende, dunne
beenen, slechts even aan te zien om te weten welke der goden door hem
het ijverigst gediend wordt.
„Goeden avond, Marie!”
Met een gebiedende beweging legt ze hem het zwijgen op.
„Er is niemand,” fluistert hij, „ik ben alleen.”
Maar toch is ze nog niet geheel gerustgesteld. Ze werpt een
onderzoekenden blik in de beide ledige kamers; dan speurt ze angstig
rond of ze niet gevolgd werd misschien; eerst als ze zeker is dat geen
levend wezen zich in hun nabijheid bevindt, trekt ze haar broeder met
zich mede naar binnen en zet zich naast hem op de bank.
Een geluid van fluisterende stemmen dringt naar buiten door.
Langzamerhand verheffen ze zich... het gesprek, in gebroken hollandsch
begonnen, wordt in vloeiend maleisch voortgezet; eindelijk klinkt
Marie’s toon schel en gebiedend.... ze opent de deur en, zonder haar
broeder te groeten, neemt ze den terugtocht aan.
Maar hij bemerkt dit ter nauwernood; hij lacht en grinnikt als iemand
die een goeden koop heeft gesloten; hij ziet zijn zuster na met een
zonderlingen blik, terwijl ze daarhenen snelt, den slendang om het
hoofd geslagen.... aan de hand waarmede ze dien slendang vasthoudt,
ontbreekt het kostbaar juweel.
Alles zwijgt rondom den Ardjoeno.
Eerst hield het geklop der rijstblokken op in de kampong, toen klonken
de slagen van den gong luider in de toenemende stilte; het gegons der
stemmen werd zwakker en zwakker, tot het eindelijk geheel wegstierf;
het eentonig gezang van een teeder minnaar trilde nog op de koelte. Een
nachtvogel krijschte; de bladeren op den grond ritselden als een
kruipend gedierte daaronder wegschool.... toen werd ook zelfs het
ritselen der bladeren niet meer gehoord.
De vriendelijke fee, die in oostersche nachten haar tooverstaf zwaait,
treedt nu van achter de blauwe wolken te voorschijn. Ze gluurt door het
dichte loof der bosschen; dan zweeft ze over de velden, stoeiend met de
wuivende pluimen der maïsstruiken, met de zacht gebogen kopjes der
padihalmen; straks blijft ze een oogenblik leunen tegen de glooiing der
heuvelrijen om dan te gaan dwalen in de sluimerende kampong.
Dáár herschept ze de hutjes in vergulde paleizen, de bloemtuintjes in
lustoorden, de beekjes in vloeibaar zilver; en eindelijk sluipt ze een
geopend venster binnen en beschijnt het gloeiend gelaat van den
jongeling, aan wiens borst de geliefde rust, wie de koelte zijn
minnezang overbracht....
De gong doet zijn twaalf slagen weerklinken in de onafgebroken
stilte.... alles rust, alles zwijgt, maar... welk uur is het van den
nacht, welk is het plekje der aarde waarin de mensch, de door liefde of
haat, door hartstocht of winzucht vervolgde mensch, rust vinden kan?
Uit de kleine nette woning, met de hooggekleurde bloempotten langs de
paden, treedt Rudolf Bastoort, Marie’s broeder, te voorschijn; hij
draagt het zwart glanzend hoofd ongedekt en helder verlicht de maan het
bruin gelaat met de vermoeide trekken en de rood omrande, glurende
oogen.
Op bloote voeten, in slaapbroek en kabaia, met een oud flanellen jasje
tot overkleed, gaat hij langzaam, steeds dieper en dieper het bosch in,
de oogen gevestigd op den grond, waar, uit een dichten humuslaag,
tallooze planten en plantjes oprijzen. Weldra bukt hij zich dieper naar
den vochtigen bodem en zoekt daar met een ijver of de kiezels, die in
het maanlicht glinsteren als diamanten, werkelijk kostbare steenen
waren....
Een uur is voorbijgegaan sinds hij het bosch betrad: nog zoekt hij te
vergeefs. Nu en dan staat hij luisterend stil. Hoort hij daar geen
geritsel....? Het zal een klapperrot of boschhoen geweest zijn, die
opschrikten uit hun slaap.... Maar dit....? Dit zijn voetstappen, dicht
achter hem! Neen, toch niet; hij moet zich vergist hebben. Een slang of
hagedis misschien?
Nu zet hij zich neer aan den voet van een boom en laat in de stralen
van het maanlicht een juweel schitteren. Wat heeft het een moeite
gekost dien steen Marie afhandig te maken. Wat heeft zij lang weerstand
geboden, als hij den ring en altijd weder den ring vroeg tot loon voor
zijn diensten?.... En toch, hij moest hem hebben! Met dien ring wil hij
tot de schoonste der ronggèngs, tot de lang begeerde Maja gaan, en als
hij haar dien in de oogen laat schitteren, zal ze hem toebehooren....
Komaan! gezocht! gezocht!.... Marie’s opdracht moet vervuld worden!
Wederom is een uur voorbij gegaan; daar slaakt Rudolf Bastoort een
kreet van vreugde; hij heft zich op uit zijn gebukte houding; in de
hand houdt hij een plantje met dikken, saprijken stengel, met
donkergroene blaadjes, met fijnen purperen bloesem.
Zonder zich ook nog eenmaal te bukken, zonder nog een enkel oogenblik
rondom zich te zien, keert hij terug langs den weg, dien hij twee uur
geleden gekomen is. Het is koud geworden, hij huivert; hij meent weer
dat geheimzinnig ritselen achter zich te hooren, en verhaast zijn
stap....
Daar op eens gevoelt hij hoe een ijzeren vuist hem aangrijpt; hij wordt
op den grond geworpen; knuppelslagen vallen in dichten regen op hem
neer; vloekend, tierend van pijn verdedigt hij zich, met beide handen
grijpt hij naar den aanvaller, maar een laatste slag komt hem op het
hoofd neer en velt hem ter aarde.
De maan is schuil gegaan, het eerste morgenlicht doorgebroken, als
Rudolf Bastoort eindelijk ontwaakt uit zijn bedwelming: kermend en
steunend richt hij het gekneusde lijf overeind en het duurt geruimen
tijd voor hij weder geheel tot bewustzijn is teruggekeerd; dan zoekt
hij met plotselingen schrik het juweel in zijn vestzakje.
Hij vindt den ring, ook zijn horloge, ook zijn beurs; dus kan de
aanvaller geen dief geweest zijn.... Misschien een vijand, misschien
een Javaan, die zich wreken wilde....?
Hij zal het ontdekken. Maar nu moet hij beproeven naar huis te komen;
verkleumd en gewond als hij is, heeft hij allereerst rust noodig.
Reeds heeft hij enkele schreden gedaan als hij plotseling terugkeert:
het plantje, het kostbaar plantje...!
Maar hoe hij ook staart op den grond, hoe hij zoekt en alles
doorsnuffelt, hij vindt het niet.