I.

De Ardjoeno zetelt in zijn purperen mantel, goudgekroond door de

dalende avondzon, omstuwd door zijn vasallen, de zachtglooiende

heuvelrijen. Geen zuchtje, geen koeltje komt hem beroeren: Eölus heeft

zich verscholen in het dichtst van het woud, waar hij stoeit met de

bamboesstruiken, uitrust te midden der boschbloempjes op het geurig

mos.

Plotseling wordt hij gestoord in zijn zoete spelen: bloemen en struiken

trillen onder een ratelenden donderslag, bliksemflitsen verlichten het

door hem verkozen plekje, de witte kelkjes die daar straks luisterend

bogen en vriendelijk knikten, verschuilen zich verschrikt; de vogelen,

die bij het vroolijk mingekoos hun liefdezang aanhieven, zwijgen, en ’t

is vergeefs als hij de wuivende bloemtrossen nasnelt, om ze nog een

laatsten kus te ontrooven.

Woedend over die stoornis schiet hij zijn vleugelen aan en snelt heen

in dolle vaart; langs de sawahs, die nederig haar smaragdgroene hoofden

buigen, langs de bosschen, die kermend genade vragen voor hun

bladerdos, langs den bergstroom, die toornt en zijn golven ten strijde

roept met klaterend geweld——

Daar wordt hij gestuit in zijn vaart.... ’t is aan den voet van den

Ardjoeno; de fiere, de onveranderlijke, die koel blijft neêrzien op het

rumoer rondom hem. Maar met woester kracht verheft zich de storm. De

wolken, straks blauw en vriendelijk als kinderoogen, zijn nu dreigend

als de blik eens moordenaars; ze leggen zich rondom het trotsche

berggevaarte, ze verduisteren de lichtende punten; ze strijken neer op

de zacht groene oasen, ze omhullen de vriendelijke huisjes aan zijn

voet; ze stijgen steeds hooger, zich slingerend om de breede heupen, de

fiere borst omklemmend.

Weldra ligt het goud van Ardjoeno’s kroon verstrooid, het purper van

zijn mantel verscheurd; de vorst der bergen is een vormloozen klomp

gelijk geworden.

Nu—brullend en gierend juicht Eölus in zijn zegepraal, de bliksem

speelt en woelt en flikkert door het somber rouwkleed, een dof gloeiend

roodkleurig wolkgevaarte daalt af op den hooggeheven kruin en de

Ardjoeno staat in licht laaie vlam.

Vanuit de gesloten vensters der administrateurswoning, zoo

schilderachtig gelegen aan den voet van den berg, slaan een paar

ernstige, droomerige oogen het heerlijke natuurtooneel gade en het is

een verzuchting meer dan een uitroep, die eindelijk wordt gehoord:

„God, hoe prachtig! En te moeten gelooven, dat ik het weldra voor het

laatst zien zal....”

„Wat zijn dat voor sombere gedachten?” vraagt een vriendelijke stem,

niet geheel vrij van den tongval, die het inlandsch kind verraadt.

„Onno?!” roept de zieke, terwijl hij zich verheugd opheft in de kussens

en den vriend de hand toesteekt. „Ik heb je niet hooren aankomen.”

„Geen wonder met het helsch lawaai, dat het loeien van den wind maakt.

En daarenboven, ik ben achter ingereden.”

„Maar,” vraagt de zieke weer, „hoe zie ik je nu reeds terug? Ik dacht

dat je minstens een dag of acht op Soerabaia zoudt blijven?”

„Ja, dat had ik je gezegd.... Het is goed, dat ik terugkwam, niet waar?

Je bent er niet op vooruitgegaan in de laatste drie dagen, Henri!”

„Neen!” antwoordt deze met een diepen zucht.... „achteruit! altijd door

achteruit! Ik heb weer een aanval gehad; vreeselijke benauwdheden, uren

lang....”

„Kort na mijn vertrek?”

„Den volgenden dag.”

„Je ligt niet gemakkelijk,” zegt Onno en schikt de kussens terecht en

spreidt den plaid over de vermagerde beenen; dan wendt hij het bezorgd

gelaat af en beiden staren zwijgend naar het natuurtooneel vóór hen.

Grooter tegenstelling dan tusschen de twee mannen, die daar naast

elkander gezeten zijn, is niet licht denkbaar.

In den zacht kwijnenden blik van den zieke weerkaatst zich diep gevoel;

in de gitzwarte oogen van den nieuw aangekomene gloeit een somber vuur;

als Henri een oogenblik zonder pijn is, speelt er een vriendelijke trek

om zijn lippen; Onno’s vastgesloten mond schijnt niet te kunnen

glimlachen; het gelaat, omkransd met de weelderige blonde lokken, is,

hoewel vervallen, edel van vorm en uitdrukking; dat van den bleeken man

met de raafzwarte, sluike haren, is niet goed om aan te zien; er moet

bitterheid hebben gewoond in zijn hart; er moeten booze gedachten zijn

gegaan door zijn brein vóór die trekken zóó scherp, die rimpels zóó

diep werden.

Niettegenstaande dit zijn die beiden vrienden.

De band, die hen vereent, moge niet de schoonste, en hechtste zijn: de

vriendschap die ontstaat uit de overeenstemming der zielen; toch hebben

ze elkaar hartelijk liefgekregen, Henri terwijl hij edelmoedig weldaden

bewees, Onno, terwijl hij ze dankbaar ontving.

„Ik kom met een mooi plannetje,” begint deze eindelijk. „Ik ben niet

zooals je dacht naar Soerabaia geweest, maar naar Malang, naar mijn

ouden vriend, den dokter. We hebben in het breede over je ziekte en

haar raadselachtige verschijnselen gesproken en hij beveelt ten

spoedigste verandering van lucht aan. Je weet, dokter Banck is van

dezelfde opinie en dus heb ik maar eens heel eigenmachtig gehandeld en

plaats besproken in het hôtel: twee ruime kamers met een voorgalerij en

het uitzicht op de bergen. Als je het goed vondt, wou ik je voorstellen

er morgen reeds heen te gaan. Er valt hier op de onderneming vooreerst

niets te doen, waarbij we niet beiden gemist kunnen worden; het

logement te Malang is uitmuntend ingericht, het eten goed en het

klimaat verrukkelijk.... nu, wat zeg je er van?”

„Dank voor je zorg. Maar.... de kinderen! We kunnen ze niet meenemen en

het zal me hard vallen van hen te scheiden.... Wie weet hoe kort ik nog

bij hen ben?”

„Juist om de kinderen, juist in het belang van je meisjes moet je ieder

middel tot herstel aangrijpen. ’t Is nu geen tijd meer om te

aarzelen.... Waarom elkaar iets wijs te maken?.... Henri, je ziekte is

ernstig, hoog ernstig; ’t is langzamerhand een strijd geworden op leven

en dood.”

Een plotselinge bleekheid bedekt het vermagerd gelaat. Henri drukt

beide handen tegen het hart, dat zoo onwillig slaat bij de gedachte aan

sterven; dan spreekt hij schor en klankloos: „’t Is goed; ik zal het

doen.”

„Waar zijn ze, de nonnetjes? Ik heb prachtige poppen meegebracht!”

„In de achtergalerij, geloof ik. Wil je, als je toch weggaat, het even

aan Marie zeggen. Ze moet zorgen, dat mijn goed wordt ingepakt.”————

Een uur later, als Henri zijn versterkend soepje heeft gebruikt, als de

kinderen verdwenen zijn, legt de zieke zich weder op den divan,

waarnaast Onno’s leunstoel staat, en weldra vervallen de vrienden in

den vertrouwelijken toon, dien de heeren nooit beter weten aan te

slaan, dan gehuld in de blauwe wolkjes hunner havanna.

„Wat zou ik gelukkig zijn!” roept Onno, nadat ze hun reisplan gemaakt

en breedvoerig besproken hebben, „wat zou ik gelukkig zijn als dit

uitstapje eens het gewenschte resultaat had....”

„En ik dan!” zucht Henri. „Ik heb het nooit zoo geloofd, nooit zoo

begrepen, maar.... God! het valt hard van het leven te scheiden! Toch,

’t is niet om mijzelf alleen; ’t is allermeest om de kinderen. Mijn

arme meisjes.... voor háár zou mijn dood een verschrikkelijke slag

zijn.... En als ik nu nog maar beter gezorgd had voor mijn

lievelingen....”

„Maar je hebt immers gedaan wat in je vermogen was.”

„Neen, dat is het juist wat ik me verwijt. Ik had mijn eerste plan

moeten volgen, ze veel eer uit deze omgeving moeten verwijderen; ik had

ze een jaar geleden moeten wegbrengen naar Europa.”

„Neen, dat kon je niet, dat zou dwaasheid geweest zijn. Wie geeft, als

hij dertig jaar is, een lucratieve betrekking, een zekere toekomst op?”

„’t Zou dwaasheid geweest zijn. En toch geloof ik dat ik er toe gekomen

was als Marie zich ons aanstaand vertrek niet zoo had aangetrokken. Ja,

ik weet Onno, je gelooft niet aan gevoel bij inlandsche vrouwen, maar

je zoudt medelijden gehad hebben met de arme ziel;.... ik ten minste

had den moed niet haar de kinderen toen reeds te ontnemen.”

Onno lacht een bitteren lach; dan spreekt hij langzaam: „’t Valt me,

door ondervinding geleerd, altijd eenigszins moeilijk te gelooven aan

de teedere aandoeningen van javaansche moeders. Maar het kan zijn, dat

Marie een uitzondering maakt op den regel.”

„Je vergeet dat ze niet geheel een javaansche is. Ze heeft, al is het

dan ook bitter weinig, europeesch bloed in de aderen en daarenboven,

zooals haar vader me heel fier verzekerde toen hij haar aan mij

afstond: ze is Christin! Ze kan wat lezen en schrijven en in de acht

jaar, die ze bij me was, heeft ze vrij aardig hollandsch leeren

spreken.”

„En—dat alles in aanmerking genomen, verbeeldt ze zich dat het niet

meer dan recht en billijk zijn zou, zoo ze mettertijd mevrouw Reijkman

werd,” zegt Onno.

Een pijnlijke blos verft Henri’s bleeke wangen rood.

„Dat nooit!” roept hij uit. „O neen, nooit!”

„Je hebt haar daar immers ook geen hoop op gegeven?”

„Wat zal ik je zeggen, Onno? Toen ik nog dacht dat ik hier een vrouw

naar mijn smaak zou vinden, was het me een raadsel hoe zooveel

Europeanen met een inlandsche huishoudster leven, ja, daarmee, zoo niet

gelukkig, ten minste tevreden konden zijn. Zelfs toen ik er eindelijk

door de omstandigheden zelf toe gebracht werd, was en bleef Marie niets

anders voor me dan een noodzakelijk kwaad. Nadat de kinderen geboren

waren, is dat eenigszins veranderd. Zij was goed voor hen; ze heeft ze

altijd uitmuntend verzorgd, trouw opgepast....”

„Zie je, dat is de macht van die schepsels, wijl ze moeder zijn,” roept

Onno wrevelig uit.

„Ja, ook alleen om de kinderen, alleen dat het me vreeselijk hindert,

dat ze als het ware gebrandmerkt zijn door die onechte geboorte, is de

gedachte aan een huwelijk wel eens bij me opgekomen. De kracht der

samenwoning is anders niet groot gebleken. Marie staat te laag, ook in

zedelijken zin, dat ik ooit genegenheid voor haar kon opvatten, en in

den laatsten tijd heb ik zelfs iets tegen haar gekregen. Haar

tegenwoordigheid maakt me kregel, onrustig!.... ’t is natuurlijk een

gevolg van mijn ziekelijken toestand, maar er zijn oogenblikken waarin

het me een verlossing schijnt als ze de kamer verlaat.”

„Ze was er sterk tegen, dat je naar Europa gingt?” vraagt Onno na eene

lange stilte.

„Natuurlijk! Ze was letterlijk wanhopig toen ik verleden jaar het plan

maakte en ik moest het toen opgeven. Zooals je weet heb ik deze keer

tot het laatst gewacht met haar iets van het voorgenomen vertrek te

zeggen.... mijn God, wat is het mensch te keer gegaan, toen ze het

ontdekte;.... ik dacht dat ze krankzinnig worden zou....”

„Vreemd hoe, toen ze zag dat al haar dreigen en schreeuwen niets hielp,

ze op eens zich zoo kalm in haar lot heeft geschikt!” merkt Onno nu

schijnbaar onverschillig op.

„Neen, niet vreemd! Zoo zijn die wezens. Ze gevoelen heftig maar niet

diep; daarom duren die hartstochtelijke scènes nooit lang,” antwoordt

Henri argeloos.

„Je zoudt er je dan ook niet aan gestoord hebben!”

„O neen! Als ik toen niet op eens zoo ziek geworden was, dan was ik nu

reeds in Holland; dan waren Edith en Nora reeds veilig.”

„Nu, maak je daar niet ongerust over, Henri. Je hebt me tot hun voogd

benoemd; je hebt me het recht gegeven om voor haar te zorgen.... ze

zijn, ook als het ergste gebeuren mocht, goed bewaard.”

„Dat weet ik,” zegt Henri, terwijl hij zijn vriend de hand reikt, „dat

weet ik!”

„Maar de gedachte kwelt je toch nog....?”

„’t Is dat ze vroeg of laat zullen begrijpen aan welke verhouding ze

haar bestaan te danken hebben! Lag haar toekomst in Indië, dan zouden

ze rondom zich toestanden zien, die haar met het denkbeeld vertrouwd

maken, zoo niet daarmeê verzoenen konden. Maar, zooals je weet, mijn

wensch is niet alleen, dat ze naar Holland gaan, maar ook dat ze in

Holland blijven. Och, ik had me zooveel illusies gemaakt omtrent die

kinderen. Ik had vooral Edith, mijn fijn gevoelende, ernstige Edith,

zoo gaarne gevormd naar het ideaal, dat me altijd is bijgebleven, het

beeld mijner moeder. Maar daartoe was allereerst een andere omgeving

noodig....”

„Dat je familie zich nu ook de arme meisjes niet wil aantrekken!” zegt

Onno met een zucht.

„Ja, als mama nog leefde! Zij zou ze niet verstooten hebben. Voor haar

waren het geen bastaards, voor haar waren het mijn kinderen. Maar de

anderen,” en de blauwe oogen schieten vonken, „de anderen.... papa

negeert eenvoudig haar bestaan; mijn broêr noemt ze bij voorkeur de

„vruchten eener ongeoorloofde liefde” of „de kinderen der schande”,

mijn zusters durven slechts uit de verte op haar zinspelen.”

„Die huichelaars!”

„Och neen, het is geen huichelarij! Ze gelooven wat ze zeggen: al hun

oudhollandsche deftigheid, al hun stijve orthodoxie, al hun met de

moedermelk ingezogen vooroordeelen, komen op tegen het bestaan van een

wezen, dat de ambtenaar van den burgerlijken stand niet eerst permissie

gaf ter wereld te komen!”

„Nu, die ezels dan! Die ezels die zich geen oogenblik van den sleur

losrukken, die zich niet één enkele maal uit het hollandsch slib

opheffen kunnen, om zich te verplaatsen in een oostersch land met

oostersche zeden en oostersche temperamenten vooral! Maar zeg niet dat

ze het niet kunnen! Of zouden ze anders met zooveel stichting lezen van

Jacob, die Rachel tot zich neemt, en Lea èn Bilha èn Zilpa of hoe ze

heeten mogen; zouden ze anders Abraham met zijn Hagar een man Gods en

Salomo met zijn duizend vrouwen een wijsgeer noemen? Neen, ze willen

alleen niet, waar het hun broeders en vrienden geldt. Of is het klimaat

niet hetzelfde gebleven? zijn mannen en vrouwen veranderd sinds

Salomo?”

„Laten wij ons niet aan hetzelfde euvel schuldig maken,” zegt Henri

kalm, „maar rekening houden met het land waarin ze leven, de begrippen

waarin ze werden opgevoed.”

„Ik wil geen rekening daarmee houden!” roept Onno, „ik wil rekening

houden met menschelijkheid en met niets anders dan menschelijkheid! De

vraag is niet in welk land ze wonen, in welke begrippen ze werden

opgevoed, de vraag is of het menschelijk kan heeten om een arm kind,

dat niets misdaan heeft, levenslang te laten boeten voor een misdaad

door zijn vader gepleegd, een misdaad, die nog daarenboven voor het

wetboek der natuur denkbeeldig is! Rekening houden met de heerschende

begrippen! Dat heeft mijn moeder gedaan, toen ze haar heer en kind

verliet om een die rijker was te volgen; dat heeft mijn vader gedaan,

toen hij een hollandsch meisje trouwde en haar verzweeg, dat hij er ook

nog zoo iets op nahield als een vóórzoon... Rekening houden met de

heerschende begrippen! Dat deed ook mijn stiefmoeder, toen ze me

mishandelde en uithongerde en vervolgde, tot ik het ouderlijk huis

ontvluchten moest.... Er is maar één geweest, die geen rekening hield

met de heerschende begrippen, een, die niet vroeg of mijn vel bruin,

mijn geboorte echt was, maar den armen verstooteling tot zich nam,

voedde, kleedde.... en tot zijn vriend maakte.”

Het toornig gelaat heeft een zachter uitdrukking aangenomen, de

vochtige oogen zien naar Henri op met de dankbaarheid van een trouwen

hond.

„Flauwe kerel!” roept deze, „je hebt altijd veel te veel ophef gemaakt

van die kleinigheid.”

„Kleinigheid?” herhaalt Onno. „En toch.... ja! ik geloof dat sommigen

van die gelukkigen, die levenslang liefde en medelijden ondervonden

hebben, ja ’t is mogelijk dat die het beschouwd hadden als een

kleinigheid! Maar Henri, voor mij was het de eerste maal—God is mijn

getuige—de eerste maal in mijn treurig leven, dat iemand me anders dan

met smaad en minachting behandelde. En daarom—neen Henri, het was geen

kleinigheid, een diep vernederde zijn gevoel van eigenwaarde, een

wanhopende den moed weer te geven!”

„Nu, laten we er niet meer over praten. Je vergeet dat morgen om zeven

uur de reiswagen voorkomt...”

„En je bent moe? Ik hoop maar dat ik je niet heb opgewonden door mijn

gebabbel?”

„Neen, ik moet toch chloraal nemen. Ah! daar is Marie al.... zij zal me

wel verder helpen. Tot morgen dan!”

„Tot morgen!”

Indische Huwelijken · 第 19 / 27 题