Een jaar is voorbijgegaan.
En het geluid, dat reeds zoo menig studeerend huisvader tot wanhoop
bracht, dat de arme, met drukte overladen huismoeder zuchtend doet
oprijzen van haar stoel, het geluid, dat hatelijk is om aan te hooren
als het uit buurmans huis komt en toch ook weer zoo liefelijk als uw
eerstgeboorne het voortbrengt, weerklinkt door de administrateurswoning
van Soeka-Madjoe.
Maar de jeugdige spruit der Dormans heeft het woord niet alleen: ze
wordt overschreeuwd door een zwaar donderend stemgeluid.
„Neen, maar heb ik nu van mijn leven!” roept de grootvader. „Dat is nog
geen drie maanden oud en gilt en schreeuwt als een mager varken omdat
ze haar zin niet krijgt! Wel jou drommelsche meid, wil je je wel eens
stilhouden?” Maar dan, daar het kind plotseling zwijgt: „Nu, huil maar
toe, mijn dotje! Heeft grootpapa je verschrikt met zijn harde stem? Ja,
liefje, grootpapa is een schreeuwleelijk, daar heb je gelijk in, en jij
bent een engel....”
Cecile, die bezig was zich te kleeden, hoort het vreeselijk lawaai mee
aan en zendt baboe om het kleintje over te nemen. Maar de goede ziel
springt wel drie pas achteruit, nu Haakstra haar toebuldert: „Wat wou
jij, ouwe totebel? Het kind? Geen kwestie van! Denk je dat we vier jaar
op haar gewacht hebben, om haar nu aan de meiden toe te vertrouwen?
Waarachtig niet!”
„Ik kom dadelijk, pa,” roept Cecile.
„Geen haast, Non!” is het antwoord. „Ze is goed bezorgd, daar kun je
gerust op zijn.”
Maar weinige oogenblikken later treedt Cecile toch naar buiten,
bloeiend en blozend, met een lachje om de lippen en een flikkering in
de oogen, die den vader herinnert aan de schoonste dagen van haar
meisjesleven.
„Is ze lastig geweest, pa?”
„Lastig.... zoo’n engel? En al was ze het, wat dan? Ze heeft het recht
om lastig te zijn, zou ik denken!”
„Zeker pa! Geef haar nu maar hier, wilt u?”
„Maar, voor den duivel, wat bezielt jullie toch? Zal ik dan mijn eigen
kleinkind niet eens rustig in mijn armen kunnen houden, zonder dat er
telkens een vrouwspersoon komt om me haar afhandig te maken?”
„Ik wou haar in slaap sussen.”
„Alsof ik dat niet kon! Kijk, ze doet de lieve lodderoogjes toe, die
engel.... Sla de klamboe maar open, Cile; ze is al onder zeil. Zie zoo,
daar ligt ze; net een schilderij! Zie me zulke beenen eens.... ’t is
een pracht van een meid....”
„En die handjes, pa, die kleine, rose vuistjes.”
„Ja, en dan dat speknekje.... dáár kan ik maar niet afblijven.... Nu,
dag lief, lekker diertje!”
„Dag mijn mooi, zoet meisje!”
De grootvader, bang dat zijn stekelige baard het kind zal doen
ontwaken, zendt haar uit de verte een kushand toe, de moeder sluit
zorgvuldig de gordijnen, dan zien ze elkaâr aan met een gelukkigen
lach....
„Willen we een eindje gaan loopen, pa, Otto te gemoet?”
„Goed, kind!”
Als ze buiten gekomen zijn, wandelen ze eerst zwijgend naast elkander
voort, dan trekt de heer Haakstra Cecile’s arm door den zijnen en
vraagt: „Dat hadden we niet gedacht, ja Non?”
„Neen, o neen, papa!” roept ze uit. „Als ik het maar geweten had! Als
ik het maar had durven hopen, dat ik er nog eens eentje zou krijgen, al
was het over tien jaar geweest, dan zou ik wel geduld hebben gehad....”
„En je kondt niet eens je beurt afwachten....”
„’t Is waar, pa, ik heb me heel dwaas aangesteld. Ik had niet zoo
moeten dwingen om dat eenige wat me ontzegd was; ik bezat toch zooveel!
Een goed vadertje, een onbezorgd leven en een man, een man uit
duizenden....”
„Zeg het maar.... een volmaakt man!”
„Lach me niet uit, pa, bijna is hij het. Natuurlijk heeft hij zijn
gebreken, maar wat hindert dat bij iemand, die zoo goed, zoo edel, zoo
flink en verstandig is?”
„Dat is zeker, kind, je apprécieert hem, en dit kan men lang niet
zeggen van alle vrouwen die een goeden man hebben.”
„Apprécieeren.... ja! maar toch niet half genoeg! Als ik alleen maar
bedenk wat hij voor me geweest is in mijn ziekte.”
„Ja, toen heeft hij zich voorbeeldig gehouden. Ik heb hem dikwijls
bewonderd in dien tijd, want—niet dat ik iets tot je nadeel zeggen wil,
kind!—maar zoo lief als je zijt in gezonde dagen, zoo lastig kun je
wezen als je ziek bent.”
„Nu pa, u weet daar alles van!” roept ze lachend. „En als ik u nu zeg,
dat ik ziek nog niet half zoo lastig ben als ik zijn kon in dien tijd,
toen de gedachte, dat ik geen kinderen zou krijgen, me bijna
krankzinnig maakte, maar dat hij altijd goed en geduldig voor me
bleef.... dan zult u me toch toestemmen, dat hij bijna volmaakt is?”
vraagt ze met groote tranen in de schitterende oogen.
„Ik wil niets liever gelooven, kind!” zegt Haakstra, en dan: „Non, je
verwonderde je gister dat ik alweer gelegenheid gevonden om bij jullie
te komen, maar begrijp je dat niet, kind....? ’t Is omdat ik nergens
liever ben dan hier, omdat het mijn oud hart goed doet, je zoo gelukkig
te zien. Je begrijpt niet, wat dat zegt voor een vader, te weten dat
zijn dochter veilig bezorgd is bij een braaf man. Wil je gelooven,
kind, soms als ik zie hoe andere jonge vrouwen behandeld worden, dan
schiet mijn hart vol, dan weet ik uit dankbaarheid niet....”
„Stil, pa, daar komt hij aan. Laat hem in ’s hemelsnaam niets hooren;
de heeren der schepping zijn overal beter tegen bestand dan tegen lof.”
In een oogwenk is Otto van zijn paard. „Wel, dat is een goed idée van
je om me te gemoet te komen!” en hij kuste zijn vrouw. „Nonnie sliep
zeker?”
„Ja, papa heeft haar in slaap gemaakt.”
„U hebt daar slag van, geloof ik,” zegt Dorman, zich vriendelijk tot
zijn schoonvader keerend, „meer dan ik ten minste.”
„Wacht maar, als je er eens een half dozijntje gehad hebt! Jongen, je
begint er langzamerhand zoo’n pleizier in te krijgen! En let eens op
wat ik je zeg, Otto, met het zesde ben je nog veel gekker dan met
nummer een; dat hebben wij ondervonden!”
„Gekker dan we op Nonnie zijn kan het niet!” zegt Cecile. „Is ’t wel,
man?”
„Wat zei je, lieve?” vraagt Otto verstrooid.
„Nu, jongelui, ik ga verder! Ik heb mijn twee uur nog niet geloopen
vandaag en je wilt zeker liever bij manlief blijven....? Neen,
waarachtig niet, kind! ga je gang, ik kan best de zon in het water zien
schijnen. Je goede moeder had dat ook voor gewoonte: als ik van de
fabriek kwam, stond ze me al van verre op te wachten en dan was ze met
geen stokken van me af te slaan. ’k Weet niet hoe het komt, Cile, maar
je herinnert me telkens aan je moeder, en vroeger was dat toch niet zoo
het geval....”
„Maar ze is in den laatsten tijd ook zoo veranderd,” zegt Otto met een
teederen blik op zijn bekoorlijk vrouwtje.
„Gekheid,” roept ze lachend. „Nu, tot straks, pa; hij is naar de tuinen
geweest en doodmoê, wed ik.”
„Ja, ik ben moê,” zegt Dorman, als ze, haar arm door den zijne,
langzaam naar huis wandelen; „ik ben dood af. Maar toch zal ik geen
rust kunnen nemen. Ik kwam alleen thuis om me te verkleeden en je te
zeggen dat ik er straks dadelijk weer op uit moet....”
„Maar Ot?”
„Ja, lieve, ’t is vervelend voor je en het spijt me wel dat het juist
treft nu pa hier logeert, maar er is niets aan te doen: Willie is ziek.
Ik zei je gister al, dat hij zoo gloeierig was; hij ligt nu in een
zware koorts.”
„Waarlijk? Dan moet je natuurlijk gaan, man! Kan ik iets voor hem
doen...? Heb je al om den dokter geschreven....? Neen? Stel dat toch
niet uit! Ik zal maar dadelijk een man te paard zenden, ja?” en ze
verhaast haar stap.
„Goed, lieve,” en hij drukt haar arm dichter aan zijn borst, terwijl ze
samen het huis betreden.
„Nu, man, ik ga een sterken bouillon klaar maken en dan zullen we ook
wat snoeperijtjes inpakken.... je weet wel van die ingelegde vruchten,
die hem laatst zoo gesmaakt hebben, toen hij ook ziek was.”
„Valt het je niet op, Cecile, dat Willie dikwerf ziek is in den
laatsten tijd?”
„Ja. Ga nu wat op den divan liggen. Hier is een kop thee.”
„Ik begrijp niet wat hem scheelt. Je weet hoe ik er op gesteld was, dat
hij bij Swiff zou komen, hoe lief ik het van je vond toen je daar niets
meer tegen hadt.... maar wie kon toen denken dat het mensch tweelingen
zou krijgen? ’t Is waar, de goede ziel doet wat ze kan; maar ze is zwak
en dan dat eeuwigdurend gesukkel met haar eigen kinderen... neen,
Willie krijgt niet de zorg, die hem toekomt.”
„’t Spijt me zoo, Otto, te meer omdat ik het arme ventje niet gaarne
weer ergens anders heen zou sturen, vooral met het oog op dat telkens
ziek zijn. Neen, Otto, zoo kan het niet langer. Er moet een verandering
komen in dien toestand, die langzamerhand onhoudbaar wordt,” zegt ze,
zich plotseling tot hem keerend.
„Wat bedoel je, Cecile?” en hij richt zich haastig overeind.
„Ik bedoel.... dat het hier koel en stil is en dat je rustig moet gaan
slapen en je niet bezorgd maken over Willie, omdat....”
„Omdat....? Nu, Cecile, omdat....?”
„Omdat.... Willie ook nog een mama heeft, al is het tot dusver eene
heel slechte mama geweest!”