VII.

Een jaar is voorbijgegaan.

En het geluid, dat reeds zoo menig studeerend huisvader tot wanhoop

bracht, dat de arme, met drukte overladen huismoeder zuchtend doet

oprijzen van haar stoel, het geluid, dat hatelijk is om aan te hooren

als het uit buurmans huis komt en toch ook weer zoo liefelijk als uw

eerstgeboorne het voortbrengt, weerklinkt door de administrateurswoning

van Soeka-Madjoe.

Maar de jeugdige spruit der Dormans heeft het woord niet alleen: ze

wordt overschreeuwd door een zwaar donderend stemgeluid.

„Neen, maar heb ik nu van mijn leven!” roept de grootvader. „Dat is nog

geen drie maanden oud en gilt en schreeuwt als een mager varken omdat

ze haar zin niet krijgt! Wel jou drommelsche meid, wil je je wel eens

stilhouden?” Maar dan, daar het kind plotseling zwijgt: „Nu, huil maar

toe, mijn dotje! Heeft grootpapa je verschrikt met zijn harde stem? Ja,

liefje, grootpapa is een schreeuwleelijk, daar heb je gelijk in, en jij

bent een engel....”

Cecile, die bezig was zich te kleeden, hoort het vreeselijk lawaai mee

aan en zendt baboe om het kleintje over te nemen. Maar de goede ziel

springt wel drie pas achteruit, nu Haakstra haar toebuldert: „Wat wou

jij, ouwe totebel? Het kind? Geen kwestie van! Denk je dat we vier jaar

op haar gewacht hebben, om haar nu aan de meiden toe te vertrouwen?

Waarachtig niet!”

„Ik kom dadelijk, pa,” roept Cecile.

„Geen haast, Non!” is het antwoord. „Ze is goed bezorgd, daar kun je

gerust op zijn.”

Maar weinige oogenblikken later treedt Cecile toch naar buiten,

bloeiend en blozend, met een lachje om de lippen en een flikkering in

de oogen, die den vader herinnert aan de schoonste dagen van haar

meisjesleven.

„Is ze lastig geweest, pa?”

„Lastig.... zoo’n engel? En al was ze het, wat dan? Ze heeft het recht

om lastig te zijn, zou ik denken!”

„Zeker pa! Geef haar nu maar hier, wilt u?”

„Maar, voor den duivel, wat bezielt jullie toch? Zal ik dan mijn eigen

kleinkind niet eens rustig in mijn armen kunnen houden, zonder dat er

telkens een vrouwspersoon komt om me haar afhandig te maken?”

„Ik wou haar in slaap sussen.”

„Alsof ik dat niet kon! Kijk, ze doet de lieve lodderoogjes toe, die

engel.... Sla de klamboe maar open, Cile; ze is al onder zeil. Zie zoo,

daar ligt ze; net een schilderij! Zie me zulke beenen eens.... ’t is

een pracht van een meid....”

„En die handjes, pa, die kleine, rose vuistjes.”

„Ja, en dan dat speknekje.... dáár kan ik maar niet afblijven.... Nu,

dag lief, lekker diertje!”

„Dag mijn mooi, zoet meisje!”

De grootvader, bang dat zijn stekelige baard het kind zal doen

ontwaken, zendt haar uit de verte een kushand toe, de moeder sluit

zorgvuldig de gordijnen, dan zien ze elkaâr aan met een gelukkigen

lach....

„Willen we een eindje gaan loopen, pa, Otto te gemoet?”

„Goed, kind!”

Als ze buiten gekomen zijn, wandelen ze eerst zwijgend naast elkander

voort, dan trekt de heer Haakstra Cecile’s arm door den zijnen en

vraagt: „Dat hadden we niet gedacht, ja Non?”

„Neen, o neen, papa!” roept ze uit. „Als ik het maar geweten had! Als

ik het maar had durven hopen, dat ik er nog eens eentje zou krijgen, al

was het over tien jaar geweest, dan zou ik wel geduld hebben gehad....”

„En je kondt niet eens je beurt afwachten....”

„’t Is waar, pa, ik heb me heel dwaas aangesteld. Ik had niet zoo

moeten dwingen om dat eenige wat me ontzegd was; ik bezat toch zooveel!

Een goed vadertje, een onbezorgd leven en een man, een man uit

duizenden....”

„Zeg het maar.... een volmaakt man!”

„Lach me niet uit, pa, bijna is hij het. Natuurlijk heeft hij zijn

gebreken, maar wat hindert dat bij iemand, die zoo goed, zoo edel, zoo

flink en verstandig is?”

„Dat is zeker, kind, je apprécieert hem, en dit kan men lang niet

zeggen van alle vrouwen die een goeden man hebben.”

„Apprécieeren.... ja! maar toch niet half genoeg! Als ik alleen maar

bedenk wat hij voor me geweest is in mijn ziekte.”

„Ja, toen heeft hij zich voorbeeldig gehouden. Ik heb hem dikwijls

bewonderd in dien tijd, want—niet dat ik iets tot je nadeel zeggen wil,

kind!—maar zoo lief als je zijt in gezonde dagen, zoo lastig kun je

wezen als je ziek bent.”

„Nu pa, u weet daar alles van!” roept ze lachend. „En als ik u nu zeg,

dat ik ziek nog niet half zoo lastig ben als ik zijn kon in dien tijd,

toen de gedachte, dat ik geen kinderen zou krijgen, me bijna

krankzinnig maakte, maar dat hij altijd goed en geduldig voor me

bleef.... dan zult u me toch toestemmen, dat hij bijna volmaakt is?”

vraagt ze met groote tranen in de schitterende oogen.

„Ik wil niets liever gelooven, kind!” zegt Haakstra, en dan: „Non, je

verwonderde je gister dat ik alweer gelegenheid gevonden om bij jullie

te komen, maar begrijp je dat niet, kind....? ’t Is omdat ik nergens

liever ben dan hier, omdat het mijn oud hart goed doet, je zoo gelukkig

te zien. Je begrijpt niet, wat dat zegt voor een vader, te weten dat

zijn dochter veilig bezorgd is bij een braaf man. Wil je gelooven,

kind, soms als ik zie hoe andere jonge vrouwen behandeld worden, dan

schiet mijn hart vol, dan weet ik uit dankbaarheid niet....”

„Stil, pa, daar komt hij aan. Laat hem in ’s hemelsnaam niets hooren;

de heeren der schepping zijn overal beter tegen bestand dan tegen lof.”

In een oogwenk is Otto van zijn paard. „Wel, dat is een goed idée van

je om me te gemoet te komen!” en hij kuste zijn vrouw. „Nonnie sliep

zeker?”

„Ja, papa heeft haar in slaap gemaakt.”

„U hebt daar slag van, geloof ik,” zegt Dorman, zich vriendelijk tot

zijn schoonvader keerend, „meer dan ik ten minste.”

„Wacht maar, als je er eens een half dozijntje gehad hebt! Jongen, je

begint er langzamerhand zoo’n pleizier in te krijgen! En let eens op

wat ik je zeg, Otto, met het zesde ben je nog veel gekker dan met

nummer een; dat hebben wij ondervonden!”

„Gekker dan we op Nonnie zijn kan het niet!” zegt Cecile. „Is ’t wel,

man?”

„Wat zei je, lieve?” vraagt Otto verstrooid.

„Nu, jongelui, ik ga verder! Ik heb mijn twee uur nog niet geloopen

vandaag en je wilt zeker liever bij manlief blijven....? Neen,

waarachtig niet, kind! ga je gang, ik kan best de zon in het water zien

schijnen. Je goede moeder had dat ook voor gewoonte: als ik van de

fabriek kwam, stond ze me al van verre op te wachten en dan was ze met

geen stokken van me af te slaan. ’k Weet niet hoe het komt, Cile, maar

je herinnert me telkens aan je moeder, en vroeger was dat toch niet zoo

het geval....”

„Maar ze is in den laatsten tijd ook zoo veranderd,” zegt Otto met een

teederen blik op zijn bekoorlijk vrouwtje.

„Gekheid,” roept ze lachend. „Nu, tot straks, pa; hij is naar de tuinen

geweest en doodmoê, wed ik.”

„Ja, ik ben moê,” zegt Dorman, als ze, haar arm door den zijne,

langzaam naar huis wandelen; „ik ben dood af. Maar toch zal ik geen

rust kunnen nemen. Ik kwam alleen thuis om me te verkleeden en je te

zeggen dat ik er straks dadelijk weer op uit moet....”

„Maar Ot?”

„Ja, lieve, ’t is vervelend voor je en het spijt me wel dat het juist

treft nu pa hier logeert, maar er is niets aan te doen: Willie is ziek.

Ik zei je gister al, dat hij zoo gloeierig was; hij ligt nu in een

zware koorts.”

„Waarlijk? Dan moet je natuurlijk gaan, man! Kan ik iets voor hem

doen...? Heb je al om den dokter geschreven....? Neen? Stel dat toch

niet uit! Ik zal maar dadelijk een man te paard zenden, ja?” en ze

verhaast haar stap.

„Goed, lieve,” en hij drukt haar arm dichter aan zijn borst, terwijl ze

samen het huis betreden.

„Nu, man, ik ga een sterken bouillon klaar maken en dan zullen we ook

wat snoeperijtjes inpakken.... je weet wel van die ingelegde vruchten,

die hem laatst zoo gesmaakt hebben, toen hij ook ziek was.”

„Valt het je niet op, Cecile, dat Willie dikwerf ziek is in den

laatsten tijd?”

„Ja. Ga nu wat op den divan liggen. Hier is een kop thee.”

„Ik begrijp niet wat hem scheelt. Je weet hoe ik er op gesteld was, dat

hij bij Swiff zou komen, hoe lief ik het van je vond toen je daar niets

meer tegen hadt.... maar wie kon toen denken dat het mensch tweelingen

zou krijgen? ’t Is waar, de goede ziel doet wat ze kan; maar ze is zwak

en dan dat eeuwigdurend gesukkel met haar eigen kinderen... neen,

Willie krijgt niet de zorg, die hem toekomt.”

„’t Spijt me zoo, Otto, te meer omdat ik het arme ventje niet gaarne

weer ergens anders heen zou sturen, vooral met het oog op dat telkens

ziek zijn. Neen, Otto, zoo kan het niet langer. Er moet een verandering

komen in dien toestand, die langzamerhand onhoudbaar wordt,” zegt ze,

zich plotseling tot hem keerend.

„Wat bedoel je, Cecile?” en hij richt zich haastig overeind.

„Ik bedoel.... dat het hier koel en stil is en dat je rustig moet gaan

slapen en je niet bezorgd maken over Willie, omdat....”

„Omdat....? Nu, Cecile, omdat....?”

„Omdat.... Willie ook nog een mama heeft, al is het tot dusver eene

heel slechte mama geweest!”

Indische Huwelijken · 第 16 / 27 题