Toen de heer Haakstra, bezweet en vermoeid, terugkwam van de wandeling,
die hij sedert tien jaren dagelijks deed in de nooit vervulde hoop, dat
daardoor zijn corpulentie verminderen zou, riep hij met luider stem om
selterswater, viel hijgend op een stoel neer en bemerkte volstrekt
niet, dat zijn dochter niet zoo spraakzaam was als anders.
Maar toen Cecile, bij een rechtstreeksche vraag, de oogen naar hem
ophief, kwam het glas, op weg naar zijn dorstige lippen, tot staan en
gilde hij: „Ze heeft waarachtig gehuild! Cile, Cile, wat is er?”
„Ik weet niet pa.... een beetje zenuwachtigheid....”
„Gekibbeld? Is Otto onaardig geweest? Zeg het, Cile!”
„O neen! Zenuwachtigheid, anders niet.”
„Het kind dan?” vraagt de grootvader, ontsteld bij de gedachte.
„Het kind....?” en Cecile slaat de groote oogen naar hem op,
„Nonnie.... neen. Maar er is nòg een kind en daar dacht ik aan, aan dat
arme kleine ventje. Papa,” en ze legt haar hand op zijn arm en ziet hem
in het gelaat, „is het nooit in u opgekomen dat we indertijd slecht en
hardvochtig gehandeld hebben jegens Otto’s voorzoon?”
„Neen, Cecile, integendeel!”
„Ik geloof u gaarne, papa! Ik heb onze handelwijze ook nooit in dat
licht beschouwd, tot.... kleine Non geboren werd. Maar sinds zij er is,
sinds ik haar bezit.... weet ik zeker dat we er heel slecht aan gedaan
hebben!”
„Maar kind....?!”
„Neen, word nu niet boos; laat me alles zeggen, pa! ik kan het niet
langer zwijgen! Toen ik zoo ziek was en met den dag zwakker werd en
eindelijk een gevoel kreeg alsof ik nooit weer beter zou worden, toen
heeft me altijd de gedachte vervolgd, dat, als ik stierf, er een andere
vrouw zou komen en Non, onze arme kleine Non, behandelen zooals ik
Willie behandeld heb.”
„Maar,” barst de oude heer los, „je kondt toch weten dat zoo iets nooit
gebeuren zou. Grootpa was er ook nog!”
„Ja,” zegt Cecile langzaam en dof, „dat is zoo. Willie had geen
grootpa; Willie had niemand om hem te beschermen, niemand dan zijn
vader! En dien hebben wij hem afgenomen.”
Er volgt een lange stilte. Eindelijk begint de oude man:
„Maak je me daar een verwijt van, Cecile?”
„Neen, verre van daar! Ik weet dat u dacht te handelen voor mijn
bestwil; ik weet dat u bij alles bestuurd werd door uw groote liefde
voor mij. Dat is uw verontschuldiging. En ik wist toen nog niet hoe
lief men zijn kind hebben kan.... ik wist toen nog niet, zooals ik het
nu weet, wat het zijn moet als ze je kind van je wegnemen.... neen, ik
heb het toen niet begrepen, wat mijn arme man daaronder lijden moest.”
„Je vergeet, Cile, dat Dorman onmogelijk voor dien jongen voelen kan,
wat jij voor Nonnie voelt bijvoorbeeld.”
„Zeg dat niet. De moeder was bij de geboorte gestorven en hij heeft met
een oude baboe altijd alleen voor hem gezorgd. Nu, u weet dat men zelfs
van een hond of kat kan gaan houden door hem steeds liefde te bewijzen,
hoeveel meer van zoo’n aanvallig kind?”
„Aanvallig? Ken je den jongen dan, Cecile? Ik dacht dat je altijd
geweigerd hadt hem te zien?!”
„Ja, zoo dwaas ben ik geweest! Maar, o papa, in den tijd vóór Nonnie’s
geboorte, toen ik daar maanden lang stil in mijn kamer liggen moest,
toen ben ik over heel veel dingen gaan nadenken.... ’t was of het
moederlijk gevoel reeds in me wakker werd, lang vóór ik moeder was, en
toen, toen reeds had ik zooveel deernis met het arm verstooten kind. De
eerste keer, dat we na mijn bevalling uitreden, heb ik Otto gevraagd me
bij hem te brengen. Hij kwam in ons rijtuig en hij heeft me mama
genoemd met de armpjes om mijn hals en zijn lief, zacht gezichtje tegen
het mijne aan.... sedert kan ik hem niet vergeten.... ik voel me zoo
schuldig jegens hem, vooral nu hij ziek is!”
„Is hij ziek?”
„Ja, Otto gaat van nacht bij hem waken. Papa, als hij eens erger
werd.... als hij eens stierf....? Zijn vader zou het ons nooit vergeven
en we zouden niet meer goed kunnen maken wat we misdaan hebben.”
„Zou je dat wenschen, Cile?” vraagt hij, niet dan na eenigen strijd met
zichzelven. „Goedmaken?”
„Ja,” zegt ze ernstig, plechtig bijna. „Ik zou het wenschen om der
wille van het kind en van Dorman en ook....” gaat ze fluisterend voort,
„ook om Nonnie’s wil; soms is het me of ik in haar gestraft zal
worden....”
„Stil, kind, stil! Zeg toch niet zulke akelige dingen!” roept de oude
heer ontsteld. Dan trekt hij zijn lieveling naar zich toe en vraagt
zacht: „Meen je dat waarachtig, Cile....? En wat zou je dan willen
doen?”
„Wat ik zou willen doen?” roept ze uit. „O goeie, lieve pa, ik zie het
aan uw oogen, dat u het al half met me eens zijt! Ik zou naar hem toe
willen vliegen en hem hier halen en verzorgen....”
„Wel, jou malle meid!” roept Haakstra nu onder een vervaarlijk snuiten.
„’t Is vreemd, zooals je me vandaag aan je moeder denken doet.... Zij
zou.... ja, ik geloof dat ze het kind ook zou gehaald hebben.... wat is
er, ouwe totebel?” wendt hij zich eensklaps tot Nonnie’s meid.
„Nonnie nangis,” zegt de baboe.
„Ja we zouden haar heelemaal vergeten,” roept Cecile verschrikt, „het
arme kind zal honger hebben.”
Maar terwijl ze haastig naar binnen gaat, vindt ze nog een oogenblik
tijd om den arm om haars vaders hals te slaan en twee, drie kussen op
zijn betraand gezicht te drukken.
Nadat de kleine verzorgd, de bouillon geproefd en goed bevonden, het
mandje met versnaperingen gereed gemaakt was, ging het nijver
huisvrouwtje manlief wekken met de tijding, dat ze een uur vroeger dan
gewoonlijk had laten dekken, en hij dus vóór zijn vertrek naar Swiff
den inwendigen mensch wat versterken kon.
Op het punt van aan tafel te gaan, misten ze echter den ouden heer.
Kromau verklaarde dat hij was uitgereden, Ketjil dat hij reeds was
teruggekeerd, Djan dat hij in het geheel niet uit geweest was, tot
eindelijk de baboe kwam zeggen, dat mijnheer in de slaapkamer was.
„In onze slaapkamer?” riep Dorman. „Wat voert hij dáár uit?”
„Hij zal met Nonnie spelen,” zei Cecile.
Maar de heer Haakstra speelde niet met zijn kleinkind. Hij stond,
vuurrood en terwijl groote zweetdroppels op zijn gelaat parelden,
midden in het vertrek, met beide handen geklemd om de gesloten klamboe
van het ledikant.
„Wel, papa, we hebben u overal gezocht.... Wat doet u hier in het
heilige der heiligen? En wat verstopt u daar in ons bed?” vraagt Dorman
vroolijk.
Maar hij ontvangt geen antwoord.
„Papa, als u het goed vondt, wilden we wat vroeg eten. Dorman moet
dadelijk weg,” begint Cecile nu.
„Onnoodig!” spreekt de oude heer op zeer afdoenden toon.
„Integendeel! hoog noodig! Ik moet om acht uur hier van daan,” roept
Dorman, die ongeduldig begint te worden.
„Onnoodig zeg ik je.”
„Maar, hoe kunt u nu volhouden....?”
„Je woudt naar je jongske gaan? Nu, ik zeg en ik houd vol dat het
onnoodig is...!”
Met één forschen ruk slaat hij de klamboe open en Willie vliegt op zijn
vader toe.
Een oogenblik staat Dorman onbewegelijk, het kind in de armen gedrukt;
dan spreekt hij met bevende stem: „Willie, geef grootpa een kus!”
„Neen, kind, mij moet je niet kussen,” roept Haakstra, maar steekt toch
ondertusschen het aardig knaapje zijn behaard gezicht toe. „En jij ook,
kerel, wees niet gek.... ’t is schande genoeg dat ik je kind zoo
vervolgd heb, terwijl jij goed en trouw was voor het mijne.... Je
begrijpt toch wel wie er achter heeft gezeten....?”
„Cecile! O, mijn lieve vrouw!”
Maar Cecile voert vader en echtgenoot naar het bedje, waarin Nonnie
sluimert; dan fluistert ze: „Kust haar, bedankt haar! Zij is de kleine
wonderdoenster, die mijn hart heeft verzacht.”