Half acht.
Mevrouw Dorman ziet naar de pendule, legt haar boek neer en buigt het
hoofd voorover als iemand die luistert. Dan springt ze ongeduldig op
van haar stoel, treedt naar het raam en staart naar buiten.
’t Is pikdonker: ze ziet niets, maar ze hoort hoe de regen klettert en
neêrvalt in dichte stroomen, hoe de rivier bruist en buldert met
onheilspellend geraas.... en ze zucht bij de gedachte dat manlief uit
is in zulk een hondeweer.
’t Gebeurt niet dikwerf dat Otto haar wachten laat.
Hij weet daarvoor te goed hoe lang haar de tijd valt in zijn
afwezigheid, hij verlangt daarvoor te zeer naar het vriendelijk tehuis,
waar zijn vrouw hem tegentreedt met een kus en een lach, altijd
opgewekt, altijd vroolijk, keurig gekleed en gekapt, met dezelfde
aardige manieren en onschuldige koketterie, die eertijds den vader, nu
den echtgenoot, onweerstaanbaar boeien.
Acht uur.
Ze neemt haar plaats op het aardig stoeltje bij de marmeren tafel
wederom in en slaat het boek, dat ze straks zoo knorrig neêrwierp,
open, maar lezen kan ze niet; ze luistert naar den stormwind
daarbuiten.
Jammer dat hij zoo laat komt!
Den geheelen langen, regenachtigen dag had ze zich verheugd op een
gezellig avondje; er was een groote trommel gekomen van het
Leesgezelschap, ze had met hem de illustraties willen zien, en dan was
er die roman van Ebers, die zooveel opgang maakte; hij zou er haar een
paar hoofdstukken uit voorlezen, had hij beloofd.....
Als hij maar geen ongeluk gekregen heeft! Het is zoo donker en men kan
zoo licht van den weg afraken.... links waar dat akelige diepe ravijn
is.... o God.... hij zal toch niet?.... Maar neen; dat is het geraas
van wielen, heel in de verte nog, maar toch naderend, steeds
naderend.... ja, Goddank! daar is hij!
Reeds is ze naar voren gevlogen, reeds heft ze het verheugd gezichtje
tot hem op om den welkomstgroet te ontvangen.
„Dag man! Ben je daar eindelijk?”
„Dag kind! Ik heb je lang laten wachten, hè? Buiten mijn schuld,
lieve.”
„Wat een weêr.... Otto, is er iets gebeurd?”
Eerst nu hij onder het volle licht der lampen kwam, heeft ze gezien hoe
bleek hij is, hoe strak en somber zijn gelaat staat.
„O God!” roep ze op eens, „er is bloed aan je handen, bloed aan je
kleêren....”
Verwonderd ziet hij haar aan. „Bloed? heb ik waarlijk zijn kop tot
bloed geslagen? Nu, Cecile, maak je daar niet ongerust over, ’t is een
beetje schurkenbloed.... Kom, geef me wat verwarmends te drinken....
dan ga ik me verkleeden!”
Met bevende hand schenkt ze een glas cognac in, dan volgt ze hem naar
de kleedkamer en als ze de deuren gesloten heeft, achter den jongen die
mijnheers natte laarzen uittrok, zegt ze op vasten toon: „Ik moet weten
wat het is.”
Het duurt lang voor er antwoord komt; hij werpt het eene natte
kleedingstuk na het andere van zich; eerst als hij ze voor slaapbroek
en kabaia heeft verwisseld, valt hij op den divan neer en zegt: „Wat
het is? Ik heb een schurk afgeranseld.... half dood geslagen.... dàt is
het!”
„Dat is niet alles, Otto!”
„Neen. Maar het overige....”
„Is het iets akeligs?”
„Akelig?” vraagt hij met een zonderlingen lach, „akelig! o neen! Je
vader zou het ten minste niets akelig vinden.... ’t geldt immers maar
zoo’n leelijken lippert....”
„O, Otto....”
„’t Is waar, er is een arm, hulpeloos wezentje mishandeld! God! wie
weet hoe lang en hoe vaak reeds mishandeld.... Maar dat komt er immers
niet op aan? Het was een kleurling, begrijp je, een onecht.... och, hoe
noemt je vader dat ook weer.... een zwarte aap.... Maar Cecile! die
zwarte aap, die onecht, die kleurling, dat is mijn kind.... mijn kind!
mijn arme, lieve, kleine Willie....”
Ze naderde hem en nam de handen weg, die hij voor het gelaat had
geslagen; toen kuste ze het klamme voorhoofd, streek de vochtige haren
terug van de slapen en zeide vriendelijk: „Je bent overspannen, Otto.
Je hebt je veel te veel vermoeid; en dàt terwijl je den geheelen dag
nog niets gebruikte.... kom, laten we verstandig zijn en eerst kalm
gaan eten, dan kun je me straks vertellen wat er gebeurd is.”
Hij liet zich gewillig naar de pendoppo voeren, waar hun een dier
uitstekende dinéetjes wachtte, waarvan Cecile het geheim bezat; maar
hij deed haar tafel weinig eer aan.
Bleef Otto’s gelaat somber en droevig, Cecile scheen alle treurige
gedachten van zich te hebben geweerd om geheel het vriendelijk, zorgend
huismoedertje te wezen; ze bediende haar man zelve, ze animeerde hem om
toch een goed glas wijn te drinken, na dien akeligen tocht door storm
en regen; ze vertelde opgewekt de kleine gebeurtenissen van den dag, in
één woord, ze gebruikte al de middelen, die een vrouw ten dienste staan
om haar man in betere stemming te brengen.
Toen het eten was afgeloopen, liet ze het theeblad in haar kamer, haar
lief gezellig boudoir, gereed zetten, nam een werkje in handen, zette
zich op de canapé, trok Dorman’s lagen luierstoel zoo dicht mogelijk
tot zich en schonk hem een kopje in.
Niet zoodra had hij aan de stomme en toch zoo welsprekende uitnoodiging
gehoor gegeven of ze vroeg: „Nu, Otto, zeg me nu wat er gebeurd is?
Kom, man, wat maakt je zoo bedroefd?”
En als hij zwijgen blijft: „’t Moet wel iets buitengewoons zijn, dat
het je zoo onrechtvaardig kon maken jegens papa....”
„Ja, ik had dat niet moeten zeggen; ik weet dat het je grieft, Cecile.
Maar onrechtvaardig! onrechtvaardig? Neen! Of spreekt hij niet altijd
met zoo’n minachting over vóórkinderen. Heeft hij niet altijd allerlei
bijnamen gereed voor die arme schepsels, alsof het hun schuld was dat
Europeanen leven met inlandsche vrouwen, alsof zij er iets aan konden
doen dat hun moeder een javaansche was? Neen, Cecile, onrechtvaardig is
het niet! Of heeft hij je niet opgebracht in datzelfde vooroordeel? Zou
je mijn arm jongske zoo wreed verstooten hebben als je vader het niet
had gewild? Neen, kind, daar ben je te goed voor! Maar.... o, ik weet
het.... hij heeft je het hoofd warm gemaakt; je hebt je laten opstoken;
je hebt er je door hem toe laten gebruiken om me over te halen tot het
doen van die belofte, die vervloekte belofte, waarbij ik mijn eigen
kind, mijn vleesch en bloed verloochen....”
Een donkere blos komt het gelaat der jonge vrouw verven.
„Dorman, wat draaf je weer door! Mag ik weten tot het doen van welke
belofte ik je heb overgehaald? Je bent met papa overeengekomen dat je
zoon erkend zou worden, dat er dertig duizend gulden op hem zou worden
vastgezet, dat hij over een paar jaar met ons mee zou gaan naar Holland
om daar als een groot heer te worden opgevoed, dat je hem tot zoolang
in je nabijheid kondt houden....”
„En dat ik hem zou verbannen uit mijn huis.”
„Juist. Als je je dat nog herinnert, was je er toen bijzonder op
gesteld om iemand anders in je huis te brengen.... heb je soms berouw
van den ruil?”
Ze doet die vraag, het blozend gelaat met een allerliefsten,
uitdagenden blik tot hem gewend en een oogenblik vergeet hij alles om
in vervoering uit te roepen: „Neen, o neen! Dat weet je wel, ondeugd!
Cecile,” gaat hij dan ernstig voort, „God alleen weet wat het me gekost
heeft hem weg te zenden; je hebt me echter zijn gemis ruimschoots
vergoed! Ook zou ik er niet over denken; maar, o Cile, ik heb een
vreeselijke ontdekking gedaan.... hij wordt mishandeld, mijn arm, klein
ventje....”
„Neen, man?” vraagt ze ontsteld. „’t Is toch niet waar?”
„Ik heb het met mijn eigen oogen gezien!”
„Ben je dan vandaag op Djember geweest?”
„Ja. Ik weet wel, Cecile, we hadden afgesproken, dat ik er niet zoo
dikwerf meer heen zou gaan, maar och, soms grijpt me een
onweerstaanbaar verlangen aan om hem....”
„Ga voort. Wat zag je op Djember?”
„Ze hadden door het kletteren van den regen—want de bui overviel me
reeds op weg daarheen—mijn wagen niet hooren aankomen en—wie vond ik in
dat vreeselijk weer op zijn bloote voetjes snikkend, gillend van angst,
roepend om binnengelaten te worden?.... Willie! Cecile, ze hadden hem
bont en blauw geslagen en toen buiten de deur gezet, omdat ze hem niet
wilden hooren schreien....”
„Kassian, kassian! het arme schaap!”
„’t Schijnt dat hij al meer zoo mishandeld is. Maar hij heeft het me
eerst nu durven bekennen. Barks had hem wijsgemaakt dat hij in een hol
vol tijgers en slangen zou gegooid worden als hij iets vertelde.”
„Maar Otto, ’t is vreeselijk! En dat, terwijl je hen zoo op het hart
hebt gedrukt hem goed te behandelen, dat, terwijl we zoo’n hoog
kostgeld voor hem betalen!”
„Niet waar? Maar ik heb den ellendeling afgeranseld tot hij voor me lag
te krimpen op den grond; ik heb hem voor iederen slag, dien hij mijn
lieveling gegeven had, minstens een dozijn toegediend.”
„Flink!” zegt Cecile. „Zoo’n kindermoorder! En het arme ventje?” laat
ze er dan meelijdend op volgen.
„Dat heb ik meegenomen.”
„Meegenomen? Toch niet hierheen?” vraagt ze met plotselingen schrik.
„En al was dat zoo?.... Wees niet bang, Cecile, ik weet onder welke
voorwaarden je mijn vrouw bent geworden. Maar.... God, het is me nooit
zoo zwaar gevallen mijn belofte te houden als vanavond... Cecile, hij
drong zijn arm mishandeld lichaampje zoo tegen me aan.... hij smeekte
zoo om bij mij te blijven....”
„Waar is het kind?” vraagt ze koel en hard, met afgewend gelaat.
„Bij Swiff, de employé.”
„Hier op de fabriek? Otto, je weet dat ik hem niet zien wil!” en ze
springt overeind.
„Dat weet ik. Het is ook maar voor één nacht... Bij Swiff zou het
anders goed voor hem wezen; zijn vrouw is een zacht, lief schepsel...
en er zijn daar kinderen waarmee hij zou kunnen spelen....”
Hij houdt den smeekenden blik gevestigd op haar half afgewend gelaat:
dan grijpt hij haar hand.
„Cecile, o Cecile!”
’t Is een zware strijd die haar boezem hijgen doet en al het bloed
terugjaagt naar haar wild kloppend hart.... als ze zich eindelijk tot
hem keert, spreekt er zielenangst uit haar blik.... „Otto, Otto, eisch
dat niet van me... ik kan, ik wil dat kind niet zien!”
„Maar lieveling....?!”
„Begrijp je dat dan niet? Begrijp je dan niet wat een vreeselijk
denkbeeld het voor me is, dat de eerste de beste javaansche vrouw je
zoo’n kind geven kon, terwijl ik.... ik....! o God! Juist omdat hij
zoo’n mooi aardig jongetje is... Niet dat ik zooveel zou geëischt
hebben. In het begin... ja, toen moest ik een mooi, sterk, vlug kind
hebben, maar later vroeg ik zooveel niet meer! Als het zwak was, zou ik
het wel verzorgd hebben en gekoesterd; als het leelijk was.... wat kwam
er dat op aan? ’t Was toch ons kind! Maar dàt zelfs was nog te veel
gevraagd! Niets! Niets! Al mijn vriendinnen hebben kinderen.... ik
niet! Ik moet alleen blijven.... altijd alleen!”
„Maar Cecile, wat praat je toch? We zijn drie jaar getrouwd en de
doctoren zeggen....”
„De doctoren.... o ja! Spreek me niet van de doctoren! Geduld,
mevrouwtje! U is nog zoo jong, mevrouwtje! Een reisje naar Europa doet
wonderen, mevrouwtje! De monsters!.... Hun vrouwen hebben kinderen!”
„Lieve, wat ik je bidden mag, wind je nu niet op.”
Maar terwijl hij haar tot kalmte vermaant weet hij reeds, dat hier geen
vermanen meer baat; de wonde plek is aangeraakt; de schoone oogen
gloeien van het somber vuur, de bleeke lippen trillen onder de
hardstochtelijke taal die de herinnering aan haar gemis doet opwellen
in haar hart.
De vrienden van Dorman en ook enkele van hare kennissen veroordeelen de
jonge vrouw om haar hardvochtigheid jegens kleinen Willie, maar Otto
verwijt haar niets.
Hij heeft haar strijd gezien.
Eerst de toorn van het bedorven kind, wier wenschen altijd vervuld
waren en die nu te vergeefs vroeg om hetgeen de armste vrouw van de
fabriek in haar slendang droeg; toen het smachtend verlangen, het
wanhopig dwingen; eindelijk het opgeven harer hoop, het afstand doen
der hoogste vreugde, gevolgd door een zeker angstig ontwijken, een
soort afkeer van diezelfde lieve wezentjes, waarnaar ze zoo vurig had
verlangd, een afkeer, die zich nooit sterker openbaarde, dan wanneer er
sprake was van den armen, kleinen Willie.
Otto heeft haar strijd gezien.
En hij oefent geduld met haar. En als nu eindelijk de storm bedaart,
legt hij haar hoofd aan zijn borst en fluistert: „We hebben beiden ons
leed te dragen, Cecile; laat ons elkaar helpen!”