VI.

Half acht.

Mevrouw Dorman ziet naar de pendule, legt haar boek neer en buigt het

hoofd voorover als iemand die luistert. Dan springt ze ongeduldig op

van haar stoel, treedt naar het raam en staart naar buiten.

’t Is pikdonker: ze ziet niets, maar ze hoort hoe de regen klettert en

neêrvalt in dichte stroomen, hoe de rivier bruist en buldert met

onheilspellend geraas.... en ze zucht bij de gedachte dat manlief uit

is in zulk een hondeweer.

’t Gebeurt niet dikwerf dat Otto haar wachten laat.

Hij weet daarvoor te goed hoe lang haar de tijd valt in zijn

afwezigheid, hij verlangt daarvoor te zeer naar het vriendelijk tehuis,

waar zijn vrouw hem tegentreedt met een kus en een lach, altijd

opgewekt, altijd vroolijk, keurig gekleed en gekapt, met dezelfde

aardige manieren en onschuldige koketterie, die eertijds den vader, nu

den echtgenoot, onweerstaanbaar boeien.

Acht uur.

Ze neemt haar plaats op het aardig stoeltje bij de marmeren tafel

wederom in en slaat het boek, dat ze straks zoo knorrig neêrwierp,

open, maar lezen kan ze niet; ze luistert naar den stormwind

daarbuiten.

Jammer dat hij zoo laat komt!

Den geheelen langen, regenachtigen dag had ze zich verheugd op een

gezellig avondje; er was een groote trommel gekomen van het

Leesgezelschap, ze had met hem de illustraties willen zien, en dan was

er die roman van Ebers, die zooveel opgang maakte; hij zou er haar een

paar hoofdstukken uit voorlezen, had hij beloofd.....

Als hij maar geen ongeluk gekregen heeft! Het is zoo donker en men kan

zoo licht van den weg afraken.... links waar dat akelige diepe ravijn

is.... o God.... hij zal toch niet?.... Maar neen; dat is het geraas

van wielen, heel in de verte nog, maar toch naderend, steeds

naderend.... ja, Goddank! daar is hij!

Reeds is ze naar voren gevlogen, reeds heft ze het verheugd gezichtje

tot hem op om den welkomstgroet te ontvangen.

„Dag man! Ben je daar eindelijk?”

„Dag kind! Ik heb je lang laten wachten, hè? Buiten mijn schuld,

lieve.”

„Wat een weêr.... Otto, is er iets gebeurd?”

Eerst nu hij onder het volle licht der lampen kwam, heeft ze gezien hoe

bleek hij is, hoe strak en somber zijn gelaat staat.

„O God!” roep ze op eens, „er is bloed aan je handen, bloed aan je

kleêren....”

Verwonderd ziet hij haar aan. „Bloed? heb ik waarlijk zijn kop tot

bloed geslagen? Nu, Cecile, maak je daar niet ongerust over, ’t is een

beetje schurkenbloed.... Kom, geef me wat verwarmends te drinken....

dan ga ik me verkleeden!”

Met bevende hand schenkt ze een glas cognac in, dan volgt ze hem naar

de kleedkamer en als ze de deuren gesloten heeft, achter den jongen die

mijnheers natte laarzen uittrok, zegt ze op vasten toon: „Ik moet weten

wat het is.”

Het duurt lang voor er antwoord komt; hij werpt het eene natte

kleedingstuk na het andere van zich; eerst als hij ze voor slaapbroek

en kabaia heeft verwisseld, valt hij op den divan neer en zegt: „Wat

het is? Ik heb een schurk afgeranseld.... half dood geslagen.... dàt is

het!”

„Dat is niet alles, Otto!”

„Neen. Maar het overige....”

„Is het iets akeligs?”

„Akelig?” vraagt hij met een zonderlingen lach, „akelig! o neen! Je

vader zou het ten minste niets akelig vinden.... ’t geldt immers maar

zoo’n leelijken lippert....”

„O, Otto....”

„’t Is waar, er is een arm, hulpeloos wezentje mishandeld! God! wie

weet hoe lang en hoe vaak reeds mishandeld.... Maar dat komt er immers

niet op aan? Het was een kleurling, begrijp je, een onecht.... och, hoe

noemt je vader dat ook weer.... een zwarte aap.... Maar Cecile! die

zwarte aap, die onecht, die kleurling, dat is mijn kind.... mijn kind!

mijn arme, lieve, kleine Willie....”

Ze naderde hem en nam de handen weg, die hij voor het gelaat had

geslagen; toen kuste ze het klamme voorhoofd, streek de vochtige haren

terug van de slapen en zeide vriendelijk: „Je bent overspannen, Otto.

Je hebt je veel te veel vermoeid; en dàt terwijl je den geheelen dag

nog niets gebruikte.... kom, laten we verstandig zijn en eerst kalm

gaan eten, dan kun je me straks vertellen wat er gebeurd is.”

Hij liet zich gewillig naar de pendoppo voeren, waar hun een dier

uitstekende dinéetjes wachtte, waarvan Cecile het geheim bezat; maar

hij deed haar tafel weinig eer aan.

Bleef Otto’s gelaat somber en droevig, Cecile scheen alle treurige

gedachten van zich te hebben geweerd om geheel het vriendelijk, zorgend

huismoedertje te wezen; ze bediende haar man zelve, ze animeerde hem om

toch een goed glas wijn te drinken, na dien akeligen tocht door storm

en regen; ze vertelde opgewekt de kleine gebeurtenissen van den dag, in

één woord, ze gebruikte al de middelen, die een vrouw ten dienste staan

om haar man in betere stemming te brengen.

Toen het eten was afgeloopen, liet ze het theeblad in haar kamer, haar

lief gezellig boudoir, gereed zetten, nam een werkje in handen, zette

zich op de canapé, trok Dorman’s lagen luierstoel zoo dicht mogelijk

tot zich en schonk hem een kopje in.

Niet zoodra had hij aan de stomme en toch zoo welsprekende uitnoodiging

gehoor gegeven of ze vroeg: „Nu, Otto, zeg me nu wat er gebeurd is?

Kom, man, wat maakt je zoo bedroefd?”

En als hij zwijgen blijft: „’t Moet wel iets buitengewoons zijn, dat

het je zoo onrechtvaardig kon maken jegens papa....”

„Ja, ik had dat niet moeten zeggen; ik weet dat het je grieft, Cecile.

Maar onrechtvaardig! onrechtvaardig? Neen! Of spreekt hij niet altijd

met zoo’n minachting over vóórkinderen. Heeft hij niet altijd allerlei

bijnamen gereed voor die arme schepsels, alsof het hun schuld was dat

Europeanen leven met inlandsche vrouwen, alsof zij er iets aan konden

doen dat hun moeder een javaansche was? Neen, Cecile, onrechtvaardig is

het niet! Of heeft hij je niet opgebracht in datzelfde vooroordeel? Zou

je mijn arm jongske zoo wreed verstooten hebben als je vader het niet

had gewild? Neen, kind, daar ben je te goed voor! Maar.... o, ik weet

het.... hij heeft je het hoofd warm gemaakt; je hebt je laten opstoken;

je hebt er je door hem toe laten gebruiken om me over te halen tot het

doen van die belofte, die vervloekte belofte, waarbij ik mijn eigen

kind, mijn vleesch en bloed verloochen....”

Een donkere blos komt het gelaat der jonge vrouw verven.

„Dorman, wat draaf je weer door! Mag ik weten tot het doen van welke

belofte ik je heb overgehaald? Je bent met papa overeengekomen dat je

zoon erkend zou worden, dat er dertig duizend gulden op hem zou worden

vastgezet, dat hij over een paar jaar met ons mee zou gaan naar Holland

om daar als een groot heer te worden opgevoed, dat je hem tot zoolang

in je nabijheid kondt houden....”

„En dat ik hem zou verbannen uit mijn huis.”

„Juist. Als je je dat nog herinnert, was je er toen bijzonder op

gesteld om iemand anders in je huis te brengen.... heb je soms berouw

van den ruil?”

Ze doet die vraag, het blozend gelaat met een allerliefsten,

uitdagenden blik tot hem gewend en een oogenblik vergeet hij alles om

in vervoering uit te roepen: „Neen, o neen! Dat weet je wel, ondeugd!

Cecile,” gaat hij dan ernstig voort, „God alleen weet wat het me gekost

heeft hem weg te zenden; je hebt me echter zijn gemis ruimschoots

vergoed! Ook zou ik er niet over denken; maar, o Cile, ik heb een

vreeselijke ontdekking gedaan.... hij wordt mishandeld, mijn arm, klein

ventje....”

„Neen, man?” vraagt ze ontsteld. „’t Is toch niet waar?”

„Ik heb het met mijn eigen oogen gezien!”

„Ben je dan vandaag op Djember geweest?”

„Ja. Ik weet wel, Cecile, we hadden afgesproken, dat ik er niet zoo

dikwerf meer heen zou gaan, maar och, soms grijpt me een

onweerstaanbaar verlangen aan om hem....”

„Ga voort. Wat zag je op Djember?”

„Ze hadden door het kletteren van den regen—want de bui overviel me

reeds op weg daarheen—mijn wagen niet hooren aankomen en—wie vond ik in

dat vreeselijk weer op zijn bloote voetjes snikkend, gillend van angst,

roepend om binnengelaten te worden?.... Willie! Cecile, ze hadden hem

bont en blauw geslagen en toen buiten de deur gezet, omdat ze hem niet

wilden hooren schreien....”

„Kassian, kassian! het arme schaap!”

„’t Schijnt dat hij al meer zoo mishandeld is. Maar hij heeft het me

eerst nu durven bekennen. Barks had hem wijsgemaakt dat hij in een hol

vol tijgers en slangen zou gegooid worden als hij iets vertelde.”

„Maar Otto, ’t is vreeselijk! En dat, terwijl je hen zoo op het hart

hebt gedrukt hem goed te behandelen, dat, terwijl we zoo’n hoog

kostgeld voor hem betalen!”

„Niet waar? Maar ik heb den ellendeling afgeranseld tot hij voor me lag

te krimpen op den grond; ik heb hem voor iederen slag, dien hij mijn

lieveling gegeven had, minstens een dozijn toegediend.”

„Flink!” zegt Cecile. „Zoo’n kindermoorder! En het arme ventje?” laat

ze er dan meelijdend op volgen.

„Dat heb ik meegenomen.”

„Meegenomen? Toch niet hierheen?” vraagt ze met plotselingen schrik.

„En al was dat zoo?.... Wees niet bang, Cecile, ik weet onder welke

voorwaarden je mijn vrouw bent geworden. Maar.... God, het is me nooit

zoo zwaar gevallen mijn belofte te houden als vanavond... Cecile, hij

drong zijn arm mishandeld lichaampje zoo tegen me aan.... hij smeekte

zoo om bij mij te blijven....”

„Waar is het kind?” vraagt ze koel en hard, met afgewend gelaat.

„Bij Swiff, de employé.”

„Hier op de fabriek? Otto, je weet dat ik hem niet zien wil!” en ze

springt overeind.

„Dat weet ik. Het is ook maar voor één nacht... Bij Swiff zou het

anders goed voor hem wezen; zijn vrouw is een zacht, lief schepsel...

en er zijn daar kinderen waarmee hij zou kunnen spelen....”

Hij houdt den smeekenden blik gevestigd op haar half afgewend gelaat:

dan grijpt hij haar hand.

„Cecile, o Cecile!”

’t Is een zware strijd die haar boezem hijgen doet en al het bloed

terugjaagt naar haar wild kloppend hart.... als ze zich eindelijk tot

hem keert, spreekt er zielenangst uit haar blik.... „Otto, Otto, eisch

dat niet van me... ik kan, ik wil dat kind niet zien!”

„Maar lieveling....?!”

„Begrijp je dat dan niet? Begrijp je dan niet wat een vreeselijk

denkbeeld het voor me is, dat de eerste de beste javaansche vrouw je

zoo’n kind geven kon, terwijl ik.... ik....! o God! Juist omdat hij

zoo’n mooi aardig jongetje is... Niet dat ik zooveel zou geëischt

hebben. In het begin... ja, toen moest ik een mooi, sterk, vlug kind

hebben, maar later vroeg ik zooveel niet meer! Als het zwak was, zou ik

het wel verzorgd hebben en gekoesterd; als het leelijk was.... wat kwam

er dat op aan? ’t Was toch ons kind! Maar dàt zelfs was nog te veel

gevraagd! Niets! Niets! Al mijn vriendinnen hebben kinderen.... ik

niet! Ik moet alleen blijven.... altijd alleen!”

„Maar Cecile, wat praat je toch? We zijn drie jaar getrouwd en de

doctoren zeggen....”

„De doctoren.... o ja! Spreek me niet van de doctoren! Geduld,

mevrouwtje! U is nog zoo jong, mevrouwtje! Een reisje naar Europa doet

wonderen, mevrouwtje! De monsters!.... Hun vrouwen hebben kinderen!”

„Lieve, wat ik je bidden mag, wind je nu niet op.”

Maar terwijl hij haar tot kalmte vermaant weet hij reeds, dat hier geen

vermanen meer baat; de wonde plek is aangeraakt; de schoone oogen

gloeien van het somber vuur, de bleeke lippen trillen onder de

hardstochtelijke taal die de herinnering aan haar gemis doet opwellen

in haar hart.

De vrienden van Dorman en ook enkele van hare kennissen veroordeelen de

jonge vrouw om haar hardvochtigheid jegens kleinen Willie, maar Otto

verwijt haar niets.

Hij heeft haar strijd gezien.

Eerst de toorn van het bedorven kind, wier wenschen altijd vervuld

waren en die nu te vergeefs vroeg om hetgeen de armste vrouw van de

fabriek in haar slendang droeg; toen het smachtend verlangen, het

wanhopig dwingen; eindelijk het opgeven harer hoop, het afstand doen

der hoogste vreugde, gevolgd door een zeker angstig ontwijken, een

soort afkeer van diezelfde lieve wezentjes, waarnaar ze zoo vurig had

verlangd, een afkeer, die zich nooit sterker openbaarde, dan wanneer er

sprake was van den armen, kleinen Willie.

Otto heeft haar strijd gezien.

En hij oefent geduld met haar. En als nu eindelijk de storm bedaart,

legt hij haar hoofd aan zijn borst en fluistert: „We hebben beiden ons

leed te dragen, Cecile; laat ons elkaar helpen!”

Indische Huwelijken · 第 15 / 27 题