Dus was het einde van de prozaïsche declaratie bij de kokende melk nog
prozaïscher dan het begin: er kon niets van komen, en de jongelui
schikten zich voorbeeldig in hun lot.
’t Is waar, de eerste week na die plotselinge scheiding ging wel wat
langzaam voorbij...., men heeft toch altijd een onbestemd gevoel alsof
het noodlot, het toeval tusschenbeide zal komen;.... ook de tweede week
duurde nog lang, in het bijzonder voor Cecile, die, hoe hoog ze haar
neusje ook in den wind stak en hoe vroolijk ze zong en hoe druk ze
praatte, toch niet nalaten kon ’s avonds als de brieven kwamen, even te
zien of er ook een van Soeka-Madjoe bij was.
Maar toen er een maand was voorbij gegaan, keek ze zelfs niet meer naar
de brieven; ze wandelde buitengewoon ver en reed buitengewoon wild; ze
bedacht allerlei toertjes en toen op een der naburige plaatsen een bal
werd gegeven, wilde ze er volstrekt heen.
Ze maakte een prachtig toilet, décolleteerde zich veel meer dan haar
gewoonte was, danste druk en,—wat haar anders nooit overkwam—den
volgenden dag was ze doodmoê.
Dorman had het altijd volhandig, maar sedert zijn terugkomst werkte hij
halve nachten door; hij liet zijn huis met bezemen keeren, joeg de
helft van zijn personeel weg, schold de andere helft de huid vol,
verspreidde schrik en ontsteltenis onder de werklieden op de fabriek,
sloeg de boedjans om de ooren, dat hun hoofddoeken her en der vlogen en
was woedend op de employés als deze hem, tot hun eigen verbazing,
telkens op een verzuim of vergissing betrapten.
Intusschen geloofde Willie zich in den zevenden hemel.
Zijn vader was altijd goed voor hem, maar zóó werd hij nooit met liefde
overladen, met lekkers volgepropt, met speelgoed begiftigd als in deze
dagen. ’t Was goed, dat het ventje er niets van begreep, als papa hem
dagelijks verzekerde, hoe hij zijn alles was en de rest hem niets kon
schelen—maar vreemd moest het schijnen, dat hij minder van het kind kon
verdragen dan vroeger.
Zoo was dan alles in orde: Otto kon troost zoeken in zijn zoon, Cecile
in de teederheid van papa Haakstra.
Maar de belangen van een onderneming gaan boven de gevoelens van den
administrateur, ja zelfs boven die van den superintendent, en Haakstra,
die slecht met de pen terecht kon en gewoon was zijn zaken zooveel
mogelijk mondeling af te doen, zond op zekeren morgen, toen hem uit de
correspondentie bleek, dat de bedoeling van den schrijver volstrekt
niet begrepen was—een telegram waarbij de administrateur van
Soeka-Madjoe verzocht werd over te komen.
Er was niets aan te doen. Reeds den volgenden dag reed Dorman de breede
laan op. Het rijtuig hield stil voor de marmeren trappen der prachtige
villa; maar hoewel het tegen zes uur liep, de tijd dat het gezellig
wordt in de voorgalerij, dat de lampen branden, de bloemen geuren, de
stoelen tot schommelen en luieren noodigen, was er niemand vóór.
Dorman had dikwijls den kleinen Dolf verwenscht, wanneer hij Cecile als
haar schaduw volgde en elk tête à tête onmogelijk maakte; toen Dolf nu
naar buiten kwam stormen, had hij het kind kunnen zegenen.
„Is je pa niet thuis, Dolf?”
„Neen, pa is exprès uitgegaan, omdat u kwam,” spreekt dit enfant
terrible. „Waarom vindt pa het zoo „verduiveld beroerd” dat u hier
logeeren moet?” vraagt hij dan nieuwsgierig.
„’k Weet niet, Dolf. Kun je me mijn kamer wijzen?”
„Ja, dadelijk. Maar wilt u Cile niet goeden avond zeggen? Ze is in de
binnengalerij, kassian!”
„Waarom kassian?”
„Weet u dat niet? Ze is ziek! Kom maar mee! Cile, daar is meneer
Dorman, je weet wel, van dolo....”
Was dat Cecile? Hulpeloos uitgestrekt op den divan, bleek en vervallen,
de lange bruine lokken achteloos teruggeslagen op de kussens.
Dorman had zich precies voorgenomen, wat hij zeggen, hoe zij zich
houden zou, en, zooals het gewoonlijk in zulke gevallen gaat, hij deed
wat hij volstrekt niet had willen doen; hij riep „Cecile?” alsof hij
haar nog altijd liefhad.
„Dag mijnheer Dorman!” zei ze met een lachje zoo weemoedig als hij
nooit had gezien om haar lippen. „Ik kan u geen hand geven,” voegde ze
er verlegen bij.
„Haar hand is gebroken,” verklaarde Dolf.
„Mijn God, Cecile, ’t is toch niet waar?” riep Otto, die op een stoel
naast haar rustbank was neergevallen en de andere hand in de zijne
hield.
„Neen, ’t is nog niet zeker. De dokter heeft er een gipsverband om
gelegd; over vijf dagen wordt het losgemaakt. Maar mijn voet is
verzwikt—en o, mijnheer Dorman, ik lig hier al vier weken....”
Hij begreep ten volle wat dit beteekende: Cecile veroordeeld tot vier
weken stil liggen!
„Maar mijn hemel, kind! hoe is het gekomen?”
„’t Is mijn eigen schuld geweest! Roméo was dol, het had drie dagen
geregend en hij had al dien tijd op stal gestaan: en ik was ook dol;
toen zijn we samen aan den haal gegaan—en hij heeft me afgegooid!”
„Dat ellendige beest! Ik dacht wel dat hij nog eens kuren zou
uithalen....”
„Arme Roméo,” zeide Cecile lachend. „Hij krijgt van alles de schuld....
pa wou hem doodschieten, mijn mooiste paardje! Maar wilt u niet iets
gebruiken, mijnheer Dorman? Of gaat u zich misschien eerst wat
opfrisschen? U hebt de kamer van vroeger.”
Als hij een half uur later, gebaad en verkleed, binnenkomt, ligt ze nog
in dezelfde houding, met een gesloten boek op haar schoot.
„Leest u niet?” vraagt hij.
„Mijn oogen doen te veel pijn. Ik lees den heelen dag; de letters
beginnen me voor het gezicht te dansen.”
Een lange stilte volgt. Eindelijk spreekt Otto terwijl hij het boek
opneemt: „Mag ik wat voor je lezen, Cecile?”
„Wil je, Dorman?”
Hij had een melodieuse stem en het was een aandoenlijke
liefdesgeschiedenis; toen de heer Haakstra eindelijk thuiskwam,
voornemens „den vent die zijn Non voor zoo’n leelijken liplap had
opgegeven,” heel onaangenaam te behandelen, bleef hij stom van
verbazing in de deur der binnengalerij staan.
Hij zou in de eerstvolgende dagen nog meer gelegenheid vinden om zich
te verbazen.
De zaken, die de administrateur met zijn superintendent te bespreken
had, waren van dien aard, dat de heer Haakstra meende reden te hebben
om nu en dan los te barsten in zware onweersbuien.
Dit verlichte hem, want er had zich bijzonder veel electriciteit bij
hem opgehoopt: de post van ziekenoppasser was weinig geschikt voor den
ouden heer, vooral bij zoo’n prikkelbaar patiënt als Cecile was, want,
weinig gewoon aan ziekte of tegenspoed, was haar humeur er niet op
verbeterd door het in huis blijven. De vader verdroeg alles; maar als
Dorman niet juist bijtijds gekomen was, had hij misschien een beroerte
gekregen. Nu ging hij ’s morgens naar het kantoor en kon daar zoo lang
en zoo hard hij verkoos razen en tieren. Dorman was bijzonder geduldig
en als de gastheer soms een oogenblik bedaarde en opmerkte, dat ze
niets vooruit kwamen op die manier, zei de gast, dat het er niet op
aankwam, dat hij tijd genoeg had, dat het zijn plicht was aan te hooren
welke de meening van den superintendent was in deze hoogst moeilijke
zaak.
Niet alleen als bliksemafleider deed Dorman dienst.
„Ik moet je de courant nog voorlezen, Non!” zei Haakstra zuchtend.
„’t Is heel lief van u, pa, maar mijnheer Dorman heeft het al gedaan,”
antwoordde Cecile met een licht blosje.
„Als u soms lust hebt in een toertje, mijnheer Haakstra, ik wil met
genoegen juffrouw Cecile gezelschap houden,” sprak Otto.
„Laat den tuinjongen maar begaan, pa; mijnheer Dorman heeft al naar de
bloemen gezien en me die mooie bouquet gebracht.”
Toen het Zaterdagavond werd, kon de oude heer weer als vroeger zijn
vast partijtje maken. Cecile animeerde hem er zelfs toe; pa hoefde
volstrekt niet bang te zijn, dat ze zich vervelen zou, ze zou met
mijnheer Dorman een spelletje schaken.
Alweer staarde de oude heer haar verwonderd aan; toen hij haar had
voorgesteld te schaken, vond ze het vervelend.
Intusschen was de aandoenlijke liefdesgeschiedenis tot een eind gekomen
en bij de slotscène, die bijzonder treffend was, hadden Otto en Cecile
elkander aangezien.... één oogenblik slechts, want Cecile wilde niet
weten dat ze zoo flauw kon zijn van bij een boek te schreien.... maar
toch lang genoeg.
Intusschen was ook de dag aangebroken waarop het gipsverband van
Cecile’s hand zou worden losgeknipt.
De heer Haakstra was er eenigszins aan gewoon geraakt om door zijn
dochter te worden verbaasd, maar wat hem aangreep, toen hij op dien dag
onverwacht binnentrad, was meer dan verbazing: het was ontzetting!
„Papa,” riep Cecile, terwijl ze zich blozend losmaakte uit de armen die
haar, o zoo vast! omknelden, „papa, de dokter is er geweest; mijn hand
is geheel in orde.... ik wist er niets beters meê te doen dan hem aan
mijnheer Dorman te geven....”