V.

Dus was het einde van de prozaïsche declaratie bij de kokende melk nog

prozaïscher dan het begin: er kon niets van komen, en de jongelui

schikten zich voorbeeldig in hun lot.

’t Is waar, de eerste week na die plotselinge scheiding ging wel wat

langzaam voorbij...., men heeft toch altijd een onbestemd gevoel alsof

het noodlot, het toeval tusschenbeide zal komen;.... ook de tweede week

duurde nog lang, in het bijzonder voor Cecile, die, hoe hoog ze haar

neusje ook in den wind stak en hoe vroolijk ze zong en hoe druk ze

praatte, toch niet nalaten kon ’s avonds als de brieven kwamen, even te

zien of er ook een van Soeka-Madjoe bij was.

Maar toen er een maand was voorbij gegaan, keek ze zelfs niet meer naar

de brieven; ze wandelde buitengewoon ver en reed buitengewoon wild; ze

bedacht allerlei toertjes en toen op een der naburige plaatsen een bal

werd gegeven, wilde ze er volstrekt heen.

Ze maakte een prachtig toilet, décolleteerde zich veel meer dan haar

gewoonte was, danste druk en,—wat haar anders nooit overkwam—den

volgenden dag was ze doodmoê.

Dorman had het altijd volhandig, maar sedert zijn terugkomst werkte hij

halve nachten door; hij liet zijn huis met bezemen keeren, joeg de

helft van zijn personeel weg, schold de andere helft de huid vol,

verspreidde schrik en ontsteltenis onder de werklieden op de fabriek,

sloeg de boedjans om de ooren, dat hun hoofddoeken her en der vlogen en

was woedend op de employés als deze hem, tot hun eigen verbazing,

telkens op een verzuim of vergissing betrapten.

Intusschen geloofde Willie zich in den zevenden hemel.

Zijn vader was altijd goed voor hem, maar zóó werd hij nooit met liefde

overladen, met lekkers volgepropt, met speelgoed begiftigd als in deze

dagen. ’t Was goed, dat het ventje er niets van begreep, als papa hem

dagelijks verzekerde, hoe hij zijn alles was en de rest hem niets kon

schelen—maar vreemd moest het schijnen, dat hij minder van het kind kon

verdragen dan vroeger.

Zoo was dan alles in orde: Otto kon troost zoeken in zijn zoon, Cecile

in de teederheid van papa Haakstra.

Maar de belangen van een onderneming gaan boven de gevoelens van den

administrateur, ja zelfs boven die van den superintendent, en Haakstra,

die slecht met de pen terecht kon en gewoon was zijn zaken zooveel

mogelijk mondeling af te doen, zond op zekeren morgen, toen hem uit de

correspondentie bleek, dat de bedoeling van den schrijver volstrekt

niet begrepen was—een telegram waarbij de administrateur van

Soeka-Madjoe verzocht werd over te komen.

Er was niets aan te doen. Reeds den volgenden dag reed Dorman de breede

laan op. Het rijtuig hield stil voor de marmeren trappen der prachtige

villa; maar hoewel het tegen zes uur liep, de tijd dat het gezellig

wordt in de voorgalerij, dat de lampen branden, de bloemen geuren, de

stoelen tot schommelen en luieren noodigen, was er niemand vóór.

Dorman had dikwijls den kleinen Dolf verwenscht, wanneer hij Cecile als

haar schaduw volgde en elk tête à tête onmogelijk maakte; toen Dolf nu

naar buiten kwam stormen, had hij het kind kunnen zegenen.

„Is je pa niet thuis, Dolf?”

„Neen, pa is exprès uitgegaan, omdat u kwam,” spreekt dit enfant

terrible. „Waarom vindt pa het zoo „verduiveld beroerd” dat u hier

logeeren moet?” vraagt hij dan nieuwsgierig.

„’k Weet niet, Dolf. Kun je me mijn kamer wijzen?”

„Ja, dadelijk. Maar wilt u Cile niet goeden avond zeggen? Ze is in de

binnengalerij, kassian!”

„Waarom kassian?”

„Weet u dat niet? Ze is ziek! Kom maar mee! Cile, daar is meneer

Dorman, je weet wel, van dolo....”

Was dat Cecile? Hulpeloos uitgestrekt op den divan, bleek en vervallen,

de lange bruine lokken achteloos teruggeslagen op de kussens.

Dorman had zich precies voorgenomen, wat hij zeggen, hoe zij zich

houden zou, en, zooals het gewoonlijk in zulke gevallen gaat, hij deed

wat hij volstrekt niet had willen doen; hij riep „Cecile?” alsof hij

haar nog altijd liefhad.

„Dag mijnheer Dorman!” zei ze met een lachje zoo weemoedig als hij

nooit had gezien om haar lippen. „Ik kan u geen hand geven,” voegde ze

er verlegen bij.

„Haar hand is gebroken,” verklaarde Dolf.

„Mijn God, Cecile, ’t is toch niet waar?” riep Otto, die op een stoel

naast haar rustbank was neergevallen en de andere hand in de zijne

hield.

„Neen, ’t is nog niet zeker. De dokter heeft er een gipsverband om

gelegd; over vijf dagen wordt het losgemaakt. Maar mijn voet is

verzwikt—en o, mijnheer Dorman, ik lig hier al vier weken....”

Hij begreep ten volle wat dit beteekende: Cecile veroordeeld tot vier

weken stil liggen!

„Maar mijn hemel, kind! hoe is het gekomen?”

„’t Is mijn eigen schuld geweest! Roméo was dol, het had drie dagen

geregend en hij had al dien tijd op stal gestaan: en ik was ook dol;

toen zijn we samen aan den haal gegaan—en hij heeft me afgegooid!”

„Dat ellendige beest! Ik dacht wel dat hij nog eens kuren zou

uithalen....”

„Arme Roméo,” zeide Cecile lachend. „Hij krijgt van alles de schuld....

pa wou hem doodschieten, mijn mooiste paardje! Maar wilt u niet iets

gebruiken, mijnheer Dorman? Of gaat u zich misschien eerst wat

opfrisschen? U hebt de kamer van vroeger.”

Als hij een half uur later, gebaad en verkleed, binnenkomt, ligt ze nog

in dezelfde houding, met een gesloten boek op haar schoot.

„Leest u niet?” vraagt hij.

„Mijn oogen doen te veel pijn. Ik lees den heelen dag; de letters

beginnen me voor het gezicht te dansen.”

Een lange stilte volgt. Eindelijk spreekt Otto terwijl hij het boek

opneemt: „Mag ik wat voor je lezen, Cecile?”

„Wil je, Dorman?”

Hij had een melodieuse stem en het was een aandoenlijke

liefdesgeschiedenis; toen de heer Haakstra eindelijk thuiskwam,

voornemens „den vent die zijn Non voor zoo’n leelijken liplap had

opgegeven,” heel onaangenaam te behandelen, bleef hij stom van

verbazing in de deur der binnengalerij staan.

Hij zou in de eerstvolgende dagen nog meer gelegenheid vinden om zich

te verbazen.

De zaken, die de administrateur met zijn superintendent te bespreken

had, waren van dien aard, dat de heer Haakstra meende reden te hebben

om nu en dan los te barsten in zware onweersbuien.

Dit verlichte hem, want er had zich bijzonder veel electriciteit bij

hem opgehoopt: de post van ziekenoppasser was weinig geschikt voor den

ouden heer, vooral bij zoo’n prikkelbaar patiënt als Cecile was, want,

weinig gewoon aan ziekte of tegenspoed, was haar humeur er niet op

verbeterd door het in huis blijven. De vader verdroeg alles; maar als

Dorman niet juist bijtijds gekomen was, had hij misschien een beroerte

gekregen. Nu ging hij ’s morgens naar het kantoor en kon daar zoo lang

en zoo hard hij verkoos razen en tieren. Dorman was bijzonder geduldig

en als de gastheer soms een oogenblik bedaarde en opmerkte, dat ze

niets vooruit kwamen op die manier, zei de gast, dat het er niet op

aankwam, dat hij tijd genoeg had, dat het zijn plicht was aan te hooren

welke de meening van den superintendent was in deze hoogst moeilijke

zaak.

Niet alleen als bliksemafleider deed Dorman dienst.

„Ik moet je de courant nog voorlezen, Non!” zei Haakstra zuchtend.

„’t Is heel lief van u, pa, maar mijnheer Dorman heeft het al gedaan,”

antwoordde Cecile met een licht blosje.

„Als u soms lust hebt in een toertje, mijnheer Haakstra, ik wil met

genoegen juffrouw Cecile gezelschap houden,” sprak Otto.

„Laat den tuinjongen maar begaan, pa; mijnheer Dorman heeft al naar de

bloemen gezien en me die mooie bouquet gebracht.”

Toen het Zaterdagavond werd, kon de oude heer weer als vroeger zijn

vast partijtje maken. Cecile animeerde hem er zelfs toe; pa hoefde

volstrekt niet bang te zijn, dat ze zich vervelen zou, ze zou met

mijnheer Dorman een spelletje schaken.

Alweer staarde de oude heer haar verwonderd aan; toen hij haar had

voorgesteld te schaken, vond ze het vervelend.

Intusschen was de aandoenlijke liefdesgeschiedenis tot een eind gekomen

en bij de slotscène, die bijzonder treffend was, hadden Otto en Cecile

elkander aangezien.... één oogenblik slechts, want Cecile wilde niet

weten dat ze zoo flauw kon zijn van bij een boek te schreien.... maar

toch lang genoeg.

Intusschen was ook de dag aangebroken waarop het gipsverband van

Cecile’s hand zou worden losgeknipt.

De heer Haakstra was er eenigszins aan gewoon geraakt om door zijn

dochter te worden verbaasd, maar wat hem aangreep, toen hij op dien dag

onverwacht binnentrad, was meer dan verbazing: het was ontzetting!

„Papa,” riep Cecile, terwijl ze zich blozend losmaakte uit de armen die

haar, o zoo vast! omknelden, „papa, de dokter is er geweest; mijn hand

is geheel in orde.... ik wist er niets beters meê te doen dan hem aan

mijnheer Dorman te geven....”

Indische Huwelijken · 第 14 / 27 题