IV.

Door de spanning, waarin hij de laatste dagen verkeerde, had Dorman

verzuimd, als naar gewoonte de bedienden kennis te geven van zijn

terugkomst, en toen hij in zijn woning aankwam, vond hij in plaats van

de lekkere rijsttafel, die hem welkom geweest zou zijn, alles in de

diepste rust.

De jongen, die hem vergezeld had, liep naar de bediendenkamers en in

afwachting dat het dezen gelukken zou de slapers te wekken, wierp de

heer des huizes zich op een divan in de binnengalerij.

Het ongeluk wilde dat hij naar boven keek, naar het plafond; toen

rondom zich; toen naar den grond: Hemelsche goedheid! hij wist dat het

wanordelijk bij hem toeging, dat er veel vuil en weinig schoon gemaakt

werd in zijn huis, maar dat het er zóó smerig, zóó haveloos uitzag, dat

had hij nooit geweten.

Zonder te bedenken dat ook bij hem gewoonte tweede natuur was geworden,

dat zijn oog weinig of niet meer werd geërgerd door stof en spinrag,

vuil en vlekken, vóór hij die weinige weken had doorgebracht in een

nette omgeving, maakte Dorman zich zóó driftig, dat hij haast het

oogenblik niet kon afwachten waarop hij zijn luie, vuile jongens onder

handen zou nemen.

De spen, wreed ontrukt aan de armen zijner gade, nog slaapdronken, en

zich slechts ten deele bewust, dat zijn haastig gemaakt toilet

volstrekt niet voldoet aan de eischen der zindelijkheid, komt het eerst

aanloopen. Maar hij wordt slecht beloond voor zijn ijver.

„Hoe durf je met zoo’n baadje binnenkomen, smeerlap?” is de eerste

begroeting, en dan: „Scheer je weg!”

De spen is verplet. Hoe kan hij ook weten dat toewan in den laatsten

tijd altijd jongens om zich heen zag, gekleed in het helderste wit?

De kok, verwaand als alle javaansche kokken, zoodra ze iets meer kunnen

dan rijst koken, vindt het in het geheel niet zooals het behoort, dat

hij gestoord werd in zijn middagdutje, maar zooals het de gewoonte is

in jongeheeren-huishoudens, hij stormt naar den goedang, haalt een paar

blikken en gaat ze warm maken.... ’t Is hoogst onaangenaam dat mijnheer

op zoo’n ongelegen uur komt, maar over een kwartiertje kan kok weer op

zijn balé balé liggen.

„Waarom zijn die frikkadellen niet opgebraden?” vraagt Dorman als het

eerste gerecht wordt binnengebracht. De bedienden trekken het wezenloos

gezicht, dat ze voor zekere gelegenheden gereed houden, maar weldra

klinkt het: „Roep den kok!”

Het air van onbeschaamdheid waarmede deze zijn heer wilde tegentreden,

maakt voor dat van schrik en bescheidenheid plaats, als hij hem in de

oogen heeft gezien; gedreven door een plotseling ontwaakt plichtgevoel,

vliegt hij naar de keuken en binnen den kortst mogelijken tijd komt het

gerecht op tafel, zooals het behoort.

Dorman proeft en zucht: „O, Cecile! uw frikkadel....!”

De jongens hopen nog iets van het oogenblik, dat mijnheer alles zal

vergeten in het genot van het eten, maar hun hoop blijkt ijdel:

tusschen iedere bete, na elken dronk barsten er vragen los, waarop ze

het antwoord schuldig moeten blijven.

„Waarom is er geen mosterd? Kunnen ze geen zuur geven? Schamen ze zich

niet om met een kapot tafellaken te dekken....? Waar is de naaister?

Niet binnengekomen? Dan heeft ze haar ontslag!”

Een paniek verspreidt zich onder het personeel.

„Wat is er gevaren in hun heer, hun zachtmoedigen heer, op wien ze

sedert jaren straffeloos proeven namen, hoe schandelijk ze hem

bedriegen, hoe brutaal ze hem bestelen konden, met hoe weinig bediening

hij wel tevreden zou zijn....”

„O Cecile,” zucht intusschen Otto Dorman, „wat zag je tafel er altijd

uitlokkend uit....”

Nog staan de jongens te rillen en te beven, den angstigen blik

gevestigd op het gelaat, dat bleek is van ergernis, als ze het

plotseling zien veranderen; een zachte glimlach komt den mond

ontplooien, een blijde glans ligt in het somber starend oog....

Ieder keert zich naar de zijde van waar die betoovering kwam... dáár,

in de deur der slaapkamer, staat het liefste kind, dat ooit een

onwettig vader het hart deed zwellen van teederheid.

’t Was een knaapje van ruim drie jaar, met een blonden krullebol en

groote lichtblauwe oogen door zwarte wimpers beschaduwd, met een

donkerrooden blos op de bruine wangen en een aardig rond gezichtje,

waarin de min of meer dikke lippen en de eenigszins platte neus

volstrekt niet misstonden.

„Papa, papa!”

„Willie, mijn lieve Willie.... Ben je blij dat paatje terug is?” en hij

sluit het kind aan zijn borst.

„Ja, Willie zoo alleen, Willie zoo sakit hati” [1], fluistert het

knaapje, terwijl hij de kusjes van zijn vader beantwoordt.

De spen brengt den hoogen stoel, waarop Willem altijd zit, aan tafel.

Maar hij verlaat zijn plaats op papa’s knie niet, hij heeft zooveel te

vertellen, zooveel opgespaarde liefdeblijkjes te geven.... Zijn bord en

glas worden gebracht, maar hij schuift ze ter zijde, hij wil eten van

papa’s bord, drinken uit papa’s glas.

„Pa gaat mee naar bed met Willie?” vraagt hij eindelijk met dat vleiend

stemgeluid, dat misschien de grootste bekoorlijkheid van een kind is.

„Willie mag slapen in papa’s armen, ja?”

Dit voorstel vindt bijval en weldra liggen vader en zoon in het groote

ledikant, dat ze meest samen deelen, hoewel het heet dat Willem in zijn

eigen bedje slaapt. In papa’s armen liggen is de geliefkoosde houding

van het jongske, en spoedig komt dan ook het woelig hoofdje tot rust,

staken de bezige handjes hun spel, krijgt het vriendelijk gezichtje die

uitdrukking van ongestoord geluk, van volmaakte tevredenheid, die,

helaas! slechts op kindergezichtjes te lezen is!

Maar hoewel vermoeid, hoewel gewoon aan het middagdutje op dit uur,

Otto Dorman kan de zoo gewenschte rust niet vinden.

Als wilde horden vlogen hem de gedachten door het hoofd; ze lieten zich

niet beteugelen de verlangens, de wenschen.... onstuimig joeg hem het

bloed door de aderen bij de herinnering aan die koninklijke gestalte en

hoe ze een oogenblik had gerust in zijn armen; bij de herinnering aan

dien warmen blik vol zoete beloften, aan de bloeiende schoonheid die

hem had kunnen toebehooren....

Wat had hij gedaan....?

Hij schold zich een dwaas.... hij wilde alles herstellen, nog heden tot

haar terugkeeren.... zij moet de zijne worden, ondanks alle bezwaren,

ondanks alle hinderpalen....

Haastig springt hij overeind.... die beweging doet zijn jongske

ontwaken. „Papa.... niet weggaan? Willie niet meer alleen laten!”

„Neen, mijn jongen!”

„Nooit? Nooit meer? Papa moet denken, Willie zoo alleen als papa

weg....”

Nog even last het knaapje zijn lieve vingertjes over vaders gelaat

glijden; dan zoekt hij zijn hand en brengt die naar zijn lippen.... zoo

sluimert hij weer in.

Maar de vader buigt zich dieper en dieper over zijn slapend kind:....

de strijd op het bleek gelaat, in het brandend oog is bedaard; een

traan valt op de blonde krullen, als hij fluistert: „Slaap gerust, mijn

jongen; papa zal bij Willie blijven.... altijd!”

Indische Huwelijken · 第 13 / 27 题