Door de spanning, waarin hij de laatste dagen verkeerde, had Dorman
verzuimd, als naar gewoonte de bedienden kennis te geven van zijn
terugkomst, en toen hij in zijn woning aankwam, vond hij in plaats van
de lekkere rijsttafel, die hem welkom geweest zou zijn, alles in de
diepste rust.
De jongen, die hem vergezeld had, liep naar de bediendenkamers en in
afwachting dat het dezen gelukken zou de slapers te wekken, wierp de
heer des huizes zich op een divan in de binnengalerij.
Het ongeluk wilde dat hij naar boven keek, naar het plafond; toen
rondom zich; toen naar den grond: Hemelsche goedheid! hij wist dat het
wanordelijk bij hem toeging, dat er veel vuil en weinig schoon gemaakt
werd in zijn huis, maar dat het er zóó smerig, zóó haveloos uitzag, dat
had hij nooit geweten.
Zonder te bedenken dat ook bij hem gewoonte tweede natuur was geworden,
dat zijn oog weinig of niet meer werd geërgerd door stof en spinrag,
vuil en vlekken, vóór hij die weinige weken had doorgebracht in een
nette omgeving, maakte Dorman zich zóó driftig, dat hij haast het
oogenblik niet kon afwachten waarop hij zijn luie, vuile jongens onder
handen zou nemen.
De spen, wreed ontrukt aan de armen zijner gade, nog slaapdronken, en
zich slechts ten deele bewust, dat zijn haastig gemaakt toilet
volstrekt niet voldoet aan de eischen der zindelijkheid, komt het eerst
aanloopen. Maar hij wordt slecht beloond voor zijn ijver.
„Hoe durf je met zoo’n baadje binnenkomen, smeerlap?” is de eerste
begroeting, en dan: „Scheer je weg!”
De spen is verplet. Hoe kan hij ook weten dat toewan in den laatsten
tijd altijd jongens om zich heen zag, gekleed in het helderste wit?
De kok, verwaand als alle javaansche kokken, zoodra ze iets meer kunnen
dan rijst koken, vindt het in het geheel niet zooals het behoort, dat
hij gestoord werd in zijn middagdutje, maar zooals het de gewoonte is
in jongeheeren-huishoudens, hij stormt naar den goedang, haalt een paar
blikken en gaat ze warm maken.... ’t Is hoogst onaangenaam dat mijnheer
op zoo’n ongelegen uur komt, maar over een kwartiertje kan kok weer op
zijn balé balé liggen.
„Waarom zijn die frikkadellen niet opgebraden?” vraagt Dorman als het
eerste gerecht wordt binnengebracht. De bedienden trekken het wezenloos
gezicht, dat ze voor zekere gelegenheden gereed houden, maar weldra
klinkt het: „Roep den kok!”
Het air van onbeschaamdheid waarmede deze zijn heer wilde tegentreden,
maakt voor dat van schrik en bescheidenheid plaats, als hij hem in de
oogen heeft gezien; gedreven door een plotseling ontwaakt plichtgevoel,
vliegt hij naar de keuken en binnen den kortst mogelijken tijd komt het
gerecht op tafel, zooals het behoort.
Dorman proeft en zucht: „O, Cecile! uw frikkadel....!”
De jongens hopen nog iets van het oogenblik, dat mijnheer alles zal
vergeten in het genot van het eten, maar hun hoop blijkt ijdel:
tusschen iedere bete, na elken dronk barsten er vragen los, waarop ze
het antwoord schuldig moeten blijven.
„Waarom is er geen mosterd? Kunnen ze geen zuur geven? Schamen ze zich
niet om met een kapot tafellaken te dekken....? Waar is de naaister?
Niet binnengekomen? Dan heeft ze haar ontslag!”
Een paniek verspreidt zich onder het personeel.
„Wat is er gevaren in hun heer, hun zachtmoedigen heer, op wien ze
sedert jaren straffeloos proeven namen, hoe schandelijk ze hem
bedriegen, hoe brutaal ze hem bestelen konden, met hoe weinig bediening
hij wel tevreden zou zijn....”
„O Cecile,” zucht intusschen Otto Dorman, „wat zag je tafel er altijd
uitlokkend uit....”
Nog staan de jongens te rillen en te beven, den angstigen blik
gevestigd op het gelaat, dat bleek is van ergernis, als ze het
plotseling zien veranderen; een zachte glimlach komt den mond
ontplooien, een blijde glans ligt in het somber starend oog....
Ieder keert zich naar de zijde van waar die betoovering kwam... dáár,
in de deur der slaapkamer, staat het liefste kind, dat ooit een
onwettig vader het hart deed zwellen van teederheid.
’t Was een knaapje van ruim drie jaar, met een blonden krullebol en
groote lichtblauwe oogen door zwarte wimpers beschaduwd, met een
donkerrooden blos op de bruine wangen en een aardig rond gezichtje,
waarin de min of meer dikke lippen en de eenigszins platte neus
volstrekt niet misstonden.
„Papa, papa!”
„Willie, mijn lieve Willie.... Ben je blij dat paatje terug is?” en hij
sluit het kind aan zijn borst.
„Ja, Willie zoo alleen, Willie zoo sakit hati” [1], fluistert het
knaapje, terwijl hij de kusjes van zijn vader beantwoordt.
De spen brengt den hoogen stoel, waarop Willem altijd zit, aan tafel.
Maar hij verlaat zijn plaats op papa’s knie niet, hij heeft zooveel te
vertellen, zooveel opgespaarde liefdeblijkjes te geven.... Zijn bord en
glas worden gebracht, maar hij schuift ze ter zijde, hij wil eten van
papa’s bord, drinken uit papa’s glas.
„Pa gaat mee naar bed met Willie?” vraagt hij eindelijk met dat vleiend
stemgeluid, dat misschien de grootste bekoorlijkheid van een kind is.
„Willie mag slapen in papa’s armen, ja?”
Dit voorstel vindt bijval en weldra liggen vader en zoon in het groote
ledikant, dat ze meest samen deelen, hoewel het heet dat Willem in zijn
eigen bedje slaapt. In papa’s armen liggen is de geliefkoosde houding
van het jongske, en spoedig komt dan ook het woelig hoofdje tot rust,
staken de bezige handjes hun spel, krijgt het vriendelijk gezichtje die
uitdrukking van ongestoord geluk, van volmaakte tevredenheid, die,
helaas! slechts op kindergezichtjes te lezen is!
Maar hoewel vermoeid, hoewel gewoon aan het middagdutje op dit uur,
Otto Dorman kan de zoo gewenschte rust niet vinden.
Als wilde horden vlogen hem de gedachten door het hoofd; ze lieten zich
niet beteugelen de verlangens, de wenschen.... onstuimig joeg hem het
bloed door de aderen bij de herinnering aan die koninklijke gestalte en
hoe ze een oogenblik had gerust in zijn armen; bij de herinnering aan
dien warmen blik vol zoete beloften, aan de bloeiende schoonheid die
hem had kunnen toebehooren....
Wat had hij gedaan....?
Hij schold zich een dwaas.... hij wilde alles herstellen, nog heden tot
haar terugkeeren.... zij moet de zijne worden, ondanks alle bezwaren,
ondanks alle hinderpalen....
Haastig springt hij overeind.... die beweging doet zijn jongske
ontwaken. „Papa.... niet weggaan? Willie niet meer alleen laten!”
„Neen, mijn jongen!”
„Nooit? Nooit meer? Papa moet denken, Willie zoo alleen als papa
weg....”
Nog even last het knaapje zijn lieve vingertjes over vaders gelaat
glijden; dan zoekt hij zijn hand en brengt die naar zijn lippen.... zoo
sluimert hij weer in.
Maar de vader buigt zich dieper en dieper over zijn slapend kind:....
de strijd op het bleek gelaat, in het brandend oog is bedaard; een
traan valt op de blonde krullen, als hij fluistert: „Slaap gerust, mijn
jongen; papa zal bij Willie blijven.... altijd!”