Wat de oude heer volstrekt niet bedoeld had, toen hij donderslag op
donderslag ratelen deed, was gebeurd: de bliksem sloeg in; eenige
drukte in het logeergebouw en het voorbij rollen van den wagen, waarmee
Dorman zich naar het nabijgelegen spoorwegstation laat brengen,
bewijzen het.
Het geklikklak van een paar damesslofjes wordt gehoord op den marmeren
vloer der voorgalerij, de deur is geopend, iemand is genaderd, zeer
dicht genaderd, maar de heer Haakstra is zóó verdiept in zijn
schrijfwerk, dat hij niets hoort.... och, er zijn oogenblikken, waarin
die groote man zoo klein is.
„Papa!”
Hij weet dat ze vóór hem staat, de donkere oogen fonkelend van drift,
de kleine handjes tot vuisten gebald; hij kent zijn dochter en.... hij
is bang voor haar.
„Ja, Non, ja! Stoor me nu niet, lieve, ik heb een massa werk....”
vraagt hij dringend, smeekend bijna.
„Ik moet u spreken. Leg die pen maar neêr, pa!”
„Waarlijk, Cecile....”
„Papa.... ik ben volstrekt niet in een stemming om me met praatjes te
laten afschepen.”
Ze neemt hem de pen uit de handen, alsof hij een ondeugend kind geweest
was dat tot zijn plicht moet gebracht worden. „Mag ik van u weten,
papa, wat er tusschen u en mijnheer Dorman is voorgevallen?” vraagt ze
dan.
„Ja zeker, lieve. Maar ga toch zitten. Je bent zoo schrikkelijk
opgewonden, kind!”
„Wilt u me zeggen wat u mijnheer Dorman geantwoord hebt....? Of neen:
doe het niet! Laat ik u eerst eens iets zeggen, papa.”
„Ga je gang, kind, ga je gang!” roept Haakstra, verheugd over het
uitstel dat hem geschonken wordt.
Een gloeiende blos komt Cecile’s gelaat bedekken en haar stem is veel
minder vast dan daareven, nu ze voortgaat: „Papa, Dorman heeft me
gevraagd, dat weet u. En ik heb hem aangenomen, dat weet u ook.
Maar.... wat u niet weet is dat er deze keer niets tegen te doen valt.”
„Mijn lieve kind, niemand zal beproeven er iets tegen te doen. Dorman
is een beste kerel en ik had hem graag tot schoonzoon gehad,
waarachtig! Maar....”
„Maar?”
„Cecile, mijn lieve Non, je weet zeker niet dat hij.... een kind
heeft?”
Ze wordt doodsbleek en staart haar vader verschrikt in het gelaat. „Is
dat waar, pa?”
„Ja, lieve, maar al te waar,” antwoordt de oude heer.
„Dat is erg jammer,” zegt het meisje na een lange stilte.
„Niet waar? O, ik wist wel, dat je het een vreeselijk bezwaar zoudt
vinden.”
„Ja, dat is zeker. Ofschoon.... ziet u, er zou wel iets aan te doen
zijn.... Hij kan het wegsturen.”
„Maar dat is het juist! Ik sprak natuurlijk ook dadelijk van wegsturen,
de kampong in, of naar Holland, of de Hemel weet waarheen! Maar daar
wil hij niets van hooren; het kind moet bij hem blijven.”
„Is hij gek?” vraagt Cecile, die enkele kernachtige uitdrukkingen van
papa heeft overgenomen.
„Ja, kind, dat mag je wel vragen.”
„Maar hij zal toch wel tot andere gedachten te brengen zijn.... Als ik
zelve eens met hem sprak, misschien....”
„Denk dat niet, Cecile! Het schijnt dat hij dol is op dien jongen. Hij
houdt idolaat van hem.”
„Meer dan van mij ten minste,” zegt Cecile en bijt zich op de lippen en
dringt een lastigen traan terug.
„Je moet niet denken, Non,” begint nu de oude heer verteederd, „dat ik
je dit verdriet niet gaarne zou bespaard hebben.... Ik heb gedaan wat
ik kon... ja, toen alles reeds was afgehandeld, heb ik hem zelfs
teruggeroepen en gevraagd of hij het dan ten minste niet veertien dagen
in beraad wou nemen....”
„En?”
„O, hij maakte zich woedend, alleen bij de gedachte. Toen ik zijn
jongen een zwartje noemde, werd hij zoo bleek als een doek. Hij wou
naar geen rede hooren. Eindelijk heb ik gezegd dat hij naar den duivel
kon loopen.... Dat vind je immers goed?”
„Goed? U hadt het wel wat beleefder kunnen uitdrukken,” antwoordt
Cecile met een flauw lachje.
„Nu ja. Maar je bent het toch met me eens? Niet waar, poes, je zult je
er niets van aantrekken?”
„Daar kent u me toch te goed voor, pa! Als hij zoo gemakkelijk afstand
kan doen van mij, dat hij het niet eens in beraad wou nemen, zou ik dan
om hem treuren?”
„En dat om zoo’n ellendigen njo, ’t is godgeklaagd!” roept de heer
Haakstra nu. „Neen, het zou al te dwaas zijn als je er je iets van
aantrokt, Non! Als je trouwen wilt, dan zijn er plenty goede partijen
in de buurt. En mijn mooi meisje kan immers kiezen....”
„Maar ik had nu al gekozen, pa! En u weet, bedorven kinderen krijgen
graag hun zin....”
„Ja. Maar Cile, hoe is het nu toch mogelijk? Je kent dien man nog geen
veertien dagen en je zou voor hem je armen ouden vader gaan
verlaten....?”
„Pa, niet aandoenlijk worden....!” zegt Cecile.
„En ik die nog wel dacht dat ik alles gedaan had om je het leven
prettig te maken. Ik, die geloofde dat je voor mij en Dolf niet zoo
heelemaal onverschillig....”
„Schei toch uit, pa....” en Cecile’s stem beeft.
„Mijn lieveling, ik kan je niet missen.... En je hadt me beloofd dat je
niet van me zoudt weggaan!”
„Dat zou ik ook niet. Neen, mijn lief, goed, oud brombeertje, dat zou
ik ook niet,” roept Cecile uit, en de armen om haars vaders hals
geslagen, kust ze hem op het gebruind gezicht; dan verbergt ze
eensklaps het hoofd aan zijn borst, en fluistert: „Dat zou ik ook niet;
maar.... o, papa! ik hield zooveel van hem.”