Herinnerde Cecile met haar frissche schoonheid en vroolijken lach aan
een zonnestraal, papa deed denken aan een donkere wolk, zwanger van
storm en onweêr.
De man was echter zoo kwaad niet als hij scheen, of liever hij was in
het geheel niet kwaad, maar hij nam er den schijn van aan; een slechte
gewoonte, waardoor hij zichzelf het meest overlast aandeed, daar
niemand zich om zijn gebulder bekommerde en zijn bloedrijk gestel
altijd reden gaf om te vreezen voor een beroerte.
„Wat kom je doen, Dorman?” vraagt hij niet onvriendelijk, als deze, na
afloop van het ontbijt, zijn kamer binnentreedt, om het verzoek te
wagen, dat, zooals Cecile lachend verklaarde, alle kans heeft om te
worden afgewezen.
„Goeden morgen, mijnheer Haakstra,” begint Dorman vrij overbodig, daar
hij zijn schoonpapa in spe reeds tweemaal dien ochtend ontmoet heeft.
„Ik zou het niet gewaagd hebben u te storen, maar zooals u weet,
straks.... zou ik weggaan.”
„Is uw vertrek uitgesteld?”
„Neen, dat niet.... maar ik wou u toch vóór dien tijd even spreken, als
het niet ongelegen komt....”
„Ik dacht dat we alle zaken hadden afgehandeld!”
„’t Geldt ook geen zaken. ’t Was.... ik heb... de hand gevraagd van uw
dochter, mijnheer Haakstra!”
„Wat? Van Cecile?.... Dat had je wel kunnen laten!”
Er is reeds iets van langzaam naderenden donder in Haakstra’s stem.
Dorman, beleedigd door dien uitval, antwoordt: „Cecile schijnt op dit
punt anders te denken.”
„Hé....? Je wilt toch niet beweren dat ze ja gezegd heeft?”
„Hebt u iets tegen me, mijnheer Haakstra?” vraagt Dorman, plotseling
kalm en rustig geworden tegenover dien ruwen toon.
„Natuurlijk heb ik iets tegen je,” barst de oude heer los. „Dàt komt je
je eenigste weghalen, je lieveling, je hulp en steun, en dàt vraagt je
dan nog met een uitgestreken gezicht: „„Hebt u iets tegen me, mijnheer
Haakstra?””
„Ik weet,” begint de minnaar nu gemoedelijk, „hoe onmisbaar Cecile voor
u is en ik begrijp volkomen hoe hard het u vallen moet haar af te
staan, maar....”
Een ratelende donderslag.
„Afstaan?” buldert de bedreigde vader. „Afstaan? Cecile! Neen, zoover
zijn we nog niet! Ik heb het nu vier jaar lang tegengehouden, en ik kan
het nog langer tegenhouden ook! Maar nu een andere vraag, mijnheer
Dorman. Wat zijn uwe antecedenten, dat u om mijn dochter komen durft?”
De man, reeds lang rood van woede, wordt donkerpaars in zijn verweerd
gezicht, maar Dorman is doodsbleek en zijn lippen beven, als hij fier
het hoofd opheft en zijn tegenstander in de oogen ziet.
„Mijn antecedenten zijn van dien aard, dat ze mij het volste recht
geven uw dochter tot vrouw te vragen, mijnheer! U kent mijn familie,”
gaat hij kalmer voort, „ik geloof dat ze wel met de uwe gelijk staat. U
weet ook dat ik een weinig fortuin te wachten heb. Ik heb altijd in
beschaafde kringen geleefd en een wetenschappelijke opvoeding genoten;
aan de Militaire Academie te Breda officier geworden, heb ik vijf jaar
gediend; niet zonder eer, dat bewijst mijn Willemsorde....”
„Alles goed en wel,” spreekt Haakstra een weinig ter neer gezet; „maar
de vraag is: waarvan moet Cecile leven?”
„Toen ik den dienst verliet om administrateur van Soeka-Madjoe te
worden, is me een tractement van ƒ 600 ’s maands toegestaan, benevens
de gewone voordeelen, vrije woning, en zoo voorts! Ik maakte tot dusver
jaarlijks tien- à vijftienduizend gulden aan procenten....”
Een nieuwe slag, zwaarder dan de vorige.
„Maar voor den duivel, als je dat alles hebt, dan kun je kiezen. Waarom
moet je dan juist om mijn Non komen?”
„Ik ben niet om Cecile gekomen: het toeval heeft ons saâm gebracht.
Toch.... toch, mijnheer Haakstra, heb ik nog lang geaarzeld eer ik haar
vroeg.... toch durfde ik haast niet op uwe toestemming rekenen.... Er
is één groot bezwaar tegen ons huwelijk, waarop ik het mijn plicht acht
u te wijzen vóór we verder gaan.... Ik heb een kind!”
Als had een slang hem gestoken, zoo springt Haakstra overeind. „Een
kind! Wel vervloekt.... Hoe kom je dááraan?”
Dorman acht het overbodig die vraag te beantwoorden.
„Een kind!” buldert de superintendent weer. „Een kind! Schaam je je
niet, jou kijk in de wereld!”
Een flauw lachje speelt om Otto’s lippen, als hij antwoordt: „Ik ben
dertig jaar, mijnheer!”
„Schande te meer! Iemand op dien leeftijd moest zulke dwaasheden niet
begaan! Een kind.... God bewaar me! En waarvoor wou je dan mijn Cecile
hebben? Om haar door een jaloersche ménagère te laten vergiftigen?”
„De moeder is dood!”
„Zoo? Je zegt het waarachtig of het je spijt! Dat is ten minste nog een
geluk bij een ongeluk! Je zoudt... je zoudt dat kind natuurlijk de
kampong in sturen?”
„Neen, dat zou ik niet!”
„Naar Holland dan?”
„Neen! Mijn plan is mijn zoon bij me te houden.”
„Bij je houden? Als je met Cecile getrouwd bent?”
„Ik hoop dat zij een moeder zal willen wezen voor mijn arm jongske; ik
verwacht dit van haar...”
„Eén woord, mijnheer Dorman. Al was Cecile er toe te bewegen,—maar dat
is ze niet, want ze heeft een afschuw van dat zwarte goedje,—maar al
was ze er toe te bewegen, dan zou ik nooit—verstaat u me, nooit! mijn
toestemming geven. De jongen moet weg.”
„Ik mag, ik wil mijn eigen vleesch en bloed niet verstooten,” spreekt
Dorman even vast als de heer Haakstra sprak.
„De jongen moet weg! Als u wezenlijk van mijn dochter hieldt, zoudt u
geen oogenblik aarzelen om voor haar dat kleine offer te brengen....”
„Een klein offer.... o Mijnheer, hoe kunt u, die zelf vader zijt, zoo
iets zeggen?...”
„Daar kom ik niet in. De jongen moet weg. Mijn Non met een vóórkind op
te schepen! Alsof er niet reeds genoeg huwelijken ongelukkig zijn
geworden door die verwenschte vóórkinderen.... Neen, de jongen moet
weg!”
„Is dat uw laatste woord, mijnheer Haakstra?”
„Mijn laatste woord.... Om je de waarheid te zeggen, Dorman, het spijt
me. Als ik Non dan toch moest afstaan, dan zou ik het nog maar liever
aan u doen, dan aan een ander. Maar stuur dien aap weg!”
„Hij is geen aap! En ik stuur hem niet weg! Mijnheer Haakstra, ik
geloof dat ons onderhoud verder nergens toe leiden kan. Er rest mij
niets dan u dank te zeggen voor de genoten gastvrijheid; wilt u mijn
groeten en de betuiging van mijn innig leedwezen overbrengen aan
juffrouw Cecile?”
Reeds houdt hij den knop van de deur in zijn hand, als Haakstra hem
toeroept: „à propos, Dorman.... zeg er eens.... hm, hm, je bent zoo
schrikkelijk heet gebakerd.... Ik wou alleen maar weten.... hm....
heeft Cecile je gezegd dat ze veel van je hield?”
„Ja.”
„Zou ze het zich aantrekken, denk je?”
„Ik denk het wel!”
„Als je dan nog eens niet in de zaak besliste? Als je het nog eens een
veertien dagen in beraad naamt en een goede gelegenheid zocht om dat
zwartje kwijt te raken....”
„Het spijt mij, mijnheer, maar.... ik mag het zelfs niet in beraad
nemen.”
„Loop dan naar den duivel!”