„En als ik nu eens neen zeide?” vroeg ze lachend.
„Maar je zult niet neen zeggen....”
„Dat weet ik nog zoo zeker niet.”
„Cecile?!”
„Mijnheer Dorman.... Stil, Otto, och!.... laat me toch los. Nu dan, ik
zeg niet neen.... Maar.... de melk kookt!”
Dit was de liefdesverklaring van den heer Dorman en de wijze waarop
juffrouw Haakstra die liefdesverklaring ontving.
’t Vond plaats op een killen morgen, toen de bergen achter dikke nevels
verscholen lagen en de regendruppels met eentonig getik neervielen van
takken en daken; ’t vond plaats op de nuchtere maag in het ongezelligst
hoekje van het geheele huis, waar ze, ieder met een kop koffie in de
hand, stonden te wachten op het koken van de melk....!
Alles zoo prozaïsch mogelijk!
Maar wanneer het anders dan prozaïsch geweest was, wanneer de minnaar
gesproken had van gloeiende liefde of eeuwige trouw, dan zou de
uitverkorene, losbarstend in haar heldersten lach, zijn weggeloopen van
den „mallen kwast”; nu liet ze de melk verkoken, terwijl hij haar kuste
en nogmaals kuste, alsof niet papa op zijn koffie wachtte.—
Cecile Haakstra is een der frissche, krachtige bloemen, die op
Oosterschen bodem tieren: ze groeien op in de heerlijke berglucht, ze
verbranden door het zonnetje, dat de blanke tint bruint, maar warmen
gloed roept op de donzige wangen; ze worden gezond en sterk, ze blijven
vroolijk en onbezorgd als kinderen, ook dan wanneer de slanke leest,
door niets beklemd, zich reeds ontwikkelde tot den vollen wasdom der
jonkvrouw.
Schuldeloos en onbevreesd staarden Cecile’s groote eerlijke oogen de
wereld in; de lachende mond met de schitterend witte tandjes was nooit
om een antwoord verlegen; het aardig wipneusje scheen uit te noodigen
tot den strijd, de mooie, kleine handjes waren krachtig en gespierd
genoeg om het vurigst paard te mennen; met de fijne voetjes stapte ze
moedig over groote keien, desnoods over modderpoelen heen.
Als Otto Dorman iemand had gezocht om in goddelijke maanlichtnachten
tochtjes te gaan maken op een Zwitsersch meer, zou hij haar niet
gekozen hebben; ook niet om op te zien naar de sterren en te droomen
van onbekende werelden of te peinzen over de raadselen des levens;
allerminst om te verzinken in liefde’s zaligheid.... ze zou onder zijn
teederste omhelzing opspringen als de melk kookte, zooals ze daar
straks deed bij zijn eersten kus.
Maar dat alles zocht hij niet.
Hij zocht een vrouw in de beteekenis, daaraan gehecht door iemand, die
jaren lang was blootgesteld aan de rampen en tegenspoeden van den
vrijgezel.
Reeds lang dacht hij over trouwen, maar trouwen schijnt een zaak te
zijn, waarover men niet te lang denken moet wil men er toe komen, en
juist begon hij het dan ook op te geven ooit een meisje naar zijn smaak
te zullen vinden, toen zaken hem met den heer Haakstra in aanraking
brachten. Otto Dorman was namelijk administrateur van een
suikerfabriek, waarover, bij afwezigheid van den eigenaar, de
superintendentie gehouden werd door Cecile’s vader, een rijk landheer,
sedert vijf jaar weduwnaar. Het bestuur der geheele huishouding rustte
op de krachtige schouders zijner oudste dochter, die ook de zorg van
haar jongste broertje op zich had genomen: de twee andere zoons genoten
hun opvoeding in Holland.
Dorman moest een paar dagen bij den superintendent doorbrengen; hij
logeerde in nette kamers, at aan een welvoorzienen disch, wandelde door
den keurig onderhouden tuin, vertoefde in de comfortable ingerichte
woning en kreeg een gewaarwording van welbehagen, zooals hij in zijn
eigen wanordelijk huis niet kende.
Als ieder Hollander vatbaar voor zeker geheim verlangen naar orde en
netheid, gevoelde hij allerlei onbestemde wenschen in hem opkomen,
wanneer hij de lieve gastvrouw, met haar sleutelmandje aan den arm,
door huis en tuin zag rondgaan, hier bevelend, daar regelend, nu
berispend, dan prijzend, maar altijd vriendelijk en vroolijk, altijd
flink en ijverig.
’t Waren maar onbestemde wenschen.
Maar toen hij een geheele week achtereen ’s morgens met haar was
uitgereden, ruimschoots in de gelegenheid om het golvend bruin haar en
de prachtige taille in het amazonenkleed te bewonderen; ’s middags haar
bespied had als ze met een vlugheid en bevalligheid, indische meisjes
eigen, zat te tooveren met de naald; ’s avonds haar geaccompagneerd had
bij het zingen harer vroolijke liedjes.... toen namen de onbestemde
wenschen een zeer duidelijken vorm aan.
Toch zou hij nog geaarzeld hebben, ja misschien was hij nooit tot een
verklaring gekomen, als Cecile’s broêrtje, de ondeugende maar aardige
Dolf, niet ziek was geworden.
Hij bemerkte met hoeveel liefde en teederheid, met hoeveel moederlijke
zorg ze het jongske oppaste, en, daar hij zijne bijzondere reden had om
vóór alles iets moederlijks te wenschen in de vrouw die hij zich koos,
was zijn besluit genomen. Hij wachtte slechts tot Dolf beter en Cecile
weer te spreken was, en verraste haar toen met de declaratie bij de
kokende melk.