II.

„Uw nichtje heeft wel gelijk, dat ze in den rouw is gegaan,” zegt de

dame met de hooge jukbeenderen en het loensche oog, die aan Gerard’s

linkerzijde is geplaatst.

„Och ’t is eigenlijk een dwaasheid in ons warm Oostje! Mama heeft er

genoeg tegen gepreekt, maar—ze was er op gesteld.”

„En òf ze gelijk had! Het dragen van zwart, te pas of te onpas, is een

geheim, waarmede de blondines haar voordeel weten te doen.”

„Om u de waarheid te zeggen geloof ik, dat mijn nichtje tegenwoordig al

heel weinig om die soort van dingen denkt,” antwoordt Gerard koel,

„daar is ze veel te bedroefd voor.”

„Zoo? Is ze nog bedroefd? Wel, men zou het haar zoo niet aanzeggen; ze

amuseert zich nog al, dunkt me, vanavond. Maar komaan, meneer van

Hoedt, daar moeten we nu ook niet al te veel van denken; u weet, er

zijn twee dingen, die men in Indië niet verwachten kan: eerlijke

dispensjongens en ontroostbare weduwen.”

„Dat er geen ontroostbare weduwnaars zijn, zou ik eer gelooven, altijd

in aanmerking nemende hoe hartelijk de vrouwen soms wezen kunnen,”—en

de heer van Hoedt keert zich eenigszins bruusk van de spreekster af

naar zijn andere buurvrouw, een lichtgetint nonnaatje, met

gazellenoogen, die hem heel lief zouden aanzien, als ze maar durfden.

Iets verder op is de jonge weduwe ook het onderwerp van discours.

„Ja, mijnheer Verweijt,” zegt de vrouw des huizes, erg in haar schik

dat alles zoo uitmuntend marcheert—„dat moogt u wèl zeggen; mijn

nichtje is erg afgevallen!”

„Maar ze is er niet minder mooi om; in mijn oog ten minste. Dat

vrouwtje heeft van kind af zoo iets liefs, zoo iets interessants

gehad....”

„Ja, ’t is een fijn gezichtje.—En, verbeeld u, die wil zich nu gaan

opsluiten als een non! Neen, ik ben het eens met Gerard—u weet, die kan

soms zoo aardig uit den hoek komen—die zeî van middag tegen haar: „Kom,

nichtjelief, je bent niet oud en niet leelijk, en dan kan een vrouw

altijd nog plezier hebben in haar leven!”

„Zeker! zeker! Nu, maar dat zal ze zelf ook wel begrijpen, denk ik?”

„Neen, ziet u, dat is het juist! Zij wil maar stil zitten treuren en

zich nergens vertoonen. Ik verzeker u, dat ik haar half heb moeten

dwingen om binnen te komen vanavond.”

„Zoo, zoo? Wel, u doet verstandig met haar niet toe te geven in die

overdreven idées. ’t Zou zonde en jammer zijn, als zoo’n mooi, jong

ding nu de wereld reeds vaarwel zei. Kassian, ze begint haar leven

pas!”

Mijnheer Verweijt laat telkens weer zijn blik heendwalen naar het mooie

weeuwtje, en vraagt dan schijnbaar onverschillig: „Hoe lang is haar man

dood?”

„Ja.... pas drie maanden! ’t Is nog niet lang, maar och, een jaar is

gauw om, en.... als de tijd maar eenmaal daar is, dan, dáár durf ik

voor instaan, minnaars bij de vleet!”

„Het moet een bijzonder gelukkig huwelijk geweest zijn?” vraagt de heer

Verweijt op denzelfden onverschilligen toon.

„Ja, Léo was een beste man! Maar wat zal ik zeggen? Er zijn nog meer

goede mannen in de wereld. En—als men geen blanc-manger krijgen kan,

moet men zich maar met maizena-podding behelpen!”

Op den inval van deze eenigszins grove aardigheid kwam mevrouw van

Hoedt, doordien op dit oogenblik juist de podding werd gepresenteerd,

die de plaats van de mislukte blanc-manger moest vervullen. Glimlachend

verklaarde nu de gast, dat hij dol van maizena hield en er werd niet

meer over Jenny gesproken. Alleen knikte tante haar nu en dan eens

bemoedigend toe; ook gaf ze van tijd tot tijd signalen, dat ze toch

vooral het discours moest trachten levendig te houden, daar het aan dat

gedeelte der tafel, waar zij geplaatst was, wel eenigszins begon te

verflauwen.

Mevrouw van Hoedt heeft zich anders niet over haar nichtje te beklagen;

Jenny lacht; ze ledigt zelfs herhaaldelijk haar glas om toch maar te

kunnen wezen, wat men van haar vraagt: geanimeerd!

Geanimeerd? Terwijl dat gevoel haar aangrijpt met alles overmeesterende

kracht, dat gevoel, alsof ze op moest vliegen en vluchten, vluchten ver

van al die vreugde, ver van al dat geraas, om in haar eigen stille

kamer neer te knielen voor zijn portret en hem te zeggen, dat het niet

háár schuld is! Niet háár schuld, als die opgewonden heeren hun

bewonderende blikken op haar durven richten; als ze lachen en schertsen

moet en antwoorden op de vleiende woorden, die haar zoovele

beleedigingen schijnen; niet háár schuld, als de wangen gloeien en de

oogen schitteren van overspanning, en ze er daardoor zoo goed uitziet

dat ze de algemeene aandacht trekt; niet háár schuld ook, zoo ze daar

straks het gesprek heeft aangehoord, dat haar met vurige letters in het

hart brandt, van die jongelui die een pari aangingen, dat haar

weduwstaat niet lang duren zou....

Eindelijk is het diner afgeloopen; de meeste heeren blijven nog even

nazitten; de dames verspreiden zich in vóór- en binnengalerij; de jonge

meisjes hebben op zich genomen voor het presenteeren van koffie en thee

te zorgen, en Jenny trekt zich in een eenigszins vergeten hoek terug.

Ze hoopt een oogenblik aan zich zelve te worden overgelaten.

Maar neen, dat mag niet wezen. Nauwelijks heeft ze een boek of

plaatwerk—ze weet niet eens wat het is—opgenomen, om zich daarachter te

verschansen, als een grijs heer haar in het oog krijgt en dadelijk op

haar toetreedt.

Het is een goede kennis, ze heeft hem nog niet gesproken na Léo’s dood;

zijn hartelijke handdruk en lieve manier van troosten verzoenen haar

een weinig met de stoornis.

„Wel, wel, mevrouwtje, wat hebben we dáár van opgehoord! Wie had kunnen

denken, dat zoo’n flinke, krachtige man mij, oudje, nog vóór zou gaan!

Mijn vrouw was er ook heelemaal ontdaan van; ze heeft u geschreven,

niet waar?”

„Ja, een heel lieven brief! Mevrouw moet niet denken dat ik er haar

niet dankbaar voor ben, maar ik kon niet antwoorden!”

„Wel zeker niet! Wie zou in zulke dagen ’t zoo nauw nemen? We hadden

alleen graag eens iets van je gehoord; wat je plannen waren en hoe je

achterbleeft. Jullie waart toch in een levensverzekering?”

„Neen.”

Een pijnlijke blos vliegt haar naar het hoofd.

„Wat? En geen pensioen? Niets? Goede God, hoe is het mogelijk? ’t Is

toch verschrikkelijk, die jonge menschen van den tegenwoordigen tijd,

zóó je vrouw achter te laten!”

De blos is verdwenen van Jenny’s gelaat en het staat strak en koud. „Ik

ben volkomen tevreden, mijnheer, over de manier, waarop mijn man me

heeft achtergelaten. Dat hij in geen levensverzekering is gegaan, was

mijn wensch; ik had altijd gedacht, dat ik niet zou kunnen leven, als

hij sterven moest.”

En ze keert zich van den ouden heer af, die eenige malen het hoofd

schudt, eenige malen zijn kopje thee opneemt en vergeet te drinken, en

eindelijk zich voorneemt eens aan zijn vrouw te vragen of ze daar niet

wat aan doen moeten?

De ziel vervuld met bitterheid, verschanst de arme zich weder achter

haar boek.

Daar voelt ze hoe een zacht handje het hare grijpt en als ze opziet,

ontmoet ze een paar groote grijze oogen, die vol deernis in de hare

zien. Ze zegt niet veel, het lieve jonge vrouwtje, dat den vroolijken

kring verliet om de weduwe eens toe te spreken; ten minste niet veel

meer dan de groote grijze oogen reeds bij den eersten opslag zeiden,

niet veel meer dan dat ze het zich zoo begrijpen kan, en dat het, och,

zoo bitter, bitter hard moet zijn!

Daar raakt ze met haar zachte vingeren de snaar aan, die een der

pijnlijkste is in de ziel der bedroefde. „Och lieve,” zucht ze met een

meelijdenden traan, „och lieve, hadt je maar een kindje!”

Jenny staart in de vochtige oogen met verheugden, dankbaren blik. Dan

was het ten minste niet zóó onverstandig geweest, die wensch naar ten

minste één herinnering aan haar kortstondig geluk. Dan was het toch

geen dwaasheid, geen waanzin, die zucht die daar zoo menigmaal was

opgestegen naar den blauwen hemel: „als ik maar een kind had!”

De menschen, de verstandige menschen, hadden haar zoo lang

voorgehouden, hoe het kinderlooze van hun echt een geluk mocht heeten

nu ze onverzorgd achterbleef, dat ze op het laatst dat onderwerp maar

niet meer had aangeroerd. Maar zoo was er dan toch nog iemand die

gevoelde als zij, iemand die begreep, dat het treurig is om geen kind

te hebben, ook al is men onverzorgd achtergebleven!

De jonge vrouw met de grijze oogen had geen haast om naar het vroolijk

gezelschap terug te keeren; ze ging voort zachten balsem te gieten in

dat arm, gewond hart, vriendelijk te troosten en te bemoedigen, te

spreken over het gelukkig verleden, tot de bleeke lippen van haar

toehoordster niet meer trilden en de brandende oogen vochtig werden van

weldadige tranen.

Jammer dat tante van Hoedt, bijna bezwijkend onder het gewicht van haar

fluweelen kleed en de dampen, die het overvloedig diner haar naar het

hoofd joeg, op Jenny kwam aanzeilen met verzoek wat muziek te maken.

Jenny dankte de vriendin voor haar deelneming en stond op om naar de

piano te gaan, toen Gerard haar voorkwam. „Laat mij het voor je doen,

Jen! En ga gerust naar je kamer, als het je te zwaar wordt.”

Hoe dankbaar was ze hem daarvoor! Want ja, het werd haar te zwaar; ze

kon ter nauwernood staande blijven en ze zou dan ook beproeven of ze

niet ongemerkt weg kon sluipen, om rustig te gaan uitweenen in de

eenzaamheid.

Maar dat ging niet zoo gemakkelijk. Toch beklaagde zij zich later niet,

dat ze een oogenblik langer werd opgehouden; immers nu kon ze het

opmerken, hoe kiesch en vriendelijk Gerard, de schijnbaar

onverschillige Gerard, voor haar was.

Toen het lieve meisje, aan wie hij,—ieder wist het—niet gaarne iets

weigerde, haar gazellenoogen tot hem ophief, en vroeg om toch dat mooie

stukje nog eens te zingen van:

„Es ist bestimmt in Gottes Rath, dasz, man

Vom liebsten was man hat, musz scheiden!”

toen keek Gerard even rond in den grooten kring, die zich om de piano

had gevormd, en toen hij zijn nichtje nog opmerkte onder de

toehoorders, zei hij zacht: „Nu niet, straks misschien!” en begon een

allerdwaaste potpourri van alle mogelijke en onmogelijke

straatdeuntjes.

Eerst vielen de jonge heeren, toen ook de jonge dames in, en weldra was

de vroolijkheid zoo algemeen, de pret zoo opgewonden, dat een slanke,

zwarte gestalte zich onbemerkt verwijderen kon, om niet meer gezien te

worden bij het feest.

Indische Huwelijken · 第 7 / 27 题