„Uw nichtje heeft wel gelijk, dat ze in den rouw is gegaan,” zegt de
dame met de hooge jukbeenderen en het loensche oog, die aan Gerard’s
linkerzijde is geplaatst.
„Och ’t is eigenlijk een dwaasheid in ons warm Oostje! Mama heeft er
genoeg tegen gepreekt, maar—ze was er op gesteld.”
„En òf ze gelijk had! Het dragen van zwart, te pas of te onpas, is een
geheim, waarmede de blondines haar voordeel weten te doen.”
„Om u de waarheid te zeggen geloof ik, dat mijn nichtje tegenwoordig al
heel weinig om die soort van dingen denkt,” antwoordt Gerard koel,
„daar is ze veel te bedroefd voor.”
„Zoo? Is ze nog bedroefd? Wel, men zou het haar zoo niet aanzeggen; ze
amuseert zich nog al, dunkt me, vanavond. Maar komaan, meneer van
Hoedt, daar moeten we nu ook niet al te veel van denken; u weet, er
zijn twee dingen, die men in Indië niet verwachten kan: eerlijke
dispensjongens en ontroostbare weduwen.”
„Dat er geen ontroostbare weduwnaars zijn, zou ik eer gelooven, altijd
in aanmerking nemende hoe hartelijk de vrouwen soms wezen kunnen,”—en
de heer van Hoedt keert zich eenigszins bruusk van de spreekster af
naar zijn andere buurvrouw, een lichtgetint nonnaatje, met
gazellenoogen, die hem heel lief zouden aanzien, als ze maar durfden.
Iets verder op is de jonge weduwe ook het onderwerp van discours.
„Ja, mijnheer Verweijt,” zegt de vrouw des huizes, erg in haar schik
dat alles zoo uitmuntend marcheert—„dat moogt u wèl zeggen; mijn
nichtje is erg afgevallen!”
„Maar ze is er niet minder mooi om; in mijn oog ten minste. Dat
vrouwtje heeft van kind af zoo iets liefs, zoo iets interessants
gehad....”
„Ja, ’t is een fijn gezichtje.—En, verbeeld u, die wil zich nu gaan
opsluiten als een non! Neen, ik ben het eens met Gerard—u weet, die kan
soms zoo aardig uit den hoek komen—die zeî van middag tegen haar: „Kom,
nichtjelief, je bent niet oud en niet leelijk, en dan kan een vrouw
altijd nog plezier hebben in haar leven!”
„Zeker! zeker! Nu, maar dat zal ze zelf ook wel begrijpen, denk ik?”
„Neen, ziet u, dat is het juist! Zij wil maar stil zitten treuren en
zich nergens vertoonen. Ik verzeker u, dat ik haar half heb moeten
dwingen om binnen te komen vanavond.”
„Zoo, zoo? Wel, u doet verstandig met haar niet toe te geven in die
overdreven idées. ’t Zou zonde en jammer zijn, als zoo’n mooi, jong
ding nu de wereld reeds vaarwel zei. Kassian, ze begint haar leven
pas!”
Mijnheer Verweijt laat telkens weer zijn blik heendwalen naar het mooie
weeuwtje, en vraagt dan schijnbaar onverschillig: „Hoe lang is haar man
dood?”
„Ja.... pas drie maanden! ’t Is nog niet lang, maar och, een jaar is
gauw om, en.... als de tijd maar eenmaal daar is, dan, dáár durf ik
voor instaan, minnaars bij de vleet!”
„Het moet een bijzonder gelukkig huwelijk geweest zijn?” vraagt de heer
Verweijt op denzelfden onverschilligen toon.
„Ja, Léo was een beste man! Maar wat zal ik zeggen? Er zijn nog meer
goede mannen in de wereld. En—als men geen blanc-manger krijgen kan,
moet men zich maar met maizena-podding behelpen!”
Op den inval van deze eenigszins grove aardigheid kwam mevrouw van
Hoedt, doordien op dit oogenblik juist de podding werd gepresenteerd,
die de plaats van de mislukte blanc-manger moest vervullen. Glimlachend
verklaarde nu de gast, dat hij dol van maizena hield en er werd niet
meer over Jenny gesproken. Alleen knikte tante haar nu en dan eens
bemoedigend toe; ook gaf ze van tijd tot tijd signalen, dat ze toch
vooral het discours moest trachten levendig te houden, daar het aan dat
gedeelte der tafel, waar zij geplaatst was, wel eenigszins begon te
verflauwen.
Mevrouw van Hoedt heeft zich anders niet over haar nichtje te beklagen;
Jenny lacht; ze ledigt zelfs herhaaldelijk haar glas om toch maar te
kunnen wezen, wat men van haar vraagt: geanimeerd!
Geanimeerd? Terwijl dat gevoel haar aangrijpt met alles overmeesterende
kracht, dat gevoel, alsof ze op moest vliegen en vluchten, vluchten ver
van al die vreugde, ver van al dat geraas, om in haar eigen stille
kamer neer te knielen voor zijn portret en hem te zeggen, dat het niet
háár schuld is! Niet háár schuld, als die opgewonden heeren hun
bewonderende blikken op haar durven richten; als ze lachen en schertsen
moet en antwoorden op de vleiende woorden, die haar zoovele
beleedigingen schijnen; niet háár schuld, als de wangen gloeien en de
oogen schitteren van overspanning, en ze er daardoor zoo goed uitziet
dat ze de algemeene aandacht trekt; niet háár schuld ook, zoo ze daar
straks het gesprek heeft aangehoord, dat haar met vurige letters in het
hart brandt, van die jongelui die een pari aangingen, dat haar
weduwstaat niet lang duren zou....
Eindelijk is het diner afgeloopen; de meeste heeren blijven nog even
nazitten; de dames verspreiden zich in vóór- en binnengalerij; de jonge
meisjes hebben op zich genomen voor het presenteeren van koffie en thee
te zorgen, en Jenny trekt zich in een eenigszins vergeten hoek terug.
Ze hoopt een oogenblik aan zich zelve te worden overgelaten.
Maar neen, dat mag niet wezen. Nauwelijks heeft ze een boek of
plaatwerk—ze weet niet eens wat het is—opgenomen, om zich daarachter te
verschansen, als een grijs heer haar in het oog krijgt en dadelijk op
haar toetreedt.
Het is een goede kennis, ze heeft hem nog niet gesproken na Léo’s dood;
zijn hartelijke handdruk en lieve manier van troosten verzoenen haar
een weinig met de stoornis.
„Wel, wel, mevrouwtje, wat hebben we dáár van opgehoord! Wie had kunnen
denken, dat zoo’n flinke, krachtige man mij, oudje, nog vóór zou gaan!
Mijn vrouw was er ook heelemaal ontdaan van; ze heeft u geschreven,
niet waar?”
„Ja, een heel lieven brief! Mevrouw moet niet denken dat ik er haar
niet dankbaar voor ben, maar ik kon niet antwoorden!”
„Wel zeker niet! Wie zou in zulke dagen ’t zoo nauw nemen? We hadden
alleen graag eens iets van je gehoord; wat je plannen waren en hoe je
achterbleeft. Jullie waart toch in een levensverzekering?”
„Neen.”
Een pijnlijke blos vliegt haar naar het hoofd.
„Wat? En geen pensioen? Niets? Goede God, hoe is het mogelijk? ’t Is
toch verschrikkelijk, die jonge menschen van den tegenwoordigen tijd,
zóó je vrouw achter te laten!”
De blos is verdwenen van Jenny’s gelaat en het staat strak en koud. „Ik
ben volkomen tevreden, mijnheer, over de manier, waarop mijn man me
heeft achtergelaten. Dat hij in geen levensverzekering is gegaan, was
mijn wensch; ik had altijd gedacht, dat ik niet zou kunnen leven, als
hij sterven moest.”
En ze keert zich van den ouden heer af, die eenige malen het hoofd
schudt, eenige malen zijn kopje thee opneemt en vergeet te drinken, en
eindelijk zich voorneemt eens aan zijn vrouw te vragen of ze daar niet
wat aan doen moeten?
De ziel vervuld met bitterheid, verschanst de arme zich weder achter
haar boek.
Daar voelt ze hoe een zacht handje het hare grijpt en als ze opziet,
ontmoet ze een paar groote grijze oogen, die vol deernis in de hare
zien. Ze zegt niet veel, het lieve jonge vrouwtje, dat den vroolijken
kring verliet om de weduwe eens toe te spreken; ten minste niet veel
meer dan de groote grijze oogen reeds bij den eersten opslag zeiden,
niet veel meer dan dat ze het zich zoo begrijpen kan, en dat het, och,
zoo bitter, bitter hard moet zijn!
Daar raakt ze met haar zachte vingeren de snaar aan, die een der
pijnlijkste is in de ziel der bedroefde. „Och lieve,” zucht ze met een
meelijdenden traan, „och lieve, hadt je maar een kindje!”
Jenny staart in de vochtige oogen met verheugden, dankbaren blik. Dan
was het ten minste niet zóó onverstandig geweest, die wensch naar ten
minste één herinnering aan haar kortstondig geluk. Dan was het toch
geen dwaasheid, geen waanzin, die zucht die daar zoo menigmaal was
opgestegen naar den blauwen hemel: „als ik maar een kind had!”
De menschen, de verstandige menschen, hadden haar zoo lang
voorgehouden, hoe het kinderlooze van hun echt een geluk mocht heeten
nu ze onverzorgd achterbleef, dat ze op het laatst dat onderwerp maar
niet meer had aangeroerd. Maar zoo was er dan toch nog iemand die
gevoelde als zij, iemand die begreep, dat het treurig is om geen kind
te hebben, ook al is men onverzorgd achtergebleven!
De jonge vrouw met de grijze oogen had geen haast om naar het vroolijk
gezelschap terug te keeren; ze ging voort zachten balsem te gieten in
dat arm, gewond hart, vriendelijk te troosten en te bemoedigen, te
spreken over het gelukkig verleden, tot de bleeke lippen van haar
toehoordster niet meer trilden en de brandende oogen vochtig werden van
weldadige tranen.
Jammer dat tante van Hoedt, bijna bezwijkend onder het gewicht van haar
fluweelen kleed en de dampen, die het overvloedig diner haar naar het
hoofd joeg, op Jenny kwam aanzeilen met verzoek wat muziek te maken.
Jenny dankte de vriendin voor haar deelneming en stond op om naar de
piano te gaan, toen Gerard haar voorkwam. „Laat mij het voor je doen,
Jen! En ga gerust naar je kamer, als het je te zwaar wordt.”
Hoe dankbaar was ze hem daarvoor! Want ja, het werd haar te zwaar; ze
kon ter nauwernood staande blijven en ze zou dan ook beproeven of ze
niet ongemerkt weg kon sluipen, om rustig te gaan uitweenen in de
eenzaamheid.
Maar dat ging niet zoo gemakkelijk. Toch beklaagde zij zich later niet,
dat ze een oogenblik langer werd opgehouden; immers nu kon ze het
opmerken, hoe kiesch en vriendelijk Gerard, de schijnbaar
onverschillige Gerard, voor haar was.
Toen het lieve meisje, aan wie hij,—ieder wist het—niet gaarne iets
weigerde, haar gazellenoogen tot hem ophief, en vroeg om toch dat mooie
stukje nog eens te zingen van:
„Es ist bestimmt in Gottes Rath, dasz, man
Vom liebsten was man hat, musz scheiden!”
toen keek Gerard even rond in den grooten kring, die zich om de piano
had gevormd, en toen hij zijn nichtje nog opmerkte onder de
toehoorders, zei hij zacht: „Nu niet, straks misschien!” en begon een
allerdwaaste potpourri van alle mogelijke en onmogelijke
straatdeuntjes.
Eerst vielen de jonge heeren, toen ook de jonge dames in, en weldra was
de vroolijkheid zoo algemeen, de pret zoo opgewonden, dat een slanke,
zwarte gestalte zich onbemerkt verwijderen kon, om niet meer gezien te
worden bij het feest.