III.

Een paar dagen later gebeurt er in de vroolijke woning der van Hoedts

iets, dat voor geruimen tijd de glimlach doet wijken van mevrouws

goedhartig gezicht, ja, wat maar zelden gebeurt, dat haar knorrig en

boos maakt.

„Tante,” zeide Jenny, en het viel allen op, hoe bleek ze was en hoe

haar lippen beefden; „tante, ik hoop niet, dat u me van ondankbaarheid

zult beschuldigen.... maar ik ben besloten.... ik geloof, dat ik best

doe met naar Holland te gaan, naar Mama....”

„Kind!?”

Eerst kan mevrouw van Hoedt geen woord uitbrengen. Dan, als ze haar

kortademigheid een weinig te boven is, barst ze los in een stroom van

vragen: „Wat beteekent dat? Is er iets gebeurd? Zeg me, Jen, heb je het

hier niet goed? Is er iemand niet lief geweest? Heeft iemand je

beleedigd?”

„Neen, tante! iedereen is goed en lief voor me. En—niemand heeft me

beleedigd—of het moest zijn dat hier in den geest, in de manier waarop

men over jonge weduwen spreekt, iets beleedigends was.”

„Kom, kind! dwaasheid, hoor! Wat heb je daar in dat akelige schriele

Holland?”

„U hebt zelf gezegd, dat Indië geen land is om lang te treuren; dus is

het geen land voor weduwen, tante,” zegt de jonge vrouw vast.

De wipneusjes brengen nu haar hartelijke gezichtjes dicht bij dat van

haar nichtje en vleien dat ze toch blijven moet. Gerard komt ook

naderbij, en verzekert dat hij alles doen zal wat hij kan om haar het

leven te veraangenamen.

Ze heeft de goede hartelijke menschen, die de arme weduwe zoo trouw en

vriendelijk bijstonden, te zeer liefgekregen, om niet menigen traan te

storten bij het denkbeeld van hen te gaan verlaten. Maar toch, haar

besluit staat onherroepelijk vast: Indië is een goed land voor

gelukkigen, voor bedroefden niet.

Maar, hoe kon ze het hun zeggen wat haar naar Holland trok? Hoe kon ze

het hun zeggen, dat ze een onbedwingbaar verlangen gevoelde om de

plekjes weder te zien, die de stille getuigen waren geweest van haar

jeugdige liefde, om weer te wonen en rond te wandelen in het eenvoudig

dorpje, waar Léo haar had gevonden en gekozen om hem te volgen naar het

vreemde land?

Neen, ze zouden haar niet begrijpen, niet gelooven, als ze het hun

toevertrouwde, dat, te midden van zonneschijn en eeuwigen zomer, in

haar hart het verlangen leeft naar gure herfstdagen, die somber en

droevig zullen zijn als haar arm, gebroken hart; naar geheimnisvolle

schemeravonden, waarin zachte stemmen haar zullen komen verhalen van de

vreugde, de zoete liefdeweelden van weleer; naar najaarsstormen, die

zullen huilen om moeders eenzame woning en groeten fluisteren van den

doode ver over zee; naar donkere nachten vol schaduwen en zuchten,

waarin het is of de graven zich openen, waarin het haar zijn zal of de

geliefde komt om haar aan het hart te drukken met de gloeiende liefde,

die ze gekend heeft in al haar verrukkelijke zaligheid, en die dood

noch graf overwint!

Neen, dat alles kan ze hun niet zeggen.

Ze kon slechts dankend hen zegenen en vragen om het haar te vergeven

dat ze hen verliet, en hen opdragen om nu en dan eens naar zijn graf te

gaan, om de bloemen te onderhouden, die teedere handen daar hadden

geplant.

De volgende stoomer voerde het jonge weeuwtje naar Holland. De heeren

noemden het domheid, de dames bekenden dat ze het zich niet begrijpen

konden, mevrouw van Hoedt schreide—tot ze op het denkbeeld kwam van een

groot bal te geven om zich wat te verzetten.

Op dat bal maakte ze met mijnheer Verweijt uit, dat het zonde en jammer

was van zoo’n mooi jong ding, en op dat bal declareerde Gerard zich aan

het lieve meisje met de gazellenoogen. Hij vernam bij die gelegenheid

dat hij algemeen gedoodverfd werd met zijn nichtje, maakte zich erg

boos en zei dat Jenny wel gelijk had: de geest in Indië is beleedigend

voor jonge weduwen.

Maar in het dorpje waar een zestal jaren geleden een gelukkige bruid

van vrienden en betrekkingen scheidde, om den geliefde te volgen naar

het nieuwe vaderland, rustte nu een vermoeid hoofd aan de moederborst,

en snikte een gebroken stem; „O, dat doet zoo goed; zoo stil uit te

weenen, dat doet zoo goed!”

En dan „U gelooft het, niet waar, moeder, dat Léo’s weduwe niet

vertroost wil worden?”

Indische Huwelijken · 第 8 / 27 题