Een paar dagen later gebeurt er in de vroolijke woning der van Hoedts
iets, dat voor geruimen tijd de glimlach doet wijken van mevrouws
goedhartig gezicht, ja, wat maar zelden gebeurt, dat haar knorrig en
boos maakt.
„Tante,” zeide Jenny, en het viel allen op, hoe bleek ze was en hoe
haar lippen beefden; „tante, ik hoop niet, dat u me van ondankbaarheid
zult beschuldigen.... maar ik ben besloten.... ik geloof, dat ik best
doe met naar Holland te gaan, naar Mama....”
„Kind!?”
Eerst kan mevrouw van Hoedt geen woord uitbrengen. Dan, als ze haar
kortademigheid een weinig te boven is, barst ze los in een stroom van
vragen: „Wat beteekent dat? Is er iets gebeurd? Zeg me, Jen, heb je het
hier niet goed? Is er iemand niet lief geweest? Heeft iemand je
beleedigd?”
„Neen, tante! iedereen is goed en lief voor me. En—niemand heeft me
beleedigd—of het moest zijn dat hier in den geest, in de manier waarop
men over jonge weduwen spreekt, iets beleedigends was.”
„Kom, kind! dwaasheid, hoor! Wat heb je daar in dat akelige schriele
Holland?”
„U hebt zelf gezegd, dat Indië geen land is om lang te treuren; dus is
het geen land voor weduwen, tante,” zegt de jonge vrouw vast.
De wipneusjes brengen nu haar hartelijke gezichtjes dicht bij dat van
haar nichtje en vleien dat ze toch blijven moet. Gerard komt ook
naderbij, en verzekert dat hij alles doen zal wat hij kan om haar het
leven te veraangenamen.
Ze heeft de goede hartelijke menschen, die de arme weduwe zoo trouw en
vriendelijk bijstonden, te zeer liefgekregen, om niet menigen traan te
storten bij het denkbeeld van hen te gaan verlaten. Maar toch, haar
besluit staat onherroepelijk vast: Indië is een goed land voor
gelukkigen, voor bedroefden niet.
Maar, hoe kon ze het hun zeggen wat haar naar Holland trok? Hoe kon ze
het hun zeggen, dat ze een onbedwingbaar verlangen gevoelde om de
plekjes weder te zien, die de stille getuigen waren geweest van haar
jeugdige liefde, om weer te wonen en rond te wandelen in het eenvoudig
dorpje, waar Léo haar had gevonden en gekozen om hem te volgen naar het
vreemde land?
Neen, ze zouden haar niet begrijpen, niet gelooven, als ze het hun
toevertrouwde, dat, te midden van zonneschijn en eeuwigen zomer, in
haar hart het verlangen leeft naar gure herfstdagen, die somber en
droevig zullen zijn als haar arm, gebroken hart; naar geheimnisvolle
schemeravonden, waarin zachte stemmen haar zullen komen verhalen van de
vreugde, de zoete liefdeweelden van weleer; naar najaarsstormen, die
zullen huilen om moeders eenzame woning en groeten fluisteren van den
doode ver over zee; naar donkere nachten vol schaduwen en zuchten,
waarin het is of de graven zich openen, waarin het haar zijn zal of de
geliefde komt om haar aan het hart te drukken met de gloeiende liefde,
die ze gekend heeft in al haar verrukkelijke zaligheid, en die dood
noch graf overwint!
Neen, dat alles kan ze hun niet zeggen.
Ze kon slechts dankend hen zegenen en vragen om het haar te vergeven
dat ze hen verliet, en hen opdragen om nu en dan eens naar zijn graf te
gaan, om de bloemen te onderhouden, die teedere handen daar hadden
geplant.
De volgende stoomer voerde het jonge weeuwtje naar Holland. De heeren
noemden het domheid, de dames bekenden dat ze het zich niet begrijpen
konden, mevrouw van Hoedt schreide—tot ze op het denkbeeld kwam van een
groot bal te geven om zich wat te verzetten.
Op dat bal maakte ze met mijnheer Verweijt uit, dat het zonde en jammer
was van zoo’n mooi jong ding, en op dat bal declareerde Gerard zich aan
het lieve meisje met de gazellenoogen. Hij vernam bij die gelegenheid
dat hij algemeen gedoodverfd werd met zijn nichtje, maakte zich erg
boos en zei dat Jenny wel gelijk had: de geest in Indië is beleedigend
voor jonge weduwen.
Maar in het dorpje waar een zestal jaren geleden een gelukkige bruid
van vrienden en betrekkingen scheidde, om den geliefde te volgen naar
het nieuwe vaderland, rustte nu een vermoeid hoofd aan de moederborst,
en snikte een gebroken stem; „O, dat doet zoo goed; zoo stil uit te
weenen, dat doet zoo goed!”
En dan „U gelooft het, niet waar, moeder, dat Léo’s weduwe niet
vertroost wil worden?”