Het is in het begin van den westmoesson.
De regen valt kletterend neêr op stoffige wegen; op arme inlanders, die
te vergeefs beproeven zich te beschutten met die meest primitieve aller
parapluies, een pisangblad; op pikolpaarden, wier wankelende tred en
droef neêrhangende kop getuigen, dat hún tenminste niet kracht naar
kruis gegeven wordt; op dichte bladeren, ruischend en suizelend, alsof
ze elkaar vertellen wilden hoe goed ze doen, die frissche dronk, dat
koele bad.
De regen, of eigenlijk nog meer de rukwind, die nu en dan den regen
naar binnen slaat, heeft daar even de van Hoedts verjaagd uit de
voorgalerij. Ze hadden zich juist verzameld om de theetafel en er moet
bij het opbreken iets grappigs voorgevallen zijn; tenminste al de leden
der familie lachen van harte en vooral de vrouw des huizes schijnt
dolle pret te hebben in de aardigheid.
Mevrouw de weduwe van Hoedt,—de dikke dame in sarong en kabaai, die
daar zoo uiterst gemakkelijk achterover leunt in haar uiterst
gemakkelijken stoel,—is een der wel aangename verschijningen, die
onmiddellijk op prettige gedachten brengen, als daar zijn: een goede
tafel, een welvoorziene beurs en vooral een groote voorraad
hartelijkheid, gereed om zich uit te storten in goedaardige
glimlachjes, in vriendelijke woorden, maar ook in hulp en troost voor
ieder, die ze mocht behoeven.
Haar beide dochters, nauw de kinderschoenen ontwassen en slechts
opmerkelijk door wipneusjes en verbaasde ronde oogen, gieren het uit
van pret; het jonge mensch, dat, zoo lang als hij is, op den divan ligt
uitgestrekt, met het gefatigeerde gezicht en het lorgnet in zijn ééne
oog, schijnt zich ook te amuseeren, in zooverre men dat ten minste
verwachten mag van iemand, die er zulk een gefatigeerd gezicht op
nahoudt.
„Kom, Jenny, lach je ook niet eens mee?” vraagt de oude dame, als ze
eindelijk weer in staat is adem te halen, wat haar lang niet
gemakkelijk valt na zulk een lachbui. „Nu, kijk eens op!”
De vijfde van ’t gezelschap—de jonge vrouw—tot wie dat vriendelijk
woord gericht werd, heft nu haar gelaat op en glimlacht met dien
glimlach, waarvan men gevoelt dat hij wel op de lippen, maar niet in
het hart is.
„O, zeker, ’t is heel aardig, tante!”
De spreekster gaat haastig voort met hare bezigheid: het arrangeeren
van bloemen in een pièce de milieu, dat heden avond prijken zal op de
tafel van mevrouw van Hoedt.
„Wat dunkt u er van?” vraagt ze na een kleine pauze, en ze gaat iets
verder staan om het effect te zien dat de prachtige bloemenschat te
midden van kristal en zilver maakt.
„Beeldig! beeldig!” roepen de meisjes, terwijl mevrouw met goedhartigen
glimlach haar goedkeuring te kennen geeft en de heer met het lorgnet
langzaam uitbrengt: „Je hebt een talent van bloemenschikken en
dineetjes arrangeeren, dat kolossaal is, nichtje. Je schiet maar in één
ding te kort: je moest ze zelf bijwonen.”
„O, maar dat zal nicht nú doen! Niet waar, Jenny, vanavond kom je
binnen?” roept de oudste der wipneusjes.
„Toe ja, doe het maar!” vleit de tweede; „het zou zoo prettig zijn. En
als je dan woudt pianospelen, dan konden we na het eten wat dansen,
ja?”
Eerst heeft Jenny eenigszins verwijtend den onvoorzichtigen neef
aangezien, die blijkbaar spijt heeft dit onderwerp ter tafel te hebben
gebracht; nu zegt ze met hooger blos, half gejaagd, half knorrig: „Neen
meisjes, dat moet je me niet vragen. Ik wil graag alles in orde brengen
voor het diner, maar bijwonen—neen, dat gaat niet, dat gaat niet!”
„Wat is dat, Jen?” vraagt mevrouw van Hoedt nu, en de lach wijkt een
oogenblik van het prettig vollemaansgezicht. „Heb je me laatst niet
beloofd, dat je mijn eerstvolgend partijtje zoudt bijwonen—en ga je nu
terug krabbelen? Kom, meidlief, dat is maar gekheid, hoor! Dat wordt
toch een beetje overdreven! Me dunkt waarlijk dat je schreien en
treuren nu lang genoeg geduurd heeft!”
„Lang genoeg? O tante!.... ’t Is pas drie maanden dat hij dood is!”
Er is in den kreet iets zoo treurigs, zoo diep treffends, zoo alsof ze
om genade smeekte, dat de zoon des huizes ontsteld opziet en de meisjes
besluiten om maar naar de badkamer te gaan:—Ma wou misschien praten met
nicht Jenny.
„Kassian, Ma,” zegt de jonge man als de zusjes zich uit de voeten
gemaakt hebben, met een verwijtenden blik naar den kant zijner moeder.
„Kassian? Neen, dat is nonsens van je, Gerard! Niemand heeft meer
kassian met Jenny dan ik, dat weet ze ook wel. En ik begrijp heel goed
dat ze haar man betreurt; dat heb ik ook gedaan ....”
„Ja, Ma?” vraagt de zoon met zulk een ondeugenden trek op zijn bleek
lusteloos gezicht, dat hij er tien jaar jonger uitziet.
„Nu ja, ieder doet dat op zijn manier,” zegt de moeder, volstrekt niet
geërgerd door die vraag; „maar zooals Jenny doet, dat is overdreven. Om
je man huilen is goed, maar het moet niet te lang duren, dan wordt het
ongezond en....”
„En vervelend voor de huisgenooten!” barst de jonge weduwe eensklaps
los. „Ja, tantelief, zeg het maar, ik weet het wel, het is voor u heel
onpleizierig om in uw vroolijken kring nu reeds drie maanden lang zulk
een treurig gezicht te hebben. O, ik wenschte....”
„Neen, kind, dat is het niet!” en de oude dame trekt haar zacht tot
zich en drukt een echt moederlijken kus op het bewolkt voorhoofd.
„Neen, je behoeft je om ons niet te geneeren! Maar, beste meid, geloof
me, als ik je aanraad om je wat tegen de akeligheid in te zetten, dan
doe ik dat voor je eigen bestwil, nergens anders voor. Arme Jen!” zegt
tante nu, terwijl ze haar onder de kin streelt en in het betraande
gezichtje kijkt; „je wordt zoo bleek en zoo mager.... En als het nu nog
wat hielp;—maar er valt nu eenmaal toch niet meer aan te
veranderen....”
Gerard, die reeds een paar maal ongeduldig de galerij heeft op en neêr
geloopen, vindt nu het oogenblik gekomen om te zeggen: „Kom, Jenny, je
bent niet oud en niet leelijk, je weet, dan kan een vrouw altijd nog
pleizier hebben in haar leven.”
„O, Gerard! Och, zeg toch zulke dingen niet!” en het zacht gelaat trekt
pijnlijk samen.
„Nu ja, nichtje, ik bedoel er ook niets bijzonders mede.... maar—de
tijd slijt, zegt vader Cats, of iemand anders, daar wil ik afwezen.”
„En dit zeg ik maar,” roept mevrouw van Hoedt nu uit, „een mensch kan
nooit zoo bedroefd wezen of op den duur wil hij wel vertroost worden.”
„Maar ik, ik wil niet vertroost worden, tante!”
Met fier gebaar heft de weduwe het gebogen hoofd op en herhaalt het
nogmaals: „Ik wil niet vertroost worden,—hoe dikwerf heb ik dat reeds
gezegd!”
De oude vrouw zet een gezicht, waarop goedhartig medelijden en ongeloof
om den voorrang strijden.
„Nu, nu, houd je maar bedaard, kind! Dat is waar, arme meid, dat Léo
een engel van een jongen was.”
„Ja,” zegt Gerard met warmte, „een ferme kerel, dat was hij! En u moogt
er van denken wat u wilt, Ma; maar mij doet het goed, als ik zijn
weduwe hoor zeggen dat ze niet vertroost wil worden.”
Daar Gerard vindt dat hij zich eenigszins gecompromitteerd heeft door
zooveel gevoel te toonen, haast hij zich op forschen toon om zijn
jongen te roepen, dezen een onverdiend scheldwoord naar het hoofd te
gooien en op zijne beurt voor geruimen tijd in de badkamer te
verdwijnen.
„Dat doet je goed, ja?” zegt de oude dame nu, terwijl ze met een wereld
van goedhartigheid in den blik, haar zachte hand over die van Jenny
heenstrijkt.
„Ja, tante! Och, u zijt allen zoo vriendelijk voor me, zoo hartelijk en
lief!”
„Nu, wees jij dan ook eens lief en doe nu wat we allemaal zoo graag
hebben, dat je deedt. Kom aan dat diner straks. Ik heb geen pleizier,
Jenny, als ik denken moet, dat jij daar alleen zit te treuren. En de
meisjes hebben ook geen rust, dat weet je wel! En.... wat het ergste
is, er moet muziek zijn vanavond.”
„Misschien wil Gerard wel spelen.”
„Gerard? Och kom, die is na den eten tot alles ongeschikt,” zegt de
moeder met een glimlach, die bewijst dat ze deze eigenaardigheid van
haar zoon, evenals zijn andere eigenaardigheden, geenszins te
misprijzen vindt.
„De meisjes dan?”
„O, dat weet je wel, die zijn veel te maloe, die raken in de war! Kom,
Jenny, een mensch moet niet egoïst worden in zijn droefheid; pak je
eens aan, wees eens flink! Geloof me, het zal je goed doen. Men moet
zich zoo niet toegeven.... Nu, beste meid, wil je tante voor één keer
dat pleizier niet eens doen?”
Ze beloofde het. Ze had zooveel verplichting aan de brave ziel, die in
dagen van smart een moeder voor haar geweest was, dat ze haar niets
weigeren kon.
Tante, op dit groote punt gerustgesteld, moest nu nog even zich gaan
overtuigen, dat er niets in de war liep bij kokkie, dat het goed ging
met het dekken der tafel, dat de kwee en de agar-agars gelukt
waren.—Haar hart was wel twintig pond lichter, toen ze dat alles in de
beste orde vond.
Neen, daar hebben ze geen flauw begrip van, onze Amsterdamsche kooplui
met hun kolossale fortuinen, zelfs onze Haagsche aristocraten met hun
fijnen kunstsmaak niet, hoe het er uit kan zien bij ons,
Indischluidjes, als wij partij geven.
’t Is zoo, misschien waren we, een paar jaar geleden, maar arme
drommels, die niet gedroomd hadden ooit partijen te zullen geven;
misschien gaan we over een paar jaar met een mager pensioentje naar
Holland, om het daar, in den Achterhoek, diep te betreuren dat we ooit
partijen gaven; maar toch,—als we het doen, dan ziet onze woning er
onbeschrijfelijk lief en feestelijk uit, veel feestelijker dan het
deftigste granietsteenen gebouw op Keizers- of Heerengracht, bij een
dergelijke gelegenheid.
Dáár verkondigt alleen wat meer licht in de gang, het verdubbeld stel
witte kuiten, en de gesloten vigilantes die nu en dan komen aanrollen,
den voorbijganger dat er gasten worden verwacht, terwijl de zware
voordeur zich zoo voorzichtig ontsluit om die gasten in te laten, alsof
men vreesde dat er iemand zou kunnen binnendringen, die niet tot de
uitverkoren clique, tot de deftige genoodigden behoort.
Hier, bij ons Indischlui, is op zoo’n avond het geheele huis, met al
zijn opengeslagen deuren en vensters, al zijn goed verlichte galerijen
en kamers, al zijn bedienden, al zijn voorraad van dranken en
ververschingen, gesteld ter beschikking van de gasten.
Het met bloemen beplante erf wijst als van zelf den weg naar de
vroolijk verlichte villa, en de heer des huizes ontvangt zelf de
gasten, die door de open rijtuigen worden aangebracht, aan het bordes,
om ze bij zijn vrouw of dochters te brengen.
Niet deftig en geregeld maar in prettige wanorde bewegen de dames zich,
bijna allen jong, of ten minste jeugdig gekapt en gekleed, door de
ruime gaanderijen, en terwijl de heeren gezellig hun sigaar rooken en
een kop koffie gebruiken, zooals die in Holland niet geschonken wordt,
schoolt de inlander samen voor het erf om te luisteren naar die
vroolijke klanken, de muziek en het gelach, om uren lang stil te staan
kijken naar het woelig tooneel, dat met zijn bloemen en lichten, zijn
beweeglijke gestalten en schitterende tinten zooveel bonte
verscheidenheid schenkt.
Ook de ruime, modern gebouwde woning der van Hoedts ziet er
allerliefst, bijna uitlokkend uit op dezen avond.
Er is maar één kamer in de villa waaruit geen licht naar buiten
straalt, één kamer, waarvan de jaloezieën gesloten en de deuren
gegrendeld blijven, hoewel de gasten reeds drukker en drukker komen
aanrijden.
Hier mocht niemand binnenkomen; hier durfden zelfs de huisgenooten niet
aantikken, om nicht Jenny te herinneren aan haar belofte.
De wipneusjes keken elkaar met hare ronde oogen nog eenigszins
verschrikter aan dan gewoonlijk, toen ze in haar witte japonnetjes
langs die kamer heenliepen; de gastvrouw hield een oogenblik op in
bewondering van haar zwartfluweelen kleed, om zachtjes een „kassian” te
fluisteren; Gerard mompelde iets van het altijd „beroerd” te vinden,
als iemand bij hem aan huis zijn eigen zin niet kon doen.
’t Is goed ook, dat die deur gesloten blijft, al was het maar om de
stemming der gasten. Immers, ze mogen het niet vermoeden, wat daar
omging in het hart der jonge vrouw, die straks in hun midden zal
verschijnen, om het hare bij te brengen tot het welslagen van den
avond. ’t Is goed, dat die deur gesloten blijft; immers, niemand mag
het weten, waarom het gelaat, dat de groote toiletspiegel weerkaatst,
zoo telkens bleek en rood wordt; waarom die boezem zoo jaagt en hijgt,
terwijl ze hem in het keurslijf besluit; waarom die vingeren zoo beven,
als ze de blonde lokken om het hoofd slingert.
Wat haar zoo bitter grieft, het is dat dezelfde vrouw, die eenmaal
Léo’s liefste tante was, er nu reeds op durft aandringen dat ze
afleiding zoeken zal; wat haar het fiere bloed naar het voorhoofd
jaagt, het is dat vernederend denkbeeld dat ze niet meer vrij is, vrij
om te treuren en alleen te zijn, wanneer ze dat verkiest.
„O ja, ze hebben me gehuisvest en gevoed,” roept ze uit in de
overgroote bitterheid harer ziel; „maar hebben ze daarom het recht me
te dwingen mee feest te vieren, als mijn hart breekt onder zijn
wanhoop; hebben ze daarom het recht me te plaatsen in hun voorgalerij
als meubel, dat ze zich hebben aangeschaft tot amusement van hun
gasten?”
Tante heeft haar lijfmeid binnen gezonden, met den last te helpen, en
de goede Niam maant Mevrouw aan toch voort te gaan met kleeden: al de
menschen zijn er reeds.... Jenny gehoorzaamt met koortsachtige haast,
maar zonder eenige belangstelling, tot ze eindelijk in den spiegel een
slanke gedaante in rouwgewaad, een droevig bleek gezichtje en een paar
groote brandende oogen ziet. Zuchtend vraagt ze de meid om een
waaier;—dan kan ze ten minste dat gezicht, dat eenmaal het zonnetje van
tante’s partijen was, verbergen.
Maar moet ze dan waarlijk naar vóór gaan, waarlijk zich begeven te
midden dier feestvierenden, dier dames, nog gelukkig in het bezit van
haar echtgenooten, dier heeren soms zoo meedoogenloos in hun
spotternijen?
Ja, ze moet het doen. Mevrouw van Hoedt, met al haar goedhartigheid, al
haar inschikkelijkheid, zou nu toch boos worden! Immers—Jenny heeft het
reeds vóór heden avond bespeurd—’t duurt tante wel wat heel lang met
nichtjes droefheid. De goede vrouw was in een opwelling van medelijden
alles geweest voor haar; geen moeite, geen opoffering, geen kosten
waren gespaard voor Léo’s weduwe: maar nu.... het was al drie maanden
geleden!
En drie maanden is een lange tijd om te treuren en te klagen en mede te
weenen met de weenenden!
In de eerste smart is dat niet moeilijk; ge valt de bedroefde om den
hals; ge zegt, dat ze bij u een thuis heeft; ge roept het uit, dat de
arme man zoo goed en lief was en dat ge altijd zooveel van hem hebt
gehouden; ge verzekert, dat ze bij u geheel vrij is, dat ze doen kan
wat haar het beste voorkomt...
Maar—er zijn niet veel sterke gevoelens, die na verloop van drie
maanden niet een weinig verflauwen, en het medelijden behoort zeker
niet tot de weinige, die tegen den lijd bestand blijken.
Mevrouw van Hoedt was eigenlijk een weinig teleurgesteld. Natuurlijk
dat Jenny bedroefd was en maar liefst alleen thuis wou blijven;
natuurlijk dat ze in het begin stil en teruggetrokken bleef en niet
meêlachte met de anderen:—maar dat alles zou wel overgaan met den tijd.
Maar de tijd was gekomen en het was niet overgegaan; integendeel,
Jenny, de eenmaal zoo vroolijke, levenslustige Jenny, die altijd zoo
goed was geweest om den „boel aan den gang te helpen,” ze zat daar
neer, alsof de geheele wereld haar onverschillig was geworden, alsof ze
nooit meer zou kunnen lachen, veel minder ooit weer den boel aan den
gang helpen op tantes partijen.
Ziet ge, dat was ijselijk onplezierig, vooral in een kring als die,
waarvan mevrouw van Hoedt het middelpunt uitmaakte, een kring, waarin
elken morgen de vraag wordt opgeworpen: „Wat zullen we nu vandaag eens
doen om pret te hebben?”
Dubbel onplezierig in een familie, waarin enkele weduwen gevonden
worden, die niet zoolang getreurd, neen, zelfs spoedig naar een
plaatsvervanger uitgezien hebben.
Jenny doet verkeerd, vindt haar tante. Dat lange treuren is goed in
Holland, waarde menschen nog onder weduwkappen loopen, maar Indië is er
het land niet voor.
In het laatste heeft ze gelijk.
’t Valt moeilijk om lang te blijven treuren in Indië. Elken morgen komt
het blijde daglicht uw kamer binnen stroomen met nieuwe beloften van
genot en geluk; elken dag worden deuren en vensters wijd geopend om
vriendelijken zonneschijn en frisschen bloemengeur en vroolijke gasten
binnen te laten; elken avond worden tal van lampen ontstoken om
gezellige tooneeltjes te verlichten; ja, zelfs de nachten zijn
opwekkend met hun zachte koelte, hun vriendelijke sterren.
Maar er is een knagende pijn, die niet verdoofd wordt door al het
gerucht en geraas der bedrijvige wereld; er is een leegte in het hart,
die niet kan worden aangevuld met al de bloemen en zonnestralen der
aarde; er is een treurigheid, die al de scherts en vroolijkheid der
menschen niet kunnen wegnemen.... En die wonen in den boezem der jonge
weduwe, welke thans, met een glimlach om de bleeke lippen, de helder
verlichte voorgalerij binnentreedt en vriendelijk en innemend de gasten
harer tante begroet.