ELFDE HOOFDSTUK.

Er waren eenige dagen voorbijgegaan, zonder dat Mevrouw Wenche iets van

Mordtmann gemerkt had. Op een middag ging hij voorbij, toen hij van de

fabriek kwam, maar zij trok zich terug van het venster en verborg zich.

Het gebeurde met Mordtmann was wat op den achtergrond gekomen; zij

had nu geen gedachten voor iets anders dan voor dat wat haar wachtte:

dat zij nog eenmaal moeder zou worden.

Toen Abraham ter wereld gekomen was had zij lang gewenscht, dat

hij een zusje zou krijgen, maar toen de jaren voorbijgingen had

zij die hoop opgegeven: en nu waren haar gedachten over kinderen en

kinderopvoeding van dien aard geworden, dat zij zich gelukkig prees,

omdat zij maar voor één de verantwoording droeg.

Haar man zou ook niet blij zijn, als hij het hoorde; dat kon zij wel

van te voren weten.

Maar het ergst, ja, bijna niet uit te houden werd die gedachte,

als zij zich mengde in haar verhouding tot Mordtmann.

Zij werd rood van schaamte, telkens als zij dacht aan hun laatsten

avond.

Hij had haar gekust en gezegd, dat zij alleen de zijne was;--en

zij--wat had zij gedaan?--en wat moest zij doen?

Zij kon immers niet alleen blijven rondloopen midden in dit alles;

wat--of wie moest zij kiezen? Wat nu gebeuren ging moest gebeuren en

wat dan?

Zij ging op een schemeravond op de sofa zitten, nadat zij het

dienstmeisje op het hart gedrukt had niemand binnen te laten,--ook

Mijnheer Mordtmann niet. Zij had zich de wanhoop nabij gevoeld en was

plotseling bang geworden voor haar verstand. Nu wilde zij trachten

een overzicht van alles te krijgen om te zien waar zij stond.

Maar dat werd een droevig overzicht en Mevrouw Wenche zag met

ontzetting waar zij stond.

Want zij stond immers diep in leugen en verwarring aan alle

kanten. Zij, die zoo kloek en zonder omzien zich door het leven

geslagen had, zonder ooit zelf te liegen en zonder anderen te laten

liegen, voor zoover zij er iets aan doen kon; zij, die geloofd en

beweerd had, dat wie oprecht wenscht waar en eerlijk te zijn zonder

schade door het leven zal kunnen gaan, hoe boordevol het ook is van

leugen en lafheid.

Daar lag zij nu. In welke van die verhoudingen, die haar het sterkste

bonden, was zij op dit oogenblik volkomen waar? Zij ging ze één voor

één na, en begon met Abraham.

Waar was haar zoon gebleven? Zij had hem zoo dicht bij zich gehad,

dat zij iedere kleine beweging in zijn ziel had kunnen zien, iedere,

ook de kleinste gedachte of twijfel, die in zijn jong hoofd opkwam,

had kunnen volgen en verstaan.

Waar was hij nu? Wat wist zij nu van hem? Het hielp niet veel, dat ze

zei: "Zij hebben mij hem afgenomen." Want dat was het immers juist, wat

zij had moeten verhinderen; ze had op hem moeten passen, hem vasthouden

in een helderen zuiveren atmosfeer van waarheid; niet uitwijken, niet

los moeten laten, niet moe mogen worden in den dagelijkschen strijd.

Dat was het immers, dat zij zich zelf duizend keeren beloofd had,

als zij hem op haar armen droeg, toen hij klein was;--en nu--nu hij

zoo groot was geworden, dat hij er behoefte aan had, dat zij aan haar

beloften dacht, kon zij nu voor hem gaan staan en zeggen:

"Hier ben ik. Hier ben ik,--je trouwe moeder."

Kon hij nog op haar vertrouwen zooals vroeger?

"Neen", zei Mevrouw Wenche hardop en het klonk zoo treurig in de

leege kamer, "neen, dat kan hij niet."

Tweemaal, eerst met die geschiedenis op school en later in de quaestie

met het aannemen had zij het opgegeven, haar principe prijs gegeven,

was zij zichzelf ontrouw geworden en had voor goed het vertrouwen

van haar zoon verspeeld. Nooit had hij haar zien wankelen, dan

juist tegenover deze twee zaken, die voor hem de gewichtigste

waren geworden. En wat waren dat voor redenen, waarom zij overwonnen

was?--Goede hemel, hoe ellendig kwamen ze haar nu voor in vergelijking

met dat groote: haar plicht om haar zoon staande te houden.

Neen, het was iets anders wat haar machteloos gemaakt had, en dat

was Mordtmann. Terwille van hem, en van hem vervuld, had zij haar

zoon verlaten!--verlaten? Neen, verraden!

En nu dacht zij over Mordtmann en ging hun verhouding na, en die

kwam haar zoo onrein voor. Die scheen haar in dit oogenblik zoo

weinig waard.

Zij dacht over haar liefde en beproefde daar de kracht van, door zich

af te vragen of zij bereid was, haar huis, haar positie, haar man, haar

zoon, haar goeden naam te offeren en telkens als er weer iets bijkwam

zag zij angstig naar haar liefde en het einde was: dat zij te oud was.

Zij was te oud, meende ze, voor die alles overweldigende liefde, die

verleidelijk is als een zaligheid en dwingend als een plicht. Zij

wist al te veel van het leven om zich door eenige illusie te laten

verblinden en was te rechtschapen en te plichtmatig om niet de rechten

van anderen te erkennen. Zij hield veel van Mordtmann. Uren lang

kon het als een bekoring over haar komen, als zij zich dacht als de

zijne. Een leven met een man, die het zoo geheel met haar eens was,

zoo vrij van vooroordeelen, zoo kloek en edel in ieder opzicht.

En als ze dan dacht aan haar leven, zooals het van nu af worden zou

met haar man, dan rilde zij van die leugens; en dan werd haar dat

alles zóó walgelijk, dat het eenige, wat het beste in haar redden kon,

een breuk was--een breuk met alle gezonde, hartverscheurende smart,

die daaraan verbonden was, en dan een nieuw leven--hetzij dan zooals

't worden moest--met Mordtmann.

Maar ze kon immers niet naar Mordtmann gaan zooals ze nu was.

En een oogenblik vergat ze al haar verdriet in een bitter medelijden

met dat kind, waarvan de moeder 't niet verwachtte met verlangen en

liefde, en dat niemand welkom wezen zou, als het kwam.

Zij was geen moeder, waar een kind mee gebaat zou zijn; geen vrouw

voor een man, geen vertrouwbare vriendin,--niets voor wie dan ook--was

't niet het beste, dat ze maar heenging?

De dood kwam haar niet zoo zwaar voor; ze had zich vaak met de gedachte

bezig gehouden vrijwillig heen te gaan; en ze meende, dat als eerst

het besluit genomen was, de moed haar niet zou ontbreken.

Ze had geglimlacht over de minachting, waarmeê over 't algemeen

gesproken werd over de lafhartigheid van hen, die kiezen zelf uit

't leven heen te gaan; want die gedachte was haar zóó nabij gekomen

dat zij wist, dat er moed toe behoorde--vooral moed om te kiezen.

Moe van den maalstroom, waarin haar gedachten haar hadden gejaagd,

verzonk ze in een stil, zwaarmoedig peinzen over deze vraag: zou ze

niet 't beste handelen tegenover de anderen en tegenover zichzelf

door te bekennen, dat haar leven een nederlaag geweest was, en als

overwonnene heen te gaan; in plaats van door te leven van leugen en

stukken van haar verbrijzeld bestaan, opgevende dat waar ze voor

gestreden had en waar ze ontrouw aan geworden was: volle, zuivere

waarheid in woorden en daden?

Maar zij was immers niet alleen.

't Beeld van een klein, zacht kinderkopje vervolgde haar; was dat

goed een ander wezen meê te nemen; een licht te dooven vóór het nog

aangestoken was?

Nieuwe twijfel, nieuwe pijn, nieuwe vragen martelden haar; waarom,

was er toch niets--niemand om te helpen!

Eindelijk kwam hij--'t was over achten--haar man, waar ze niet op

gewacht had; maar dien ze toch wist, dat om dezen tijd komen zou.

Hij ging nu door de vestibule, en zette zijn stok weg. Zou ze met hem

spreken? hij was haar man, hem kwam de helft van dat jonge leven toe,

dat zij had willen uitblusschen; hij sloeg de hand aan den knop van

de deur en kwam binnen.

"Is hier iemand?" vroeg hij.

"Ik ben hier," antwoordde zij van de sofa.

"Ben je alleen?"

Er was iets in zijn toon, dat haar opjoeg; zij antwoordde niet; maar

stak snel de hanglamp aan; haar hand beefde zóó, dat het glas tegen

de ballon rammelde.

"Scheelt er wat aan, Wenche?"

"Scheelt jou niet eerder wat?" vroeg ze stug, want haar man liep

onrustig heen en weer, met een boosaardigen, akeligen glimlach.

"Och ja!--mij scheelt wat,--niet veel, maar een kleinigheid, waar ik

met je over spreken wou. Maar--mijn God!--wat zie je er uit, Wenche!"

Op eens kreeg ze den inval te doen, alsof ze niet begreep, dat hij haar

beschreid en ongelukkig gezicht bedoelde, en ze greep de gelegenheid

aan om het hem te zeggen.

"Hoe ik er uitzie?--Ik dacht, dat je het wist."

"Het wist?...... wist?......--Wat?"

"Heb je dan niet begrepen ...?"

Opeens verzamelde hij zijn gedachten; hij greep naar zijn hoofd, zag

haar onderzoekend aan met zijn scherpe doktersoogen, wendde zich af

en kwam weer terug, terwijl hij iets mompelde.

"Wat zeg je, Carsten?"

"Ik?--Ik zeg alleen: zoo, zoo!" antwoordde hij bleek.

"Ik ben bang, dat geen van ons beiden recht hart heeft voor die

kleine stakker."

"Welke stakker?"

"Ons kind, Carsten. Ons arm kindje."

"Ons?"--antwoordde hij met dien zelfden leelijken glimlach en keerde

zich een oogenblik naar haar toe.

Mevrouw Wenche zag hem een seconde in 't vertrokken gezicht, zonder

hem te begrijpen.

Hij keerde zich om naar de deur, om weer heen te gaan.

"Carsten!" ze stoof plotseling op, "Carsten! wat zei je daar?"

Hij keerde zich om in de deur. De heele man was veranderd; zijn grijze

haren stonden overeind, zijn tanden werden zichtbaar, zijn oogen waren

als die van een dier, dat plotseling zijn kooi stuk slaat, heesch en

ademloos zei hij haar vlak in 't gezicht: "Ik geloof je niet."

Ze vloog hem achterna met een gil en opgeheven handen; maar hij was

al in de vestibule, en ze gaf het op. Ze kon hem toch niet neerslaan,

en dàt had ze gewild.

Een oogenblik stond ze bevend stil; daarna richtte ze zich op. Ze

ging de kamer uit en gaf de dienstmeisjes orders: de professor kwam

zeker niet thuis voor 't avondeten. Zij zelf ging ook uit en nam den

huissleutel meê. Niemand behoefde voor haar op te blijven.

Abraham was bij Broch en speelde kaart; ze had hem wel graag willen

zien; maar 't was misschien het beste, dat ze niet meer in de war

gebracht werd.

Ze deed haar bonten mantel aan, trok den kap over haar hoofd en ging

naar buiten op straat.

Mevrouw Wenche ging regelrecht naar Mordtmann; de afstanden in de

stad waren niet groot; en terwijl zij daar liep, dacht ze niet verder,

dan dat ze nu vrij was--heelemaal vrij van haar man; nu ging ze naar

Mordtmann om hem alles te vertellen; nu kwam er licht--waarheid,

eindelijk! in hun verhouding zooals vroeger; veel geluk verwachtte

zij niet.

Ze was nooit in Mordtmanns huis geweest; maar ze kende zijn vensters,

die op de straat uitzagen. Er was licht aan. 't Huis was als de meeste

anderen in de stad: de groote straatpoort open, geen gesloten entrée;

ze ging regelrecht naar zijn deur, klopte aan en ging binnen.

Michal Mordtmann stond midden in de kamer met hoed en overjas, een

pas aangestoken sigaar, juist bezig met de lamp neer te draaien,

om naar de club te gaan.

In de kamer was een flauwe lucht van warm avondeten, vermengd met

den fijnen geur van de eerste trekken aan een goede sigaar.

"Goeden avond Mordtmann!" zei ze en glimlachte droevig. "Nu kom ik

bij je. Wacht maar even tot ik wat kalmer ben."

Hij stamelde--hij kon niets zeggen. Hij legde zijn sigaar weg en deed

zijn overjas uit.

Deze dagen hadden hem bekoeld; het onheilspellend gezicht van den

professor had hem op de gedachte gebracht, dat dit alles toch al te

ernstig was.

Mevrouw Wenche was klaarblijkelijk ook al te ernstig, te weinig

luchtig, dan dat zij een verhouding, zooals hij zich had voorgesteld,

zou kunnen dragen.

Zij kwam zijn kamer binnen, ging in zijn sofa zitten en zei: "Nu kom

ik!"--Wat ter wereld moest hij toch beginnen? welken toon moest hij

aanslaan?--voor den drommel! hoe moest hij de zaak aanpakken?--Mooi

was ze!--ze was prachtig, zooals ze daar op zijn sofa zat, bleek en

wat verwaaid; maar wat hielp dat?--en dan die wonderlijke plechtige

manier van doen.

Hij schonk haar een glas wijn in:

"Lieve Mevrouw Wenche! wat is er?--is er wat treurigs gebeurd?"

"Neen," antwoordde ze en zag weer glimlachend naar hem op. "Je zult

misschien zelfs vinden, dat het wat goeds is, omdat het op eens je

wensch vervult."

"Vertel, vertel!" riep hij geanimeerd en op een toon, die verrukt

moest heeten.

Ze merkte niets,--vervuld als ze was van wat ze hem nu vertellen

zou,--van dat oogenblik, dat ze het verbond met den eenen man verbrak

om een nieuw met een ander te sluiten.

Ze begon daarom kalm, alsof ze hem om geduld wou verzoeken; 't zou

een lang en ernstig verhaal worden:

"Ja, lieve Mordtmann!--ik ben van mijn man heengegaan en ben bij je

gekomen; maar eerst is er nog iets anders."--

"U hebt...... zegt u...... u is van uw man...... ik begrijp

niet recht......;" hij zag al 't heele stadje in oproer; Mevrouw

Lövdahl,--de vrouw van Professor Lövdahl--van haar man weggeloopen, om

den nacht in zijn huis--'t huis van een ongetrouwd man door te brengen!

Door 't lichaam van Mevrouw Wenche ging een lichte schok; ze zag hem

snel aan en zei--als in 't voorbijgaan:

"Dat wil zeggen: ik heb een hevige scène met mijn man gehad; en daarom

kwam ik hierheen om u om een goeden raad te vragen."

"O, lieve Mevrouw! Ik wil alles voor u doen; u maakte me eerst

heelemaal verschrikt; maar 't was toch vrij onvoorzichtig van u op

dezen tijd te komen." Hij zette zich naast haar op de sofa.

Maar 't gezicht van Mevrouw Wenche werd heelemaal stijf, en rimpels,

die er vroeger nooit geweest waren, legden zich stram om haar

mond. Zij, die altijd de waarheid sprak, had een fijn oor voor al

wat hol klonk en onvertrouwbaar was; op dit oogenblik doorzag ze hem

geheel en onverbiddelijk.

En dat ze het niet vroeger gedaan had, was omdat haar eigen ontwakende

liefde haar blind en vol vertrouwen gemaakt had; en behalve dat--er

was, vooral bij hun laatste ontmoeting--zooveel echte hartstocht in

hem geweest.

Maar nu, nu ze in haar eersten twijfel hem dien strik spande,

verraadde hij zich dadelijk. Er was in zijn stem zóóveel verlichting,

toen hij hoorde, dat het niet zoo ernstig was--alleen maar een hevige

scène met haar man--dat het op eens Mevrouw Wenche duidelijk werd,

dat ze op het punt stond zich zelf te vergooien--van lafhartigheid

en huichelarij in de meest valsche valschheid te vervallen.

Ze stond op en zag hem in de oogen.

Hij stond ook op, zocht naar woorden, streed zoo goed hij kon met

die oogen, die zich in hem boorden, zonder dat ze waren af te weren.

Een paar seconden hield hij het uit; maar toen moest hij zijn oogen

afwenden.

En toen hij weer opzag, werd zijn gezicht heel bleek en hij hield de

handen op, alsof er iets op hem neervallen en hem vermorzelen zou.

Maar toen had Mevrouw Wenche met hem afgedaan. Ze stak de hand uit

als om het glas wijn te grijpen, dat op tafel stond. In dit pijnigend

oogenblik werd ze hevig bevreesd voor een flauwte--hierboven, bij

hem! maar ze bedwong zich met alle macht, hield zich staande en

ging heen.

Ze was door de stille, leege straten zoover gegaan, dat er geen

lantaarns meer waren; ze merkte dat eerst toen ze struikelde en den

weg niet meer zien kon.

Langs de kanten waren groote steenen gezet en diep beneden zich hoorde

ze 't zware geluid van de golven, die zich tegen de rots verhieven

en weer naar beneden ruischten, met een zingend geluid rukkend aan

het taaie zeewier.

Van de lantaarns in de stad blonken kleine strepen langs het fjord

haar tegen; maar ze wendde zich af, ging op een steen zitten en zag

voor zich uit in het duister.

"Arme kleine Abby--arme kleine Abby!" herhaalde Mevrouw Wenche

halfluid. Hij was de eenige, van wie ze afscheid nam: hij was de

eenige, aan wie ze zich verbonden voelde.

Want met Mordtmann had ze afgedaan--volkomen afgedaan. Ze schaamde

zich, ze voelde zich vernederd en verontreinigd, doordat ze zich

zoo lang door dien man had laten bedriegen. Maar niet alleen haar

liefde had hij omlaag en door 't stof gesleurd; al haar ideeën, haar

liefste en moedigste gedachten had hij stuitend voor haar gemaakt;

na dit kon ze op niets of niemand meer rekenen;--ook niet op zich zelf.

En als ze nu van haar man heenging deed ze dat zonder

zelfverwijt. Alles in hem wat hem in hun samenleven hoog gehouden had,

was als weggevaagd door die laatste beleediging; toen was een ruwheid

te voorschijn gesprongen--juist dat grove man-achtige, dat ze haatte,

en dat hij tot nu toe met kunst voor haar had weten te verbergen.

Neen, naar hem wilde ze niet teruggaan.

En dat arme stumpertje, dat ze nu meênam--ook dat maakte haar

niet onrustig meer; want nu zag ze zoo zeker, zoo duidelijk, dat

het een weldaad was--de laatste, die zij zou kunnen bewijzen,--het

licht te dooven vóor het was aangestoken,--die kleine, dat meer dan

twijfelachtige goed--een leven te sparen.

En in haar grenzenlooze eenzaamheid aan den uitersten rand van het

leven, dat zij zich genoodzaakt voelde op te geven, werd dit voor haar

als een flauwe schemering van moedervreugde,--alsof ze haar schreiend

kindje in de armen hield en 't met zich droeg naar de gezegende rust.

Maar Abraham!--dat kind, dat ze had, was hij dan zoo heelemaal voor

haar verloren, dat ze hem onmogelijk kon herwinnen?

Telkens op nieuw maakte ze die som weer over; en telkens als ze meende,

dat die zou kunnen opgaan, kwam er iets, dat alles voor haar weer in

de war bracht.

Neen! hem kon ze geen goed meer doen door te leven, zooals haar leven

in 't vervolg zou moeten worden,--dat was onmogelijk.

Daarentegen zou ze zich kunnen voorstellen, dat de herinnering aan

haar eens in zijn later leven hem tot een steun kon worden, tot een

hulp om weer op te staan, als het hem ooit duidelijk zou worden--en

dat hoopte zij--dat zij, zijn Moeder, haar best gedaan had zijn

zieleleven gezond en waar te houden, en dat die anderen zijn jeugd

hadden vergiftigd en hem laf en onvertrouwbaar gemaakt.

Haar arm hoofd kon bijna niet meer; ze was maar volkomen zeker van

één ding: haar besluit. Haar smartelijke afrekening met het leven

had haar gedachten vermoeid en verstompt; ze voelde het zelf en ze

ging naar den dichtstbijzijnden lantaarn, om op haar horloge te zien.

't Was twaalf uur geworden.

Mevrouw Wenche wist al lang hoe zij het doen zou, en ze had aan hen

gedacht, die na haar moesten leven.

Zij wikkelde zich in haar mantel en keek nog eens uit over het fjord

en naar de lichten in de stad. En ze nam alles bijeen: haar jeugd,

haar vreugd, haar geluk, al wat het leven haar aan zonneschijn gebracht

had, liet alles in schemerachtige omtrekken aan zich voorbij gaan en

koos toen weer de duisternis,--moe, maar vast en zonder aarzelen.

Toen ging ze haastig terug door de stad, regelrecht naar huis.

Vergif: Een Roman uit het Noorsch · 第 18 / 24 题