TIENDE HOOFDSTUK.

De Proost Sparre was met zijn cathechisanten bezig in 't oude

vergaderinglokaal van de Haugianen en hoewel er een massa jongens

waren, scheen het toch maar een klein troepje in de groote, lage,

grauwe zaal met vensters aan drie zijden.

De cathechisanten waren zoo geplaatst, dat er een scherpe afscheiding

tusschen hen was.

Op een lange bank vlak voor den katheder zaten de kinderen van de

lagere school; 't verst naar de hoeken de arme kinderen uit West-end

en de andere uithoeken van de stad.

Maar aan de rechterhand van den predikant, vlak bij den katheder,

op kortere banken die recht op den muur stonden, daar zaten de

goedgekleede jongens van de andere scholen; 't gymnasium op de eerste

bank en Abraham heel bovenaan bij den predikant.

De proost had altijd een menigte cathechisanten, want hij had den

naam, dat bij hem de leerlingen er veel gemakkelijker "door kwamen"

dan bij de andere predikanten in de stad.

Onmogelijke domooren, die het al meermalen te vergeefs geprobeerd

hadden, werden zonder moeilijkheden door den proost aangenomen. En

men moest waarlijk niet zeggen, dat dit kwam doordat hij het niet zoo

nauw nam met hun kennis van het christendom. Men moest die domooren

maar eens hooren, als ze in de kerk stonden, op de cathechisatie! Ze

antwoordden van een leien dakje, en dat dikwijls op de allermoeilijkste

vragen uit de heele Pontoppidan.

Daarom werd de proost zeer bewonderd--meer dan hij verdiende--eerlijk

gezegd; want hij nam zijn geheime maatregelen.

De proost wist namelijk even goed als ieder ander predikant of leeraar,

dat er onder de kinderen van de lagere school niet één jongen of

meisje was, die een syllabe begreep van wat er in Pontoppidan's boek

stond. Daarom was het heelemaal toevallig wat er in de minder heldere

hoofden van het geleerde bleef hangen en van buiten gekend.

Terwijl dus de knapsten onder hen op iedere vraag uit het heele boek

konden antwoorden, als hij maar oplette, dat hij woordelijk vroeg,

precies als de vraag luidde, waren er veel anderen, die maar een

enkel stukje ontgonnen grond in hun hoofd hadden, terwijl de rest

een en al vraagteekens bevatte.

Nu had de proost deze methode, dat hij scherp uitkeek naar de kleine

ontgonnen plekjes in al die hersens; en als hij merkte, dat er een

paar woorden als vastgespijkerd zaten in één van de domste hoofden,

dan schreef hij dat in een notitieboekje op.

Op den grooten dag, dat hij de cathechisanten in de kerk moest

overhooren te midden van de gemeente, was het een wonder, hoe hij kon

springen van 't eene onderwerp op het andere, hier en daar een vraag

doen en altijd den cathechisant voorbereid vinden, en goed voorbereid.

De proost zelf was heel bezorgd voor dat geheim. In het kleine

notitieboekje stonden enkel getallen, die er voor den oningewijde

uitzagen als cijfers, die hij den kinderen onder de cathechisatie

gegeven had. Maar hij was alleen bezorgd, omdat hij heel goed inzag

hoe gemakkelijk zijn handelwijze verkeerd begrepen kon worden en

verkeerd uitgelegd.

Tegenover zijn eigen geweten daarentegen was hij volkomen gerust.

Want als nu de geestelijke gaven zoo ongelijk verdeeld waren, en als nu

Pontoppidan misschien niet voor allen zoo gemakkelijk te begrijpen was,

dan zou het toch een groote onrechtvaardigheid zijn een jong mensch,

dat er om vraagt, den toegang tot de gemeente en de genademiddelen

te weigeren, omdat hij het vermogen miste iets van buiten te leeren.

Aangenomen moesten ze nu eenmaal worden; er kwam waarlijk nooit anders

van dan last en misnoegen in de gemeente als men den kinderen toegang

tot de bevestiging weigerde; waarom zou men dan moeilijkheden maken

door onbillijke strengheid in zijn eischen? 't Koninkrijk Gods behoort

aan de eenvoudigen van hart.

Nu en dan waren ze wel wat bedenkelijk "eenvoudig" en de proost

voelde zich dikwijls weinig op zijn gemak tegenover de gymnasiasten,

die soms bijna stikten van 't lachen. Daarom was hij ook wat koel en

terughoudend tegenover Abraham in de eerste dagen.

Abraham was buitengewoon oud voor een aannemeling, en de proost had

niet veel goeds van hem gehoord; 't was buitendien ook bekend genoeg

dat zijn moeder tot de vrijdenkers behoorde. Maar langzamerhand kreeg

hij een beter indruk van den jongen Lövdahl; hij was eerbiedig en

ernstig en vertrok geen spier op zijn gezicht, als er de zonderlingste

antwoorden van de lange bank kwamen. Hij was daarentegen attent en

hielp den proost de jas aantrekken, gaf hem het boek opengeslagen

aan en sprong op om het potlood aan te geven als het viel.

En eindelijk vond de proost, voor wie deze uren met zijn cathechisanten

een marteling waren, er iets aangenaams in, dien welopgevoeden jongen

man zoo dicht bij zich te hebben. En in het eene uur na het andere

ontwikkelde zich een soort van vriendschappelijk elkaar verstaan

tusschen den proost en Abraham, zoodat ze elkaar aanzagen als er

iets bizonders onder 't overhooren gebeurde, of de proost mompelde

een latijnsche aanhaling, die Abraham met een bescheiden glimlach

beantwoordde, onverschillig of hij die begreep of niet.

De voorbereiding voor de aanneming werd daardoor een genoegen voor

Abraham. 't Was al heerlijk om twee of drie uren in den morgen van

school weg te mogen gaan, en als hij bij den katheder van Proost

Sparre zat, had hij een prettig gevoel van de eerste te zijn.

Door zijn onderwijs op school kende hij 't heele boek van Pontoppidan

al van buiten; zoodat hij niets wist van het ontzettend werken

voor en den verschrikkelijken angst onder het overhooren, die de

wildste jongens van de lagere school bleek en stil maakte met wijd

opengesperde oogen.

Wat voor hen de gewichtigste gebeurtenis in hun levens was, een

naalde-oog om door te kruipen met de grootste inspanning van alle

krachten, dat was voor hem iets wat hem niet inspannen kon; hoogstens

kon het vervelend worden.

Maar dat werd het nu niet door zijn prettige verhouding met den proost;

en als hij een enkelen keer overhoord werd, spraken zij gewoonlijk niet

over Pontoppidan, en 't werd dan meer een gesprek over theologische

onderwerpen tusschen een oudere en een jongere, terwijl de anderen

zaten te gapen of onder de tafel vast het volgende leerden.

--De proost overhoorde het tweede gedeelte: de artikelen des geloofs.

"Ole Martinius Pedersen, kun je mij zeggen hoeveel goden er zijn!"

"Twee soorten, n.l. goede en booze," antwoordde Ole Martinius

Pedersen rad.

"Neen, mijn jongen! dat is niet goed. Je antwoordde op een andere

vraag; op welke vraag antwoordde hij? Kan iemand me dat zeggen?"

"Op de vraag van de engelen," riep een kleine roodharige jongen,

die achteraan bij den kachel zat.

"Juist, Jens Hansen. Er zijn twee soorten van engelen, n.l. goede en

booze, maar God is één niet waar, Ole Martinius?"

"Slechts één eenig God," antwoordde Ole Martinius Pedersen, die een

van de knapste op de lange bank was.

"Hoe heeft het Goddelijk wezen zich in de schrift geopenbaard?"

"Als één eenig wezen: Vader, Zoon en Heilige Geest, welke toch allen

één zijn en de heilige Drieéénheid genaamd worden."

"Kunnen wij wel met ons verstand dit begrijpen: dat God één en toch

tegelijk drie is?"

"Neen; dit gaat ver boven--ofschoon niet tegen ons verstand; daarom is

het een geloofs- en geen verstands-artikel; en God zou geen God zijn,

als Hij door ons verstand begrepen kon worden."

"Heel goed--Ole Martinius, je weet je zaakjes als je je maar even

bedenkt. Nu jij, Mons Monsen! Zijn dan de woorden: Vader, Zoon en

Heilige Geest drie verschillende namen of eigenschappen in God en

niets anders?"

"Ja!--het is meer dan enkel verschil in namen of eigenschappen;

want ieder van hen duidt iets afzonderlijks aan, dat niet aan de

anderen toekomt."

"Niet zoo gauw, mijn jongen. Waarin bestaat het verschil?"

"Niet in het wezen, zooals reeds gezegd is", antwoordde Mons Monsen

in een vliegende vaart, en zonder ergens op te houden: "Niet in het

wezen, zooals reeds gezegd is, maar... maar het woord dat vereenigd

is met water--"

"Neen, neen Mons, nu ben je aan wat anders bezig; pas nu op: 'niet

in het wezen, zooals reeds gezegd is; maar in zeker......'"

"--Maar in zekere persoonlijke, inwendige handeling, als kleeren,

schoenen, eten en drinken, huis en haard, echtgenoote en kinderen,

velden, vee--

"Neen, neen, neen, Mons! Nu ben je weer aan wat anders bezig; 'die

ieder van hen......'"

"--die ieder van hen afzonderlijk toekomen, n.l. de Vader, die uit

niemand is, doet zijn Zoon geboren worden uit de eeuwigheid; de Zoon

is uit den Vader en de Heilige Geest is uit hen beiden. Dit alles is

waar en zeker......

"Neen, neen Mons. 'Dit alles is......'"

"...... Dit alles is het diepe geheim van het geloof, dat ons verstand

niet doorgronden kan."

"Juist, dat is goed, Mons Monsen! je ben een flinke jongen, als je

maar wat kalm aan doet. Maar je praat zoo vreeselijk gauw, dat je in

de war komt. Hier zijn de boeken wat verschillend--wat misschien

de gymnasiasten gemerkt hebben," zei de proost tegen Abraham,

"verscheidene jongens van de lagere school hebben uit een oude

uitgave geleerd."

Dit was ook een eigenaardigheid van den proost die de andere

predikanten bewonderden of waar zij zich over ergerden.

De meesten vonden namelijk, dat als het onderwijs in het Christendom

een band zou vormen tusschen de gemeenteleden, dan moesten vóór alles

de leerboeken dezelfde zijn voor allen; en daarom gaven zij onderwijs

volgens de laatste uitgave van Pontoppidans boek, die door den koning

was goedgekeurd en wilden van geen andere weten.

Maar Sparre nam aan wat de leerlingen gaven, als ze het maar behoorlijk

van buiten kenden. Daarom moest hij ook die wonderbaarlijke kennis

hebben van al de oude en de nieuwe uitgaven, zoodat hij ieder vragen

kon en op gleê helpen met het antwoord.

Door over het verschil te spreken tusschen de oude en de nieuwe

uitgaven dacht de Proost aan een ongelukkigen aannemeling, dien hij

dit jaar had. De predikant Martens had hem in de konsistoriekamer

een onverbeterlijken idioot genoemd.

't Was een groote, sterke jongen van 18 jaar, die als een reus tusschen

de andere jongens zat, en al meermalen het saaie lokaal met onderdrukt

gejubel over zijn grenzenloos dwaze antwoorden had vervuld.

De proost zelf begon te twijfelen. Maar toch sloeg hij hem nauwkeurig

gade, en luisterde aandachtig naar de stukken en brokken, die de

arme Osmund te hooi en te gras ten beste gaf, als hij gevraagd

werd. Eindelijk meende de proost, dat hij een draad gevonden had,

en vandaag wilde hij het probeeren. Hij nam vlug een sprong van de

drieéénheid, om de proef te kunnen wagen.

"Jij daar, Osmund Asbjörnsen Sauamyren," begon hij vriendelijk en

langzaam, om den ander tijd te geven zijn gedachten bij elkaar te

halen: "kun je me antwoorden--mijn jongen--kun je me antwoorden op

deze vraag: 'Welke zijn dan de genadegaven van het Evangelie?'"

Osmund Asbjörnsen Sauamyren zat een oogenblik heel stil; toen begon

hij, eentonig, maar vast, en steeds sterker zingend,--met een vaart,

die hem bijna ademloos maakte:

"Dat zijn: de rechtvaardigheid van Christus, de vergiffenis der zonden,

de uitverkorenheid der kinderen, de voorzorg van God den Vader, het

erfrecht, de vrede met God, kinderlijk vertrouwen, de zoete geur van

Gods liefde, toegang tot God en moed om te bidden, verzekerdheid van

Gods genade, van gebedsverhooring en hulp in allen nood, buitengewoon

krachtige bescherming tegen alle zichtbare en onzichtbare vijanden,

geduld met onze zwakheden en genadige verschooning voor ons geheele

leven; de voorsmaak van het eeuwige leven, blijdschap in den heiligen

geest; besturing, licht, bezieling en kracht van den zelfden geest;

bevrijding van straf voor en overheersching van de zonde, den vloek

en den dwang der wet, van den Satan, de macht van hel en dood, van

de wereld en een slecht geweten; de uitkomst van alle dingen, ook

van het bitterst lijden, ten beste der geloovigen en een levendige

hoop op de zaligheid, waarop eindelijk de onuitsprekelijke eeuwige

blijdschap en heerlijkheid in den hemel volgt, en zoo voorts."

"Kijk nu eens hier," riep de proost triomfeerend, en noteerde iets in

zijn boekje; "ik dacht wel, dat het met jou wel gaan zou--Osmund!--Je

kunt misschien de vragen niet zoo gemakkelijk begrijpen als de jongens

in de stad; maar je weet toch wel wat, mijn jongen!--ga jij maar door

met werken en opletten, je zult zien dat het wel gaat."

De jongens van 't gymnasium waren teleurgesteld; zij hadden een

kostelijke lachpartij verwacht; maar de heele lange bank boog zich

voorover en keek Osmund met de grootste verbazing aan.

Zelf zat hij met open mond den proost aan te staren. Zooiets was hen

nog nooit overkomen. Nooit had hij een woord van lof of hoop gehoord,

maar ook nog nooit te voren had een predikant dit zijn groote en

eenige bravournummer van de genadegaven van het Evangelie ontdekt.

Osmund Asbjörnsen Sauamyren had het al bij veel predikanten geprobeerd

en--ik weet niet hoeveel--cathechisatie-boeken versleten.

Al van den tijd toen hij op veertien-, vijftienjarigen leeftijd het

boek meê naar de bergweiden nam, waar hij de geiten hoedde, had hij

tevergeefs geworsteld met vragen en antwoorden.

Slechts één enkelen keer, op een gelukkig oogenblik, hadden zijn

hersens met een reusachtige inspanning, die groote vraag over de

genadegaven van het Evangelie in zich kunnen opnemen. En met de

wonderlijke toevalligheid, die met het van buiten leeren samengaat, was

dit ééne dreuntje heelemaal, zonder fout of onzekerheid vast blijven

zitten; en zóó dikwijls had hij dat nu in uren van moedeloosheid

herhaald, dat het niet meer los kon gaan uit zijn hoofd zonder dat

het broze Osmundsche verstand meê ging.

Maar hoe weinig hadden de genadegaven van het Evangelie hem tot nu

toe geholpen! Tot spot voor allen en tot verdriet van zijn ouders

was hij van jaar tot jaar blijven loopen als hopelooze aannemeling,

thuis in zijn dorp en nu hier, nadat zijn vader naar de stad was

verhuisd als opperman bij de fabriek. Nergens kon hij aan 't werk

komen. Een jongen, die niet was aangenomen, kon nergens terecht; als

looper met quitanties op kantoren, in winkels, noch bij de bureaux

van 't zeewezen wilde men zoo'n dommen of ontaarden jongen hebben,

die op zijn achttiende jaar nog niet was aangenomen. Zijn groot

lichaam hielp hem ook niet veel. Zijn beenderen waren nog te zwak

voor het handwerk van zijn vader en--behalve dat, wat kon een jongen,

die nog niet aangenomen was, voor loon verwachten? Niet eens op zee

wilde een reederij hem laten gaan vóór hij aangenomen was.

Osmund Asbjörnsen Sauamyren had niet zulke groote plannen, dacht

ook niet zoo ver vooruit te komen in 't leven; en men zou meenen,

dat er zooveel kansen waren, dat aan zijn bescheiden eischen voldaan

zou kunnen worden.

Toch vond hij alle wegen zorgvuldig gesloten; voor hem was geen andere

weg om vooruit te komen dan die langs den predikant; en telkens begon

Osmund geduldig met een nieuwen predikant om een poosje bespot en

dan weggestuurd te worden.

Nu zag hij eindelijk een eind aan al zijn moeite; hij zat er lang over

te denken, wat Moeder wel zeggen zou, als hij thuis kwam, en eer hij

't wist, begon hij te schreien.

't Wekte algemeene vroolijkheid, toen men merkte dat Goliath huilde;

Abraham lachte ook toen de proost glimlachte.

Hij was alles samengenomen heel blij met zijn goede verstandhouding

met Proost Sparre; en hij was nu alleen nog maar bang voor den morgen,

dat zijn Moeder komen zou en hem tot een oprechten biecht dwingen. Zoo

dikwijls stelde hij zich dat voor, dat hij haar als 't ware binnen

zag komen. En wat moest hij haar antwoorden?

Die voorbereiding voor de aanneming kon hem immers heelemaal niet

ernstig stemmen--laat staan hem diep ontroeren; en hij wist, dat hij

bij zijn moeder alleen met ernst aan durfde komen; de kleinste poging

dat te ontduiken zou ze dadelijk ontdekken.

Intusschen ging de herfst voorbij en 't duurde immers nog lang eer

't Paschen was.

Abraham vond langzamerhand, dat Broch een goede kameraad was; ze

gingen 't meest om met de hoogsten in de klasse, met de "kranen," die

't volgend jaar admissie-examen moesten doen. Ze rookten en speelden

kaart en 's avonds wandelden ze met de jonge meisjes.

Er was iets in Abraham, dat hem een zeker aanzien, een zeker prestige

gaf onder zijn kameraden.

De onderdrukte lust tot oppositie, die in hem was, kreeg een anderen

uitweg door spotten en belachelijk maken. Hij kon geestigheden zeggen

over ernstige en godsdienstige zaken; en hoe vreedzaam en eerbiedig

hij op school en thuis was, kon hij de ergste zijn in 't spotten en

den draak steken met allerlei, als ze onder elkaar op een kamer zaten,

in een dikke wolk tabaksrook.

Broch was slap van lachen, en die bijval moedigde Abraham aan, zoodat

hij hoe langer hoe erger werd en nergens meer om gaf,--alsof hij zich

schadeloos wou stellen voor den dwang door echt wild en dwaas te zijn

als hij zich heelemaal durfde laten gaan.

Hij probeerde ook karikaturen te teekenen; en lang ging er een

teekening rond in de vierde klasse van 't gymnasium, die de hel

voorstelde, waar de heeren Aalbom en Borring van weerskanten onder

elkaar een vuurtje stookten, terwijl de Conferensraad Madvig en Erik

Pontoppidan een woesten "pas de deux" uitvoerden in de vlammen.

Op school ging het hem nu heel goed. Abraham was vlijtig genoeg en had

ook langzamerhand een eigenaardige manier gevonden om met de leeraren

om te gaan; zelfs Aalbom vergat dien "duivel!" door zijn innemende

vriendelijkheid en alleen de rector had nog iets tegen hem gehouden.

Professor Lövdahl sloot zich in dezen tijd dicht bij zijn zoon aan,

deed 's Zondags groote wandelingen met hem en sprak bijna met Abraham,

alsof hij volwassen was.

Dat was niet alleen omdat de Professor met alle macht zijn zoon tot

zich wilde trekken, maar ook, omdat hem iets drukte, zoodat hij

er behoefte aan had opgebeurd te worden door de vroolijkheid van

den jongen.

De vertrouwelijkheid tusschen hen werd zoo groot, dat Abraham zelfs

een en ander vertelde, wat hij anders stellig zou verzwegen hebben.

Zoo kwam hij er eens toe in den loop van het gesprek, half tegen zijn

zin, een geschiedenis uit de school te vertellen.

Er was een ruit gebroken, in de hoogste klasse en alle jongens wisten,

dat Morten Kruse het gedaan had, maar toen de rector er naar vroeg,

wilde niemand antwoorden. Toevallig was Broch ziek, zoodat Lövdahl

de eerste was.

Nu was er niets, dat den rector zoo driftig maakte, als wanneer

hij merkte, dat er verzet was; en als oud schoolmeester begreep hij

dadelijk, dat de klasse had afgesproken den schuldige niet te verraden.

Hij was toen regelrecht op Abraham afgekomen: "Pas nu op, Lövdahl! denk

er aan, dat je al eens vroeger je aan oproerigheid hebt schuldig

gemaakt; maar pas op voor den tweeden keer. Weet je wie het gedaan

heeft--of weet je het niet?"

"Je antwoordde toch dadelijk?" vroeg de professor bezorgd.

"Ja,--ik antwoordde,"--Abraham wendde het hoofd af.

"Je zei, dat het Morten Kruse was."

"Ja, want hij had het gedaan."

"Natuurlijk moest je antwoorden; 't was immers krankzinnig geweest om

nog eens schandaal te maken in de school--vooral nu je voor je aannemen

leert. Ik weet wel, dat deze en gene met overspannen praatjes aan zou

komen, dat je je vriend niet verraden mag--of iets dergelijks;--maar

daar moet je je maar in 't geheel niet aan storen. Gehoorzaamheid--zie

je--tegenover je superieuren is absoluut de allereerste plicht en

de hoogste deugd voor een jong mensch en een braaf burger; door met

misdadigers om te gaan wordt je er ten slotte zelf een, terwijl je je

zelf en de rechtvaardigheid dient door het booze en strafbare bekend

te maken."

Toen ze een eind verder geloopen hadden zei de professor zoo in

't voorbijgaan: "Dat hoef je nu niet aan Moeder te vertellen. 't Is

beter er niet over te spreken."

Abraham zag niet op; zij ontweken elkaars oogen een poos. 't Was

alsof ze geheimen voor Moeder hadden; en terwijl Abraham zich gerust

stelde met zijn vaders goedkeuring, dacht hij er niet veel meer over,

dat zijn moeder de zaak anders zou beschouwd hebben.

Maar zij was zoo vreemd in dezen tijd. Ze was eigenlijk zich zelf niet;

want er was iets anders bij gekomen, behalve Mordtmann.--Haar nerveuse

angst was nu zekerheid geworden, en die zekerheid vervulde haar met

een smart, waarover zij zich schaamde en die zij zocht te bestrijden.

Mevrouw Wenche kon het zich namelijk niet langer ontveinzen, dat zij

weer moeder worden zou.

Vergif: Een Roman uit het Noorsch · 第 17 / 24 题