De professor wekte groote verbazing in de club door tot na tienen te
blijven en toddy te drinken.
Hij was namelijk anders zoo geregeld als een klok: elken Vrijdagavond
een partijtje whist op de club, maar alle andere dagen precies om negen
uur naar huis. Hem als vandaag--op een Dinsdagavond zijn avondeten
daar te zien gebruiken, en later "à la guerre" te zien spelen met
een paar jongere heeren was een wondervreemd geval.
Hij lachte er ook zelf om en was heel opgewekt; maar toen hij
thuiskwam--zoowat tegen elf uur, werd hij verwonderd en onaangenaam
gestemd toen hij zijn vrouw niet te bed vond.
Hij had berekend, dat ze slapen zou--of zou doen alsof ze sliep, als
hij zoo laat thuis kwam; en hij wilde voor geen geld van de wereld
een gesprek hebben, nu alles nog zoo heftig was, zoo versch in 't
geheugen lag.
Hij rekende na, waar ze wel kon wezen.
Veel vriendinnen had Mevrouw Wenche niet, maar er waren toch altijd
drie à vier families, met wie ze zoo'n vertrouwelijken omgang hadden,
dat ze daar een avond heen kon gaan zonder geïnviteerd te zijn,
en zonder belet te vragen.
Maar half elf was laat, om van zoo'n bezoek thuis te komen.
Eerst kwam het niet in hem op, dat er iets gebeurd zou kunnen zijn. Hij
keek of zij den anderen huissleutel meêgenomen had, en toen die weg
was, nam hij den zijne uit het slot, opdat ze binnen zou kunnen komen.
Waar ze ook was--hij wist, dat men daar in huis er voor zorgen zou,
dat ze naar huis gebracht werd en trouwens de stad was heelemaal niet
gevaarlijk, zelfs laat in den avond voor een dame, die zoo bekend
was als de vrouw van Professor Lövdahl.
Hij kleedde zich dus snel uit en ging naar bed, opdat hij doen kon,
alsof hij sliep, als zij thuis kwam. Vóor alles was het er hem om te
doen, dat dit gesprek, dat hij wist, dat komen moest, tot morgen zou
worden uitgesteld.
's Avond was het onmogelijk; het leidde maar tot meer heftigheid en
oneenigheid. Maar 's morgens was alles weer binnen de perken gebracht
en minder gewichtig; de meest brandende strijdvragen konden dan
voorzichtig als kleinigheden behandeld worden in de koele morgenlucht.
Professor Lövdahl was zich ten volle bewust, dat hij zich te buiten
gegaan was en zijn vrouw ten diepste gekwetst had. Als correct man
schaamde hij zich, dat hij een stemming verraden had, terwijl hij er
zijn eer in gesteld had die te verbergen.
Tegenover zijn vrouw schaamde hij zich bijna minder omdat hij
zelf wist, dat hij die booze woorden niet in ernst gemeend had en
omdat hij er vrij zeker van was, dat ook zij, als ze even nadacht,
wel zou inzien, dat het maar een gezegde was, dat hem in de eerste
opwelling van misnoegen ontvallen was. Want dat was ontegenzeggelijk
een vervloekte geschiedenis met dat nieuwe kind.
Nu had hij zich al zooveel jaren lang gewend aan de gedachte aan dien
éénen zoon. Zoowel in zijn armenpraktijk, als in zijn statistische
studiën, had hij zooveel treurige gevolgen gezien van veel kinderen
in een gezin; hij had er zelf zooveel en zoo scherp tegen gesproken
en geschreven.
Kwam hij nu niet een beetje in een komisch daglicht, als hij vijftien,
zestien jaar daarna, op zijn ouden dag, tegen zijn eigen theorie
in begon te handelen. Al die geestigheden, die hij zou moeten
slikken! glimlachjes, toespelingen en steken onder water!
En al die last in huis; al die moeite en akeligheid, die men zoo
gemakkelijk draagt als men jong is en alles nieuw; maar die de rust
verstoren en 't huis overhoop halen, als men eenmaal alles in orde
heeft.
Dat alles was op eens over hem gekomen, had zich met de booze,
opgewonden stemming vermengd, waarin hij al een poos verkeerde en
had eindelijk dien beschaafden man, zoo vol zelfbeheersching, uit het
evenwicht gebracht en die woorden uitgelokt, die in zekeren zin zijn
geheim verraadden, hoewel hij in werkelijkheid er ver van was, wat hij
gezegd had te meenen, zooals Mevrouw Wenche het moest opgenomen hebben.
Maar morgen zou alles er anders uitzien.
Aan de zaak zelf was immers niets te doen en Carsten Lövdahl was juist
de man om het onvermijdelijke met gratie te dragen. Hij was ook bereid
tegenover zijn vrouw excuses te maken; maar kalm, half schertsend,
uit de hoogte:--morgen.
Hij deed het licht uit; 't was eigenlijk het allerbeste rustig te
gaan slapen; maar dat gelukte hem niet: hij kon niet in slaap komen.
Integendeel hij werd buitengewoon wakker, gespannen, warm en
zenuwachtig,--hij lag naar het lichtste geluid te luisteren en het kwam
hem voor, dat de stille nacht vol geluiden was, terwijl de stad sliep,
met slechts hier en daar een wegstervende voetstap op haar straten.
En in 't donker groeide een sombere angst op, sneller en sneller met
fantastische omtrekken, en kwam al nader en nader, zwaarder en meer
beklemmend met iedere vijf minuten, als hij meende, dat er weer een
kwartier om was en een lucifer aanstak.
Waar blijft ze toch? Over half twaalf! Nu moest er toch iets gebeurd
zijn.
Hun laatste gesprek, haar gil toen hij vluchtte, omdat hij bang was
dit gesprek voort te zetten--dat alles stond hem voor den geest.--En
zij, die zoo heftig was, zich nergens aan stoorde......!
Die overspannen naturen toch!--hij kende ze. Wat konden ze niet
verzinnen! Waar was ze op dit oogenblik?--hij duizelde. Zwierf ze
alleen rond in den nacht? Of lag ze al te drijven bij de steile rotsen
in het fjord?
Hij ging overeind in bed zitten en stak een kaars aan. Hij sprak
kalmeerend tegen zich zelf als tegen een koortspatiënt; maar het
hielp niet.
Eindelijk hoorde hij de huisdeur.
Dadelijk deed hij de kaars uit, ging liggen en haalde langzaam en
geregeld adem, alsof hij al lang sliep. Hij voelde zich grenzenloos
verlicht en glimlachte over zijn angst.
Mevrouw Wenche kwam binnen, stak licht aan en trok haar japon uit,
terwijl ze haar man aandachtig gadesloeg; hij sliep vast en rustig.
Stil en voorzichtig--zoodat niet één sleutel rammelde, legde zij haar
hand op zijn sleutelring, nam de kaars meê en ging de slaapkamer uit.
Hij merkte, dat ze de kamer weer uitging, maar dacht daar niet verder
over. Nu was ze thuis, zijn angst was voorbij, morgen zou het wel
weer in orde komen. En zooals hij daar nu gerustgesteld en moe van
ontroering lag en deed, alsof hij sliep, viel hij werkelijk in slaap
en sliep vast en rustig twee, drie uur.
Maar toen hij midden in den nacht wakker werd en voelde, dat het bed
van zijn vrouw leeg en koud was, schrikte hij weer op in angst, stak
de kaars aan en keek rond. Alles was stil; 't was over drieën; hij zag
geen spoor van zijn vrouw, behalve de japon, die zij uitgetrokken had.
Carsten Lövdahl voelde zijn hart stilstaan: het werd hem duidelijk,
dat er nu toch iets gebeurd was. Hij verzamelde al zijn kracht, hij
wapende zich met alle kalmte, die in zijn natuur lag en die het leven
en zijn werk nog in hem had versterkt en ontwikkeld.
Toen hij zich half gekleed had, nam hij het licht mee om haar te
gaan zoeken.
Door de kamers viel een lichtstreep uit zijn spreekkamer; de deur
stond op een kier. Hij moest even blijven staan; maar toen deed hij
de weinige voetstappen naar de deur; hij wist nu wat hij zien zou.
Toch moest hij zich vasthouden en de kandelaar was hem bijna uit de
hand gevallen.
Stijf uitgestrekt in zijn grooten leunstoel lag het lijk van Mevrouw
Wenche. De kaars op de tafel was bijna uitgebrand; en uit haar hand,
die zij in 't laatste oogenblik over de tafel had uitgestrekt, was
een van zijn kleine fleschjes gerold, die hij kende.
Hij zette de kaars weg en wilde zich op haar werpen. Maar een gedachte
drong zich op eens aan hem op en maakte hem stil en koud: nu moest
hij er aan denken wat hem nu te doen stond, wat er nog verborgen kon
worden; nu was het tijd om een man te zijn.
En weer bedwong hij alle gevoel met zijn door gewoonte sterke
zelfbeheersching, hield een spiegel voor haar mond, ofschoon hij
wel weten kon, dat de dood onmiddellijk was ingetreden, toen het
fleschje leeg was. Hij nam het op en zette het weer in het kastje,
en lichtte langs den vloer om de kurk te vinden.
Daarop sloot hij zijn medicijnkast en stak den sleutelring in de zak.
Met afgewend gezicht boog hij zich over haar neer, nam haar op en
droeg haar de kamers door naar haar bed.
Toen hij de kaarsen weer naar de slaapkamer gebracht en nog eens
rondgekeken had, ging hij naar boven en riep de dienstmeisjes.
Een liep dadelijk naar buiten om Dr. Bentzen, een van de
gemeente-artsen te roepen: Mevrouw was ziek, gevaarlijk ziek,
't ging om leven en dood.
"'t Is al voorbij--lieve vriend--hier is niets meer te doen, een
hartverlamming, plotseling! in een oogenblik!" zei de professor,
toen hij Bentzen in de gang tegemoet kwam.
"Arme vriend!" antwoordde Bentzen en drukte hartelijk zijn hand,
"kom ik te laat om je te helpen?"
"Och neen! ik kwam eigenlijk ook zelf te laat, zie je, ik lag te
slapen; zij ging later naar bed dan ik; en zoo stil en plotseling is
alles gegaan, terwijl ze zich uitkleedde, dat ze al bewusteloos was
en de doodstrijd al begonnen was, toen ik wakker werd."
Prof. Lövdahl sprak in groote spanning en uitvoerig--als een
moordenaar, die den indruk van vrijmoedigheid maken wil.
"Heb je haar muskus gegeven?" vroeg Dr. Bentzen wat verrast, terwijl
hij zich over haar boog.
"Ja, wat moest ik doen?" antwoordde de professor met een gebaar van
radeloosheid; "ik was wanhopend en alleen--even voor je kwam greep
ik wat ik bij de hand had. Maar ze was zonder twijfel al dood toen
ik het haar in den mond goot. Ik ben altijd bang voor Wenche's hart
geweest;--maar dat het zoo zou gaan....."
Bentzen legde de hand op zijn schouder: "Wees een man--Lövdahl--wij
beiden hebben al zoo vaak zulke dingen zien gebeuren, dat we ons
sterk moeten toonen, als de slag ons zelf treft. Ik zie ook, dat je
kalm bent en behalve dat--je weet, Goddank! waar je de beste troost
op den duur kunt vinden."
De gemeentearts Bentzen vond altijd een paar vrome zinnetjes bij
zulke gelegenheden, ofschoon zijn mond in 't dagelijksche leven vol
was van vloeken en minder fijne verhalen.
Maar toen hij weg was, de huisdeur gesloten, het ergste verborgen
en zijn positie gered, toen was 't uit met Carsten Lövdahls
zelfbeheersching; hij sloot zich op bij de doode, wierp zich neer
naast het bed en steunde.
Zóó was het dan geëindigd, zijn huwelijk.
't Was voor hem één lange strijd geweest, waarin hij voortdurend
verloren had--ook dezen keer.
Hij had gestreden om zijn vrouw te winnen op een andere manier dan
in verliefdheid.
Zij zou leeren hem heelemaal te waardeeren--ook zoo, dat ze zijn
levensopvatting als de ware erkende en zich daarvoor boog.
Carsten Lövdahl's ijdelheid was zijn karakter; alles had bijgedragen om
die te versterken--alleen zijn vrouw wilde zich niet voor hem buigen.
En naarmate zij in hun samenleven elkaar leerden kennen, begreep hij,
dat de kans steeds kleiner werd, dat zij zich zou buigen in bewondering
en des te sterker wenschte hij te overwinnen.
't Zou toch ten slotte wel eens blijken, dat ze niets bereiken kon
zonder hem; al haar overspannen ideeën zouden eens blijken te zijn
wat ze waren: praatjes en groote woorden.
Maar toch imponeerde ze hem. Die grenzenlooze vrijmoedigheid, die
vaste, zekere blik, dien hij op zich voelde rusten, al was ze ook
aan het andere eind van de kamer, zoo vaak hij handig en prettig
een loopje met de waarheid nam;--dat alles drukte en irriteerde hem,
omdat hij haar nooit aan het wankelen kon brengen.
Alleen op éen punt had hij overwonnen; dat was in den strijd om
Abraham. Maar tegelijk was er iets bij gekomen en dat was erger dan
al het andere en had alles vernield.
Want het geheim, dat hij zijn heele leven met inspanning van alle
kracht had verborgen was dit: hij was jaloersch,--stil, verbeten
jaloersch. Maar zooals zijn ijdelheid nooit bleek in iets wat ook
maar in de verste verte op pralerij geleek, zoo vertoonde de duivel
van zijn jaloezie ook nooit zijn bokkepoot in heftigheid en overijling.
Hij herinnerde zich altijd een woord, dat hij in zijn jeugd gelezen
had: een jaloersch man is altijd belachelijk; maar 't meeste als hij
met een dolk komt aanloopen.
Belachelijk te worden was voor Carsten Lövdahl het toppunt van
menschelijke jammerlijkheid, en daarom had hij zich zelf eens voor
al beloofd nooit met een dolk aan te komen.
Dat kwam ook niet met zijn persoonlijkheid overeen; en hoe diep
hij zich ook gekwetst kon voelen, en hoe onmiddellijk hij 't minste
krenkende woord opmerkte, of wanneer hij op zij gezet werd, nooit
kwam er maar een schaduw op zijn gezicht, die iemand opmerken kon.
Daarom had hij van 't oogenblik af, dat zij getrouwd waren deze methode
gekozen: te doen, alsof hij niets zag of begreep; hij was vriendelijk
en voorkomend voor de jonge mannen, die zijn vrouw naderden, en in
zijn spreken over hen vol lof--zoodat het haar zelf bijna verveelde.
Tevens hield hij zich wat op den achtergrond; liet al het ridderlijke
in zijn persoon goed uitkomen; hij week uit of was bij de hand; zoo
bescheiden en trouw, dat de jonge vrouw, wier volle liefde hij nu
eenmaal niet bezat, toch liever tot hem terugkeerde als een of andere
verhouding haar begon te verontrusten. Ten slotte was hij het toch,
waar ze 't beste op vertrouwen kon.
Maar telkens als hij zulk een crisis had doorgemaakt, voelde Carsten
Lövdahl, dat het een volgenden keer moeielijker werd. Dit was ook
een van de redenen, waarom hij de hoofdstad verlaten had. Hier in de
kleine stad ging het beter.
Wel maakte de onderdirecteur Abel zijn bezadigde strijkaadjes,
en dat ergerde den professor; maar in werkelijkheid was dat toch
heel onschuldig.
't Was, alsof hij eindelijk rust zou krijgen van de slang, die aan
zijn hart knaagde;--maar toen kwam Mordtmann.
Al van dat onzalige diner, dat professor Lövdahl gegeven had, omdat
hij vond dat het zijn plicht was, en omdat Mevrouw Wenche tot nu toe
zoo onverholen haar onverschilligheid aan Mordtmann had getoond,--al
van dien blik, waarmeê ze den jongen vreemde dankte voor zijn hulp in
dat groote gesprek over de school,--van dat oogenblik af wist Carsten
Lövdahl ook hoe het gaan zou,--dat wil zeggen: 't kwam niet in hem op,
dat het zóó zou eindigen.
Maar hij voorzag een nieuwe beproeving, en volgde zijn oude methode:
hij nam aandeelen in de fabriek "Fortuna," ging in 't bestuur en
noodigde Mordtmann uit met zijn vriendelijksten glimlach.
Maar hij merkte al gauw zelf, dat het niet meer zoo gemakkelijk
ging als vroeger. 't Werd hem bij den dag moeilijker zich te
beheerschen. Niets ontging hem, hij wist en begreep alles; hij zag
hun verhouding zich vestigen, groeien en groeien--lang vóór en veel
duidelijker dan Mevrouw Wenche het zag.
En hij kookte! 't Was hem onmogelijk langer comedie te spelen,
terwijl zijn huis op 't punt stond in elkaar te storten. De oude
methode hielp niet.
Hij moest ingrijpen--of tegen den een of bij de andere.
Hij stampte met zijn stok op den grond op dien avond, toen Mordtmann
naar buiten kwam met dat geheele hartstochtelijke tooneel in zijn
gezicht geschreven, zóó, dat de professor 't in één seconde gelezen
had,--hij stampte met zijn stok op den grond, maar hij voelde op
hetzelfde oogenblik, dat dit de laatste keer was dat hij het zoo
kon doen.
Een paar dagen had hij zoo rondgeloopen; maar vandaag was hij
thuisgekomen om alles aan zijn vrouw te zeggen,--alles! zooals het van
den eersten dag af was gegaan tot nu toe. Aan het verootmoedigende wat
daarin gelegen was dacht hij niet meer; hij wilde zich beklagen,--daar
had hij recht toe; hij wilde haar tot haar plicht roepen, haar plicht,
dien ze als rechtschapen vrouw niet kon ontkennen, waar ze zich niet
aan kon onttrekken.
Maar toen trof het zoo ongelukkig,--die mededeeling, waarmeê ze hem
tegemoet kwam,--zoo onaangenaam, zoo volkomen onverwacht. En toen
verloor hij zijn kalmte, die hij met zooveel moeite bewaard had;
hij was heelemaal buiten zich zelf toen hij haar die beleediging in
het gezicht slingerde.
Hij had haar willen zeggen,--hij kwam om haar te zeggen, dat hij haar
niet langer vertrouwde; dat hij was begonnen aan haar te twijfelen;
hij wilde haar waarschuwen, haar smeeken, of haar hard toespreken,
al naar 't gesprek liep.
Maar 't was verre van hem geweest haar te willen beleedigen. Dat haar
hart van hem vervreemd kon worden--dat wist hij; en dat was immers
zijn angst; maar dàt wist hij ook, dat zoodra het gebeurd was en de
keus met bewustheid gedaan, dan zou ze uit zich zelf bij hem komen
en het vertellen. Dat ze ontrouw zou zijn--op andere wijze--dat zou
hij nooit in ernst van haar denken.
En allerminst op dit oogenblik, nu hij daar in zijn sombere gedachten
verdiept zat en haar aanstaarde.
Ze lag daar zoo rein, zoo stil, zoo geheel zijn meerdere na 't
volvoeren van haar besluit.
Hij zat daar, en hij voelde, hoe ze op nieuw en nu afdoende overwonnen
had.
Want wat hem in haar oogen hoog gehouden had, was juist, dat hij trots
alles wat zij lafheid en onwaarheid noemde, toch iets ridderlijks
had bewaard, wat haar aantrok en waarvoor ze achting hebben kon.
Maar nu had hij juist in hun laatste samenzijn het slechtste, wat er
in hem was, laten zien, zich op zijn allerleelijkst vertoond--en met
dat beeld was zij heengegaan.
Hij kwam daartegen op met de diepste verbittering; zijn liefde voor
haar was voor 't grootste gedeelte een brandende lust geweest om haar
tot eerbiedige bewondering te brengen,--eerst dan was ook hij bereid
tot bewonderen.
Nu was hij onverbiddelijk geslagen, ze had hem volkomen veracht,
had hem den rug toegekeerd en was heengegaan.
Al zijn smart en teleurstelling, heel het overschot van zijn liefde,
dat nog niet door zijn ijdelheid verslonden was, werd op dit oogenblik
in haat tegen Mordtmann omgezet; dat zou voortaan zijn levensdoel zijn,
hem op de knieën te dwingen, zich zelf en zijn nederlaag te wreken;
iets anders bestond niet meer voor hem.
Maar hij had Abraham vergeten, Abraham was er immers nog, haar zoon;
en bij die gedachte werd zijn bitterheid iets verzacht. Hem zou hij
toch tot bewondering kunnen dwingen; hij zou de liefde die zijn vader
hem aanbood, met dank en wederliefde aannemen, hij zou hem liefhebben,
zooals Carsten Lövdahl bemind wilde worden.
Hij zou Abraham helpen zijn verdriet te dragen,--hij zou mogen treuren;
maar tevens wilde hij hem ontwikkelen en vormen naar zijn beeld, hem
zoo ver, zoo hoog brengen--zóó hoog als zijn liefde groot was. Dan
zou de zoon hem ten minste schenken, wat hij van de moeder nooit had
kunnen verkrijgen.
De professor nam de lamp, om Abraham te wekken, en hem zoo voorzichtig
mogelijk te zeggen, dat hij zijn moeder verloren had.
De dienstmeisjes waren niet weer naar bed gegaan; ze wachtten met
ongeduld, dat de dag zou aanbreken zoodat ze naar buiten konden
komen en 't nieuws vertellen; onderwijl maakten zij den kachel aan
en kookten koffie.
Abraham had in den slaap gemerkt, dat de kachel in zijn kamer was
aangelegd, en daarom had hij den indruk, dat het tijd werd om naar
school te gaan.
Toen hij nu door zijn vader gewekt werd, ging hij met een ruk overeind
zitten en meende, dat hij zich verslapen had.
"Is het al acht uur!"
"Neen--mijn jongen!--'t is nog pas zes uur; maar ik maak je
wakker, omdat ik iets heel treurigs te zeggen heb.--Je moet sterk
zijn--Abraham!--en God bidden je kracht te geven; want we hebben
van nacht allebei een groot verlies geleden. Je Moeder is plotseling
ziek geworden--"
"Is Moeder dood?" riep Abraham wanhopend en greep zich aan zijn
vader vast.
"Kalm nu, mijn jongen! je ziet, dat ik ook kalm ben; je moet
het dragen als een man, hoe jong je ook bent. Och--Ja! Onze lieve
Heer heeft ons beiden een zware beproeving opgelegd; je moeder werd
vannacht plotseling ziek. 't Was een beroerte, die geen menschenmacht
voorkomen of genezen kon, en nu--nu heeft zij het goed en wij beiden
zijn alleen."
Abraham was nog niet recht helder; hij greep haastig naar zijn kleeren
in een vage behoefte om op te staan en bij zijn moeder te komen.
"Neen, neen, Abraham, blijf nu stil liggen! 't is nog zoo vroeg,
en je zult nog tijd genoeg hebben om te treuren, stakker!"
"Maar Vader, Vader! Is 't wel zeker waar?" Abraham barstte uit in
luid en heftig schreien en wierp zich in de kussens.
Lang zat de vader aan 't bed en streelde zijn hoofd. Maar toen het
schreien langzamerhand wat bedaarde, stond hij op:
"Blijf nu liggen tot het licht wordt--Abraham--of zoo lang je wilt. Je
hoeft niet naar school te gaan in deze dagen; ik kom gauw weer bij je."
't Was zoo wonderlijk, zoo onmogelijk om te begrijpen, dat Moeder
dood was, onherroepelijk dood en weg, "dood," herhaalde hij halfluid
in zich zelf.
Hij zat overeind in het bed en staarde naar het roode punt in de deur
van den kachel, tot de tranen hem weer te machtig werden, en hij ging
weer liggen en schreide; hij hoefde niet naar school, dat was maar
goed ook; hij schreide tot hij in slaap viel en hij sliep lang.
Telkens als hij bijna wakker werd, kwam het hem voor, alsof hem iets
heel akeligs wachtte; maar hij hoefde niet naar school en hij zette
het van zich af.
Zoodoende stond hij niet op voor elf uur. Zijn ontbijt was in zijn
kamer gezet, terwijl hij sliep; maar hij kon niet eten; hij was als
half bedwelmd.
Abraham kwam eindelijk uit zijn kamer en wilde over de smalle gang
naar de kamer van zijn ouders gaan,--maar de deur was afgesloten,
zoodat hij door den keuken gaan moest.
Daar verbaasde het hem eerst de kookvrouw te vinden, die gewoonlijk
kwam als er een diner of souper gegeven werd. Ze was bezig met vleesch
te schrappen en op het fornuis stond een groote pan soep te koken.
Abraham ging de huiskamer binnen om in de slaapkamer te komen. In de
kamers zag hij Mevrouw Bentzen en verscheiden andere dames, die hij
kende. Ze waren allen in 't zwart, en over de tafels en stoelen lag
veel wit goed. Overal rook het naar muskus. Niets drong helder tot
hem door, vóór hij bij zijn moeders bed stond.
Daar lag zij: nu zag hij het.
"Moeder," zei hij heel zacht; "Moeder!" riep hij wat harder.
Toen was het alsof hij stikken zou. Op eens begreep hij den
onverbiddelijken dood. Hij kon niet schreien.
Zijn vader kwam zachtjes binnen, en sprak vriendelijk tot hem. "Wij
beiden, Abraham, moeten ons bij elkaar aansluiten. Zij heeft
uitgestreden. Zie maar, hoe rustig zij daar ligt."
Daarop nam hij hem voorzichtig meê uit de slaapkamer.
Er was een liefderijke stemming en een stille gedempte drukte in
huis. De witte gordijnen moesten hoe eer hoe beter voor de vensters
gehangen worden [15], en 't huis was groot, met veel vensters aan
de straat.
Alleen in de spreekkamer van den professor mocht niemand komen. Daar
zocht Abraham zijn toevlucht.
Zijn vader zat telegrammen te schrijven, hield nu en dan op en
zuchtte. Abraham keek naar buiten op de plaats, waar de herfstdag
gelijkmatig troosteloos neerzeeg.
De professor werd gestoord door een bleeken, zachtmoedigen man,
dien Abraham kende als den aanspreker; en terwijl ze samen spraken,
sloop hij weer naar de slaapkamer.
Daar zat hij en staarde zijn moeder aan; hij schreide bijna niet,
staarde maar als verlamd naar die bekende trekken, die hij maar niet
in beweging kon brengen. Zouden de anderen zich toch niet kunnen
vergissen? Stel je voor! Als zij zich nu eens naar hem toekeerde en
zei: "Abbylief, ik ben niet dood."
Zijn vader kwam weer binnen en vond hem daar; hij sprak wat met hem
en bracht hem zachtjes de kamer uit.
De professor sprak fluisterend in 't voorbijgaan een paar woorden
met het mooie vrouwtje van den commissaris van politie; en kort
daarna vroeg ze hem--'t moest van zelf heeten, maar Abraham begreep
het best:--
"Toe, kom eens hier en houd de trap vast, Abraham! en geef mij de
spelden één voor één aan, wil je?"
Zij stond op de trap en was met de gordijnen bezig.
Abraham ging naar haar toe en hielp haar. De dames hielden hem om
strijd bezig en overstelpten hem met lof, omdat hij zoo flink en
handig was. En zoo ging de dag voorbij tot etenstijd.
Toen begreep Abraham ook waarom de kookvrouw er was. Want in de
groote kamer was een lange tafel gedekt; al de behulpzame dames zouden
daar eten.
Abraham ging op zijn gewone plaats zitten: maar toen hij de oogen
opsloeg en zag, dat Mevrouw Bentzen naast hem zat voor de soepterrine
en soep opschepte, barstte hij plotseling in luid schreien uit en
moest van tafel worden weggebracht.
En eerst toen voelde hij heel zijn verdriet voluit. 't Kwam over
hem als een stortvloed: het grootst en bitterst verdriet, waarvoor
geen troost te vinden is in zóó'n jong hart;--het overstelpend
kinderverdriet, waarvan de volwassenen meenen, dat 't zoo gauw
voorbijgaat, omdat er zooveel over héen groeit.
Met een doordringende bitterheid, zooals geen ander verdriet heeft,
boort dit zich diep in den bodem van het hart; en alles, wat daar
later kan opgroeien, dat alles wortelt in die heilige smart.
't Leven en de tijd kunnen later wel buigen en wijzigen; maar een
gemeenschappelijke stempel, een gemeenschappelijke pijnlijke plek zal
er altijd zijn voor hen, die de eigenschap kregen, dat zij begrijpen
en lijden kunnen, en dan dadelijk moeten beginnen met het allergrootst
verlies--het eenige, dat nooit vergoed kan worden.