Abrahams aanneming was steeds uitgesteld of liever; er was nooit
over gesproken.
Want de professor wist maar al te goed, dat Mevrouw Wenche er zich
met alle macht tegen verzetten zou; reeds van af den tijd, dat haar
zoon klein was, had ze gezegd: "Aangenomen zal hij niet worden."
Haar man had gezwegen en de quaestie ontweken. Hij had gedacht:
"die dan leeft, die dan zorgt." En het was zijn gewoonte niet,
iets onaangenaams aan te pakken, zoolang hij het ook maar eenigszins
vermijden kon. Daarom had hij de zaak laten rusten, tot Abraham zijn
16de jaar intrad en dat was vrij laat voor de aanneming, volgens
't gebruik in de stad.
Maar nu in 't najaar moest hij worden ingeschreven; want aangenomen
zou hij worden--dat stond even vast bij den professor, als het
tegenovergestelde bij zijn vrouw.
Op een morgen, terwijl zij zich kleedden,--Abraham was juist naar
school gegaan,--begon de professor kalm en alsof het van zelf sprak.
"Ja, nu denk ik er over om Abraham in de volgende maand bij proost
Sparre te laten inschrijven."
"Inschrijven?...... bij Sparre?...... wat in de wereld zeg je
toch?" Mevrouw Wenche keerde zich haastig op haar stoel om; zij zat
voor den spiegel haar lang haar op te maken.
"Voor 't aannemen, kind."
"Je denkt er zeker niet aan, dat we aldoor afgesproken hebben, dat
Abraham niet aangenomen zal worden."
"Afgesproken?--Neen Wenche, dat hebben we nooit."
"Maar heb ik dan niet honderdmaal gezegd: hij zal niet aangenomen
worden."
"Ja, maar dat is geen afspraak."
"Maar je bent het toch met me eens geweest. Je hebt er nooit een
woord tegen gezegd."
"Ik heb er geen woord van gezegd, zoolang de zaak niet aan de orde
was. Maar van jouw kant moet je toch toegeven, dat je voor zoover
je mij kent er toch volkomen van overtuigd kon zijn, dat ik wilde,
dat de jongen aangenomen zou worden, zooals de gewoonte is."
"Hoe kun je nu met 'de gewoonte' aankomen, Carsten! In zoo'n ernstige
zaak!"
"Laten we nu eens probeeren over deze ernstige zaak te spreken zonder
heftig te worden, lieve Wenche! want uit heftigheid komt nooit iets
goed voort. Denk er nu eens over na, of je 't recht hebt je zoon in
een heel anderen toestand te brengen dan alle anderen, wat hem in
zijn leven bemoeilijken en aan alle kanten belemmeren kan."
"Dat is juist de groote weldaad, die ik mijn zoon bewijzen wil: hem tot
een uitzondering te maken tusschen al die huichelaars en leugenaars."
"Groote woorden--Wenche! 't Is alsof je meent dat je zoon niet anders
kan zijn en nooit wat anders worden, dan wat je zelf bent."
"Wat bedoel je?"
"Heb je nooit over de mogelijkheid gedacht, dat Abraham een christen
kon worden? Ja--ik weet wel, wat je zeggen wilt. Je hebt nu eenmaal
niet veel vertrouwen op mijn christendom; maar kun je je niet
voorstellen, dat Abraham misschien een oprecht christen zou kunnen
worden?"
"Jawel," antwoordde Mevrouw Wenche in gedachten en keek voor zich
uit. "Daar heb ik dikwijls over gedacht. En je moet niet denken; dat
ik dat zou tegengaan, of het als een ongeluk beschouwen voor hem of
voor ons. Dat is het juist. Oprechtheid is alles voor me. Halfheid,
leugen en huichelarij--dàt is 't wat ik uit het leven van mijn zoon
houden wil."
"Ja, maar als je volkomen oprechtheid wilt, moet je ook volle vrijheid
toestaan."
"Dat doe ik ook; hij mag gerust kiezen."
"Neen, pardon! Je geeft hem geen volle vrijheid om te kiezen, als
je hem buiten iets houdt--of hem een trap van ontwikkeling laat
overspringen, die al de andere jonge menschen doormaken."
"Maar juist die trap van ontwikkeling--zooals jij 't noemt, die is
juist de poort tot den leugen,--dat is mijn vaste overtuiging!"
"Daar twijfel ik niet aan, Wenche! er kan zeker ook allerlei tegen
het aannemen worden gezegd; maar hier is nu geen sprake van wat jij
gelooft of wat ik geloof, maar van Abraham's geloof. 't Is niet,
omdat ik zelf--hm"--hun oogen ontmoetten elkaar in den spiegel,--"nu,
ik ben nu eenmaal niet godsdienstig aangelegd, zooals jij, en 't is
dus niet om die reden, dat ik mijn zoon in de christelijke leer wil
laten opvoeden. Maar naar mijn meening hebben noch jij, noch ik het
recht om hem iets te onthouden, wat hem kan helpen bij die keus, of
hem tot iets te dwingen, wat het hem onmogelijk maakt te kiezen. Hoe
kunnen we nu eerlijk tegenover onzen zoon staan, als we niet tegen
hem zeggen: Wil je dezen proef met jezelf nemen? Of heb je al van te
voren gekozen?"
"Nu verdraai je de boel, Carsten."
"Neen, dat doe ik niet. Abraham is oud genoeg om te begrijpen waar
het om gaat; daarom heb ik zoolang gewacht; laat hem zelf kiezen of
hij wil worden aangenomen of niet. Dat dunkt mij, dat jij, met je
sterk gevoel voor vrijheid en rechtvaardigheid goed moet vinden."
"Nu goed, laat hem kiezen!" riep Mevrouw Wenche; maar dadelijk liet
zij er op volgen: "Ach neen,--wat geeft dat? zoo'n jongen!--hij kiest
natuurlijk te zijn als alle anderen--om rust te hebben. Neen, neen
Carsten! 't is zonde om hem met open oogen in leugen en knoeierij
te zenden."
"Zeg eens, Wenche! Hoe lang heb je je voorgesteld voor je zoon te
kiezen? Wil je mettertijd ook een vrouw voor hem kiezen?"
"Dat is onzin, Carsten. Ik ben het immers, die er altijd op sta,
dat hij zijn vrijheid hebben moet."
"Dat is een wonderlijk soort van vrijheid! Als Abraham nu wezenlijk
kiest om aangenomen te worden--"
"Dan is 't alleen, omdat hij nog niet wijzer is op dit oogenblik.
"En als hij nu over een paar jaar niet wijzer is en een vrouw wil
nemen, waarvan je vast en zeker overtuigd bent--zooals je gewoonlijk
bent,--dat ze je zoon grenzenloos ongelukkig zal maken, wat dan?"
"'t Is wezenlijk een ellende met je te praten--Carsten! want je haalt
alles door elkaar."
"Laat ons nu niet heftig worden, want dat dient nergens voor. Ik vond
juist, dat we hier zoo kalm en goed over praatten. Zou ik het nu wel
zijn, die alles door elkaar haalt? Zou jij 't niet eerder zijn, die
in je groote liefde voor Abraham onwillekeurig wat van de tyrannie
mengt, ... pardon! die onafscheidelijk is van alle liefde? Zou jij
niet, in je ijver om hem 't beste te bezorgen, voortdurend voor hem
willen kiezen? terwijl je toch zoo dikwijls gezegd hebt, dat het
't beste is, dat een mensch zelf kiest."
"Ik wil graag kalm zijn--Carsten! en 't is niet om onvriendelijk
te zijn, dat ik het zeg; maar 't is heusch gevaarlijk om met je te
praten; want je draait me rond en zet alles ondersteboven. Nooit zou
ik geloofd hebben, dat ik gewillig mijn zoon voor het aannemen zou
zien voorbereiden; maar nu komt het me bijna voor, dat er iets van
aan is wat je zegt."
"Ja, ik geloof, dat ik dezen keer 't meest in overeenstemming met je
principes ben," antwoorddde de professor, die nu geheel gekleed was
en wilde heengaan.
"Maar dat zeg ik je," riep plotseling Mevrouw Wenche, toen hij al
op den drempel stond, "op den morgen, dat Abraham naar de kerk moet
om die ongelukkige belofte af te leggen, wil ik als zijn moeder het
recht hebben hem te vragen of hij weet wat hij doet. En is hij dan niet
volkomen oprecht en eerlijk, dan zal noch jij noch eenig dominé in de
wereld het gedaan krijgen, dat mijn zoon heengaat en een leugen zegt!"
"Dat mag je doen, zoo als je zelf wilt," antwoordde haar man en
ging heen. "Die dan leeft, die dan zorgt"--Voorloopig had hij gedaan
gekregen wat hij verwachten kon.
Maar Mevrouw Wenche was onrustig en ontstemd; zij had een pijnlijk
gevoel, dat haar man haar listig haar toestemming tot het aannemen
ontlokt had--dat aannemen--de walgelijkste comedie, die ze kende.
Ze sprak er met Mordtmann over, en hij gaf haar in alles volkomen
gelijk; hij was nog heftiger in zijn uitdrukkingen. Maar overigens
interesseerde de quaestie hem niet zoo sterk.
Toen nam ze Abraham bij zich en sprak ernstig met hem op een avond,
dat de professor in de club was.
Ze legde hem uit, zoo duidelijk en openhartig als zij kon, wat ze
van dit dominé's verzinsel:--het aannemen, dacht.
Ze liet hem zien dat die belofte, die ze eischten en aannamen van
minderjarige kinderen [14] niets anders was dan het vreeselijkste
spelen met het ernstigste; dat het niet anders zijn kon--absoluut niet
anders--in aanmerking genomen de eischen, die het ware christendom
aan de menschen stelde--dan dat de jonge menschen bij troepen het
leven ingeleid werden door een grooten leugen heen, erger dan een
meineed. Wilde hij dat met open oogen meêdoen? of had hij gekozen?
Als hij zonder vrees voor de menschen kon besluiten voort te werken,
zonder die verbintenis, die alleen bestond om verbroken te worden,--kon
hij dat, dan zou ze hem trouw helpen.
Abraham zat met neêrgeslagen oogen zonder te antwoorden, zonder haar in
de rede te vallen. 't Was hem altijd pijnlijk, als iemand met hem over
godsdienst sprak. Op school leerde hij godsdienst als ieder ander vak;
en alleen de rector in zijn redevoeringen, of als er iets niet in den
haak was, sprak met nadruk over God; de professor kon zoo nu en dan
een uitdrukking doen als b.v. "Je mag onze Lieve Heer wel bidden je
daarvoor te bewaren," of iets dergelijks.
Abraham wist wel hoe hij moest staan kijken, als zooiets gezegd werd,
en kon ook wel een antwoord mompelen op den juisten toon; maar akelig
vond hij het toch.
En nu met zijn moeder was het nog erger; want het hielp niet of hij
bij haar met de gewone zinnetjes aankwam;--en den juisten toon wilde
zij precies niet hebben; en hoe zou hij toch in ernst op haar vraag
kunnen antwoorden?
Ja,--natuurlijk wou hij aangenomen worden, zooals alle anderen; 't
was hem al lang een ergernis geweest, dat hij de laatste was van alle
jongens, die even oud waren als hij. Dat sprak immers van zelf. En nu
kwam zijn moeder en maakte het tot zooiets verschrikkelijk gewichtigs,
alsof 't een keerpunt in zijn leven was.
En terwijl ze tegen hem bleef spreken, zoo ernstig en met een zachte
stem over waar en eerlijk wezen, in welk geloof het dan ook was,
zat hij er aan te denken hoe wonderlijk het toch was, dat juist zij
zoo sprak. Dat was toch de verkeerde wereld!
De rector, waarvan nu toch iedereen wist, dat hij een buitengewoon
godvruchtig man was, en zijn eigen vader, die ook godsdienstig was--zoo
matig,--juist genoeg, vond Abraham--die alle twee, en behalve dat,
alle christenmenschen in de stad, hielden het aannemen in eere, ja zij
zouden een woord tegen die heilige handeling voor Godslastering houden.
Maar zijn moeder, die zelf dikwijls gezegd had dat 't met haar
geloof niet zoo heelemaal in orde was,--en Abraham had van buitenaf
toespelingen gehoord op erger dingen--dat zij nu dat alles, waar
ze zelf niet aan geloofde, en wat ze dus ook niet echt begrijpen
kon--dat zij het aannemen ernstiger, plechtiger opnam dan de geloovigen
zelf--dat vond hij al héél vreemd; en terwijl hij daaraan dacht werd
hij onwillekeurig een beetje ongeduldig. Hoe kon zij, die zelf niet
geloofde, hooger eischen stellen dan de geloovigen! Zelf werd zij
tenslotte ook ongeduldig toen zij den jongen daar zag zitten als een
stok: stijf en stom.
"Antwoord me nu, Abraham!--wat kies je? Wil je aangenomen worden?--of
wil je het niet?"
"Ik weet het niet", antwoordde Abraham.
"Ja, maar dat moet je toch weten. Je ben nu groot genoeg om te weten,
dat je zelf moet kiezen. Denk er nu maar eens een paar dagen over na;
maar dàt wil ik je zeggen, wat ik van morgen tegen je vader gezegd heb:
op den dag, dat je naar de kerk gaat zul je eerst bij mij biechten;
en kun je dan niet naar waarheid tegen mij--je moeder--zeggen: 'Ik
wil en kan die belofte afleggen' dan zul je niet naar dat leugenfeest
gaan, zoo waarachtig als ik Wenche heet."
Een poos later kwam de professor thuis; ze gebruikten het avondeten en
er werd over andere dingen gesproken. Maar Abraham liep verscheidene
dagen rond met dat pijnlijk gevoel van te moeten kiezen.
Ja, natuurlijk wilde hij aangenomen worden! Als ze hem op school
vroegen of hij in 't najaar voor zijn aannemen zou gaan leeren,
antwoordde hij ja. Over een paar weken moest hij ingeschreven worden;
zijn moeder vroeg hem niets; zijn vader ook niet. En intusschen ging
de tijd voorbij.
Op school was niet veel afwisseling; alleen had hij in de nieuwe
klasse meer Latijn en meer Grieksch. Hij begon langzamerhand zich bij
Broch aan te sluiten; vroeger had hij niet van hem gehouden. Maar nu
zaten ze naast elkaar als de twee hoogsten in de klasse en Abraham
was vlijtig geworden.
Kleine Marius had geen spoor achtergelaten. Hij was verdwenen; zijn
nummer door een ander bezet. De stroom sloot zich over hem, en zijn
naam werd nooit meer genoemd, omdat allen hem al spoedig vergeten
hadden. Het dagelijksch geblok in dezelfde kamer, in dezelfde vakken,
dezelfde lessen, 't zitten--dat alles maakte, dat hun gedachten zich
niet bezig hielden met wat voorbij was. En Marius Gottwald werd al
gauw voor hen een kleine jongen, dien ze jaren geleden gekend hadden,
toen ze zelf klein waren en in de lagere klasse zaten.
De eenige, die aan hem bleef denken, was Abraham.--Niet alleen om die
herinnering, die hem hinderde, en waaraan hij maar liefst zoo zelden
mogelijk dacht.
Mevrouw Gottwald, die nu niets meer in de wereld te doen had dan de
herinneringen aan haar lieven kleinen Marius te koesteren, klampte
zich aan zijn besten vriend vast.
Wanneer ze Abraham ook maar in 't oog kreeg liep ze naar buiten of
klopte aan het raam.
Abraham vermeed dat 't liefste; hij vond het niet prettig, als
iemand hem naar binnen zag gaan, en hij vond het ook niet prettig
naar Mevrouw Gottwald te luisteren.
Zoodra ze hem goed en wel op de sofa had gekregen, begon zij over
kleine Marius te praten. Ze kon immers den heelen langen dag geen
woord spreken over het eenige, waar ze dag en nacht aan dacht.
Schuw en teruggetrokken als ze was, had ze geen vriendinnen. Alleen
's avonds kwamen de oude stamgasten,--de sombere gedachten aan schande
en berouw--de kleine kamer in en gingen in 't rond tegen de wanden
zitten en staarden haar aan.
Er was een gast bijgekomen, erger dan de anderen. 't Was het knagend
verwijt, dat zij uit ijdelheid haar zoon meer had willen laten leeren
dan zijn hoofd verdragen kon; maar daar durfde zij nooit over spreken.
Overigens vertelde zij iederen keer hetzelfde, vroeg of het niet
waar was, dat kleine Marius de allerknapste in het Latijn geweest
was, en werd niet moede te vertellen, hoeveel hij van zijn vriend
gehouden had, hoe hij hem bewonderde en tot hem opzag;--"Ja, het
ging zóóver,"--hier lachte de bleeke dame met een klein, flauw
lachje--"dat ik, zottin!--heel jaloersch werd op dien Abraham
Lövdahl. Zie eens hier, achter in een van zijn themaboeken heeft
hij met groote letters geschreven: 'A. L. is de grootste held van de
school.' Dat ben jij--dat is U......" Mevrouw Gottwald werd verlegen;
ze wist bijna niet, of ze "jij" kon blijven zeggen tegen Abraham;
hij was zoo stijf, zoo groote mensch-achtig.
't Was haar ook niet mogelijk hem te bewegen om lang achter elkaar
te blijven of dikwijls terug te komen; tot ze eindelijk op 't idee
kwam hem op wijn en gebakjes te tracteeren; en dat hielp een beetje.
Hij kwam nu soms uit zich zelf--liefst in 't donker en zat nogal
geduldig naar de oude verhalen te luisteren; nu en dan vertelde
hij ook trekjes uit hun samenleven, die de arme Mevrouw Gottwald in
verrukking brachten.
Maar Abraham sloop altijd stil heen en terug naar deze bezoeken,
hij voelde wel, dat zijn vader het in 't geheel niet goed zou vinden,
dat hij den omgang met de moeder van kleine Marius aanhield.
Maar wie kan op zijn zestiende jaar de verzoeking van wijn en
boterspritsen weerstaan?
--Intusschen bleef Michal Mordtmann steeds even vol van zijn fabriek,
die nu bijna klaar was. Maar toen de herfstregens doorzetten was
't niet zoo prettig daar iederen dag heen te gaan. Daarom richtte
hij in de stad een kantoor in voor de fabriek "Fortuna."
Over zijn verhouding met Mevrouw Wenche was hij niet recht tevreden;
die ging al te langzaam vooruit,--misschien wel heelemaal niet. Hij was
nu zeer door haar bekoord; een liaison met zoo'n mooie en interessante
vrouw van zulk een liberaal man stelde hij zeer op prijs. Dat zij
werkelijk ook,--in alle geval bijna--verliefd op hem was, dat wist
hij zeker; hij had het al ontelbare malen aan kleinigheden gemerkt.
Mevrouw Wenche had trouwens iets vreemds over zich gehad in den
laatsten tijd, iets zenuwachtigs, iets ongestadigs. Nu eens staarde
ze voor zich uit en sprak weinig; dan weer was ze zoo redenrijk,
dat het bijna pijnlijk werd.
Mordtmann was er van overtuigd, dat hij de oorzaak van al haar
gemoedsbeweging was en ze was juist in dezen tijd zoo mooi, zoo
bekoorlijk, dat de anders zoo voorzichtige man zijn zelfbeheersching
begon te verliezen.
In plaats van de bezoeken op het middaguur waren er op de lange
herfstavonden vertrouwelijke, langdurige gesprekken gekomen in de
schemering bij het schijnsel van den kachel. Mevrouw Wenche placht
heen en weer om de tafel te loopen; hij zat op de sofa in het roode
kachellicht.
De professor was bijna altijd uit op dien tijd, maar soms kwam hij
ook thuis en vond hen zoo, en altijd waren zij of hij dan wat verlegen.
Maar in Michal Mordtmann's bloed was onrust--als hij daar zat en haar
zoo kalm en regelmatig langs zich heen zag loopen.
Ze was somber dien avond en zij spraken over den dood en over treurige
dingen; hij sprak weinig, zij antwoordde met een paar woorden, en ze
waren het er over eens, dat het leven niet veel waard was.
Maar dat was zijn stemming niet; hij ging met haar meê. Zelf was
hij vol ongeduld en hoop; hij berekende de gevolgen niet, en had
geen gewetensbezwaren; telkens als ze langs hem liep, kostte het hem
meer moeite haar te laten gaan, zonder op te springen en haar vast
te houden.
Na een pauze bleef zij vlak voor hem staan en zag hem in 't opgeheven
gezicht.
"Maar waarom zit u nu dat alles te zeggen, wat u immers heelemaal
niet meent?"
"Ik ben het ook niet, die hier zit, en hier spreekt! ik weet niet
wat ik doe; ik weet alleen, dat ik dit niet langer uithouden kan."
Terwijl hij dit zei, had hij zijn arm om haar middel geslagen en
haar neer getrokken, zoodat zij in 't schijnsel van 't vuur op zijn
linkerknie zat.
Hij boog zijn hoofd over haar en kuste haar op de wang. "We kunnen
ons toch niet langer voor elkaar verbergen; het is toch waar."
"Ja, het is waar," antwoordde ze mat en legde haar arm op zijn
schouder.
Maar langzamerhand maakte zij zich voorzichtig los en stond op.
"Neen, neen," zei ze--als 't ware nog half in een droom.
Maar hij sprong op en wilde haar grijpen, met hartstochtelijke woorden,
zonder samenhang.
"Neen--neen!" riep ze heftiger en op eens, als of ze wakker werd:
"raak me niet aan! Is u dwaas! Meent u, dat ik twee mannen hebben wil?"
"Maar je bent nu van mij--van mij alleen."
"Neen, neen volstrekt niet, bedenk toch......!"
"Denk zelf maar na, hoe vaak hebben we daar niet over gesproken;
heb je niet altijd het recht van de liefde verdedigd?"
"Niet nu--niet zoo,--breng me niet in de war, laat me met rust;
zie toch eens wat we al niet vernielen;--neen, laat het blijven
als vroeger, of als dat niet mogelijk is; ga dan heen!--Ik smeek u,
Mijnheer Mordtmann, laat mij met rust."
"Maar ik dan,--ik? daar denk je niet aan. Wat moet er dan van mij
worden?"
Ze nam hem bij de schouders, keerde hem naar het licht en zag hem
oplettend in 't gezicht. Hun beider ademhaling was kort en ongeregeld,
en zijn gezicht was bleek en vertrokken; terwijl hij onverstaanbare
woorden stamelde en haar handen heftig drukte.
"Wat heb ik gedaan!" riep Mevrouw Wenche; want zijn hartstocht was zoo
onmiskenbaar en waar op dat oogenblik, dat die haar geheel overtuigde
en sterk aangreep: "ik heb ons beiden kwaad gedaan!"
"Neen, neen, dat heb je niet! je hebt gekozen, je bent de mijne.--Als
je me niet bedriegt!"
"Ik bedrieg je niet, beste vriend."
"Kom dan!--Blijf niet halverwege staan. Wees de mijne!"
"Luister nu, luister even naar een verstandig woord, we zijn op
dit oogenblik immers beide half toerekenbaar; nu moet ik handelen,
ik ben de oudste."
"Och......" viel hij haar ongeduldig in de rede, maar zij legde de
hand op zijn mond:
"Ga nu heen, ga heen, lieve Mordtmann en kom over een paar dagen
terug; we moeten beiden nadenken en alles overwegen. Laat ons niet
in den roes van dit oogenblik onherstelbaar verdriet over ons zelf
en anderen brengen. Doe nu wat ik zeg. Je weet wel dat ik gelijk heb."
Hij wilde niet luisteren, maar met smeeken en liefderijke woorden drong
ze hem naar de deur, nog eens greep hij haar aan en kuste haar; daarop
stoof hij de deur uit en liep half bewusteloos door de vestibule.
Ze wierp zich op de sofa en hield de handen voor de oogen. Zijn kussen
brandden haar; ze had hem lief; daar lag een smart in, die haar als
vastsnoerde in een gelukzaligen angst en haar gedachten stonden stil
voor dat ééne.
Ze kon er niet toe komen aan haar man en aan haar zoon te denken;
maar een halfbewust gevoel van angst, waar ze al lang meê gestreden
had, mengde zich pijnlijk in deze onuitsprekelijke verwarring.
Haar man kwam thuis. Hij ging uit de vestibule dadelijk in zijn
kamer. Daar hing een kastje aan den muur, waarvan hij den sleutel
altijd aan zijn sleutelring droeg en waarin hij enkele zeldzame
geneesmiddelen bewaarde;--de apotheek was niet bijzonder vertrouwbaar.
De professor zocht een fleschje versterkende droppels uit, mengde
een sterke dosis met water en dronk het uit. Toen bekeek hij zijn
gezicht in den spiegel; dat was heel bleek.
Toen hij zoo een poos gestaan had, deed hij het licht uit en ging
door de huiskamer, om zich in zijn slaapkamer te wasschen, zooals
hij altijd deed, als hij 's avonds van zijn visites thuiskwam.
"Goedenavond Wenche, zou je de lamp niet opsteken?" vroeg hij,
terwijl hij haar voorbij ging.
"Ja," antwoordde zij van de sofa, zonder zich te bewegen.
Abraham zat over zijn boeken. Hij was met Broch op de kamer van
Morten Kruse geweest, waar ze rookten, en hij had een warm hoofd en
een prikkelig gevoel in zijn huid; hij voelde zich niet wel.
"Nu--Abraham," vroeg de vader, terwijl hij ouder gewoonte heen en weer
door de kamers liep onder 't toilet maken. "Heb je al een besluit
genomen hoe het met het aannemen gaan moet? Dat moet gauw gebeuren,
als je er dezen keer bij wilt zijn. Of wil je liever niet?"
"Ja, ik wil liever wèl."
"Goed!--je weet, dat je daar vrij in bent. Wil je aangenomen worden,
dan mag je. Heb je 't al aan Moeder verteld?"
"Neen,--wilt u dat niet liever doen?"
"Neen,--waarom? Beste jongen, ga nu maar meteen naar binnen en zeg
het. Moeder is in de kamer."
Abraham ging heel verlegen naar binnen.
"Zeg, Moeder," begon hij toen hij een poosje bij de kachel gezeten had;
"ik geloof toch, dat ik voor mijn aannemen leeren wil."
"Ja, dat dacht ik wel,"--antwoordde Mevrouw Wenche bijna hard. Ze
was zoo volkomen in haar gedachten verdiept.
Maar Abraham kreeg een schok.
Dat ze dat nu zóó op kon nemen! Ze had hem zoo open en liefdevol
gezegd, dat hij zelf kiezen mocht. Hij sloop even verlegen weg, als
hij gekomen was; en hij begon al te rillen van angst voor dien morgen,
dat zijn Moeder bij hem zou komen om hem duchtig in verhoor te nemen.
--Toen Michal Mordtmann duizelend de huisdeur uitvloog, was hij vlak
op Professor Lövdahl aangeloopen, die juist thuiskwam.
De professor stootte met zijn stok op de steenen en het kwam Mordtmann
voor, alsof hij iets zeggen wilde, maar zich bedwong. Het scheen hem
ook toe, dat het gezicht van den professor een zonderlinge uitdrukking
had, toen hij vluchtig opzag en groette.
Maar hij was al te veel vervuld van wat er met Mevrouw Wenche gebeurd
was. Hij ging haastig naar huis en sloot zijn deur af, om alleen en
ongestoord zijn geluk te genieten.
Hij liet zich in zijn leuningstoel neervallen, sprong weer op en
liep heftig heen en weer, zocht het portret op, dat hij van haar had,
sprak er tegen en sprak tegen zich zelf,--gelukkig, zonder belemmerende
gedachten, trotsch dat hij zijn doel bereikt had.
Maar naarmate hij wat tot rust kwam, betrapte hij er zich telkens op,
dat hij aan den professor dacht. Dat was toch eigenlijk een zonderling
gezicht, dat hij gezet had.
Het begon Mordtmann onrustig te maken. Hij begon er over te denken
hoe ontzettend onvoorzichtig ze gehandeld hadden. Nog maar een paar
minuten later en de professor zou hen verrast hebben in een ontroering,
die onmogelijk te verbergen zou zijn geweest.
Dit moest heel anders ingericht worden,--die verhouding,--als dat
zou kunnen doorgaan en dat gaf zijn overdenkingen een andere richting.
Hij stak een sigaar aan en ging zitten om na te denken.