Abraham stormde de kamer in en riep: "Moeder, Moeder! Ik ben No. 2!"

Mevrouw Wenche kwam hem even stralend van geluk tegemoet loopen,

ze nam hem in haar armen, kuste hem en danste met hem; en toen de

professor binnenkwam met het gewone: "Stil--kinderen" lachte ze maar,

nam den arm van haar zoon en ging aan tafel.

De professor wilde wijn aan tafel hebben, en 't werd een

familiefeestje. Abraham voelde zich zoo licht als een vogel; en toen

de professor met hem klonk, vond hij, dat zijn vader toch de beste,

de grootste man van de wereld was.

Maar dezen dag voelde hij zich ook zoo tot zijn moeder aangetrokken. In

lang had hij dat gevoel niet gehad.

Eigenlijk hield hij toch evenveel van beide en hij was als in een

roes van zaligheid, terwijl dat wat hij had doorgemaakt een sombere

herinnering werd, die hij liefst vergeten en uitwisschen wou.

"Ja, is 't nu niet zooals ik zei?" riep de professor uit, toen zij

vertelde, waar zij geweest was. "Voor die fabriek heb je toch een

warme belangstelling."

Ze lachte maar en sprak hem niet tegen. Vandaag voelde ze zich zoo

wonderlijk licht te moede, zoo heel gelukkig.

Vergif: Een Roman uit het Noorsch · 第 15 / 24 题