Michal Mordtmann had zich aangewend even bij Mevrouw Wenche binnen
te loopen als hij om twaalf uur uit de fabriek kwam.
Er was een groote groep arbeiders aangenomen voor de veelomvattende
werkzaamheden om het terrein in orde te maken. Er moesten solide
steenen kaaien langs het strand gelegd worden, de fondamenten voor
de ontelbare gebouwen moesten worden gelegd en de schoorsteenen
opgetrokken.
De maatschappij op aandeelen was gevormd met een grondkapitaal van
100,000 rijksdaalders en de stad was ten slotte zoo moedig geworden,
dat men had besloten het Engelsche huis niet uit te noodigen tot het
nemen van aandeelen, nu het zich zoo voornaam had teruggetrokken.
't Heele kapitaal werd dus in de stad geplaatst en de fabriek
"Fortuna," zooals ze in veel champagne gedoopt was, werd de trots en
de lieveling van 't stadje.
Mordtmann was blij en vol hoop. Nooit was hij zóó tevreden over zich
zelf en alle andere menschen geweest. Van een ondergeschikte in een
vreemd land, was hij nu de eerste in een nieuwe onderneming geworden,
die hij zelf van den beginne af zou leiden.
Daar noch de directeur, noch de aandeelhouders een flauw begrip van
de zaak hadden, werd hij al gauw een orakel; en hij werkte sterk op
't effect! Waar zijn kennis hem in den steek liet, was hij er niet
bang voor te schermen met groote woorden, die allen volkomen dupeerden.
Een massa arbeiders kregen vast werk; hij betaalde Zaterdags de loonen
uit; de vrouwen kwamen bij hem om voorschot; en hij werd in korten tijd
bekend en bemind bij groot en klein. Alleen in de ambtenaarskringen
en in enkele oude stijf conservatieve huizen bleef men een diepen
afkeer tegen hem koesteren en dààr beklaagde men Professor Lövdahl,
omdat zijn vrouw zulke menschen ontving.
Maar Mordtmann stoorde er zich niet aan, hij voelde zich vroolijk en
gezond als hij 's morgens vroeg in de mooie zomermaanden naar zijn
fabriek ging,--dicht buiten de stad. De arbeiders waren niet als
de Engelsche, die alleen aan hun werk denken. Hier namen ze de pet
af en zeiden "Goeden morgen," en namen den tijd voor een praatje,
als hij dat wilde.
't Was ook iets om trotsch op te wezen, dit alles op te zien groeien
en te zien schikken volgens zijn eigen plan; de vele zonderlinge
gebouwen, die door de stad als wonderen van zijn vernuft werden
beschouwd; heel dien grootschen aanleg met onbeperkt opperbevel en
geld in overvloed--'t was wel iets voor een jong werklustig man om
met vreugde onder handen te nemen.
En toch was er iets anders, dat langzamerhand hem liever werd dan al
het andere;--dat waren de bezoeken bij Mevrouw Wenche.
Hij had niet met veel dames in de stad kennis gemaakt; zijn zaak
had hem van den beginne aan alleen met mannen in aanraking gebracht,
en nu hij werkelijk zoo veel te doen had, dat zijn dag er geheel door
was ingenomen, had hij geen aanleiding of behoefte om meer conversatie
te zoeken dan de club en de familie Lövdahl.
Maar des te meer kwam hij bij den professor aan huis. Men had hem eens
vooral gezegd, dat hij daar ten allen tijde welkom was en Mordtmann
had alle reden te vermoeden, dat dit oprecht gemeend was; de professor
was altijd even beminlijk en voorkomend.
Toch was het duidelijk, dat zijn bezoeken de vrouw des huizes golden,
en zij voelde dat zelf.
Elken dag tusschen twaalf en één wachtte zij hem met een glas wijn,
dat hij opdronk, terwijl ze een half uurtje vroolijk babbelden.
Maar als het regende en slecht weer was kwam hij alleen maar voor
't raam en liet haar zijn modderige laarzen en zijn natte jas zien,
en dan spraken ze gewoonlijk af, dat hij 's avonds zou komen.
Mevrouw Wenche had de zaak zoo opgenomen, dat ze hem een beetje
moederlijk behandelde, wat haar door haar positie gemakkelijk
afging, al was het verschil in ouderdom tusschen hen eigenlijk niet
noemenswaard.
Hij vond dat niet prettig, maar had geen moed een verandering voor te
stellen; en zij hield hem in een schertsenden toon, die menig woord
en menig blik voor minder kon laten doorgaan dan ze werkelijk waren.
Zij had te veel sympathie voor hem en ze stelde zijn gezelschap te
veel op prijs om te willen begrijpen, dat hij haar het hof maakte. Had
ze niet nu al jaren lang den onderdirecteur Abel om zich heen zien
smachten; en hij had haar wezenlijk in 't minst niet gehinderd.
Mordtmann was nu wel heel anders dan Abel, maar toch, zij was waarlijk
niet bang, noch voor wat ze zelf deed, noch voor wat anderen er
van zeiden.
Ook tegenover haar man vond zij er geen bezwaar in; hij had nooit een
zweem van jalouzie getoond. Van het oogenblik af, dat zij getrouwd
waren, was Carsten Lövdahl een en al beminnelijkheid geweest tegenover
de jonge mannen, die haar naderden--aangetrokken door haar schoonheid
en levendigheid.
Een enkelen keer had Mevrouw Wenche gevonden, dat hij in deze liberale
houding wel wat ver ging; maar later had ze steeds moeten erkennen,
dat zijn verstandig en kalm gedrag veel weer in orde gebracht had
wat anders moeilijk genoeg had kunnen worden.
Zelf was ze nooit ernstig bewogen geworden, misschien juist wel omdat
alles zoo kalm en vrij toeging. En dat, niettegenstaande ze niet lang
getrouwd was geweest met Carsten Lövdahl, vóór ze merkte in hoe weinig
zij harmonisch dachten.
Hij was zoo voorzichtig, zoo irriteerend, door altijd in den vorm
te blijven dat ze vaak vond, dat hij laf en onvertrouwbaar was. Maar
er was toch ook iets beschaafds en ridderlijks in zijn karakter, dat
hem altijd in haar achting staande gehouden had. En al stelde zij hem
niet zoo bizonder hoog, en al was hij niet zoo heel veel voor haar,
er was daarentegen toch nooit zulk een groote leegte gekomen in haar
hart, dat zij zich geheel van hem afwendde.
En nu was ze immers oud, met een halfvolwassen zoon; een vrouw
van ervaring, een gezeten burgeres, waarom zou ze gemoedsbezwaren
hebben?--was het niet eerder belachelijk van haar, dat ze zich nog
verbeeldde zoo gevaarlijk te zijn?
Ze liet dus de menschen praten,--(en dat deden ze) en gaf zich zonder
bedenking over aan het aangename gevoel dagelijks als vriend een knap,
beschaafd man, die vrij van vooroordeelen was, om zich heen te hebben,
die met bewondering luisterde naar alles wat haar man "overspannen
ideeën" placht te noemen.
Maar daardoor deed ze Abraham te kort, zonder dat zij het wist. Ze
voelde dat nog minder nu het samenviel met een verandering, die in
den knaap zelf had plaats gevonden. Hij kwam niet langer met honderd
vragen, begeerde ook niet meer, dat ze met hem stoeien of damspelen
zou; en bovendien had zij het gevoel van onzekerheid tegenover hem
nog niet overwonnen, zoodat ze hem misschien een beetje minder vrij
en vroolijk tegemoet kwam.
Bij de begrafenis van kleine Marius had Mevrouw Gottwald den wensch
uitgesproken, dat Abraham vlak achter de kist, naast den predikant
zou loopen, hij was de beste vriend van kleine Marius; en hij had
immers in 't geheel geen familie.
Maar de rector had er zich tegen verzet. Abraham mocht alleen in den
stoet met zijn kamaraden meegaan; en hij moest nog blij toe zijn,
dat hij dat mocht.
Eindelijk kwam het zoover, dat de heele school en daardoor een groot
gedeelte van de stad een vagen indruk hield, dat er iets niet in den
haak was met Abraham Lövdahl.
De professor moest zich geweld aandoen, om zijn zoon niet te vroeg te
vergeven; hij was er zoo blij om, dat zijn methode zoo goed gewerkt
had, en in zijn hart had hij zoo'n medelijden met den armen jongen, die
daar zoo alleen rondliep met aller oogen op zich gericht. Eindelijk kon
hij het niet langer uithouden en begon met glimlachjes en vriendelijke
woorden.
Deze eerste glimlachjes! Zij daalden op Abraham neer als een regen
van zaligheid. Er was toch niemand op de wereld als zijn vader;
en minder dan ooit kon hij begrijpen, hoe hij zulk een vader zóó'n
groot verdriet had kunnen doen.
Nu begon hij tot in de kleinste kleinigheden er naar te streven
geprezen te worden; hij werd attent en gedienstig aan tafel, zette
's avonds de pantoffels van den professor klaar, en nu het tegen het
eind-examen liep, werkte hij harder dan ooit.
Mevrouw Wenche placht altijd meê te gaan naar het plechtige
examenfeest. Van den tijd af dat haar zoon nog klein was, had ze het
een genoegen gevonden op 't noemen van zijn naam te zitten wachten,
hem naar den katheder te zien gaan, zijn groot rapport aannemen en
een buiginkje maken, waarbij zij altijd onwillekeurig even meê boog
met haar hoofd.
Maar toen ze dit jaar haar man zijn witten das zag aandoen--om Ephor
te wezen--(vroeger had ze altijd gemeend, dat hij even als zij meêging
uit belangstelling voor hun kleinen Abraham)--toen kwam het haar zoo
akelig voor, dat de ouders dien eenen keer op het slotfeest kwamen,
terwijl zij 't heele jaar hun arme kinderen aan hun lot overlieten.
Ze wilde niet langer meêdoen aan die comedie--haar man op een hoogen
stoel naast den burgemeester te zien zitten als een vertegenwoordiger
van de deelneming der ouders in de school; ook wilde ze haar tranen
niet vermengen met die van de vele gedachtelooze moeders, die over de
mooie woorden van den rector zaten te schreien, als hij aandoenlijk
sprak over de school, en het huis, en het tehuis hier boven.
Daarom liet zij den professor alleen met Abraham gaan, zonder de
reden op te geven; maar de professor begreep het en vroeg daarom niet.
Intusschen dreigde haar morgen bizonder vervelend te worden; ze had
toch wel lust om naar 't schoolfeest te gaan; maar ze had zich nu
eenmaal voorgenomen het niet te doen. Eindelijk nam ze haar hoed en
parasol, om een groote wandeling te doen; 't was de eerste Juni en
helder, frisch zomerweer met noordenwind.
Ze ging den kant uit naar de nieuwe fabriek. Michal Mordtmann had
haar zoo dikwijls gevraagd daar eens te komen, zoodat hij haar al
zijn heerlijkheden kon laten zien.
Zij ging er heen zonder bekommering; 't was immers een eerlijke zaak;
alle menschen waren er geweest en bovendien--wat gaf ze daarom?
Toch was ze niet heelemaal vrij van wat hartklopping toen ze op de
hoogte stond en in het kleine dal tusschen de heuvels neer zou gaan,
waar de nieuwe gebouwen waren opgetrokken.
Ze ontdekte hem al in de verte. Hij stond heel beneden bij de kade op
een zwaar gehouwen blok graniet; in de eene hand hield hij een rol
teekeningen, met de andere wees hij, terwijl hij orders gaf aan de
arbeiders, die bezig waren ijzeren platen uit een boot op te hijschen
met de nieuwe kraan.
Het grijze zomerpak zat strak om zijn slank lichaam; op 't hoofd
had hij een onmogelijken Engelschen hoed, die hem uitstekend stond;
hij had een korte broek aan en in plaats van de groote laarzen droeg
hij om het warme, droge weer, linnen schoenen met gele riemen.
Men kon zich "de arbeid" niet in eleganter vorm voorstellen; en zooals
hij daar stond op dat solide voetstuk, zoo intelligent en zelfbewust,
met zijn rol teekeningen zag hij er juist uit, zooals het voor een
ingenieur van onze dagen past.
Toen hij haar voor de tweede maal zag, sprong hij van den steen;
want toen hij haar voor 't eerst ontdekte--boven op den heuvel, was
hij op den steen gesprongen. Hij snelde haar tegemoet en heette haar
vroolijk welkom in zijn koninkrijk; en dadelijk wilde hij beginnen
met haar alles te laten zien.
"Maar ik dacht, dat u het druk hadt; kunt u zoo maar van 't werk
weggaan? U moet heusch niet om mij----"
"Ach...... dat is zoo erg niet; nu ik ze aan den gang geholpen heb
kunnen ze wel voort zonder mij."
Ja--dat was een waar woord! dachten de arbeiders; zij hadden niet
begrepen waarom de chef--zoo wilde hij genoemd worden--op eens op
den steen sprong en begon te roepen en te commandeeren; maar toen
zij die dame zagen, begrepen ze 't allemaal wel.
Zij gingen samen--Mordtmann en Mevrouw Lövdahl, tusschen de gebouwen
door en hij begon te verklaren. Zij had plezier in al die wonderlijke
inrichtingen en hij had buitengewoon veel plezier in haar onhandige
vragen.
Zij lachten dikwijls en kwamen in een vroolijke ongedwongen stemming
aan het kantoor, waar hij haar overhaalde om binnen te komen en zijn
port te proeven.
De bel van de fabriek had intusschen twaalf uur geluid; en de arbeiders
gingen in groepen naar de stad of naar het arbeidersgebouw, waar een
eetlokaal was.
't Kantoorpersoneel was ook verdwenen toen de chef en Mevrouw Wenche
aan het kantoor kwamen. De gang, die naar de kamer van den chef
leidde, was half versperd door veel stukken van machines, van staal
en glimmend koper, die voorloopig daar waren neergezet, om niet in
den weg te staan en goed bewaard te worden.
Mordtmann maakte excuses, omdat het er zoo nauw was.
't Kantoor van den chef was het eenigste in de fabriek, dat heelemaal
afgewerkt scheen te zijn. Het was Engelsch: gezellig en mooi ingericht.
Toen Mevrouw Wenche in de groene, met leer overtrokken sofa ging
zitten, voelde zij zich toch niet geheel op haar gemak. 't Was zoo stil
geworden; geen mensch in den omtrek, geen gedruisch van ijzeren platen
of hamerslagen, geen stemmen,--alleen enkele haastige voetstappen
van iemand, die vlug naar zijn middagmaal ging.
"Ik moet trouwens gauw weg," zeide zij en maakte haar hoed los. Het
was warm.
"O, goede hemel! wij hebben allen tijd: 'Uw man wacht u zeker niet
thuis vóór 't eten.'"
"Neen,--Carsten is ook Ephor vandaag," antwoordde ze vroolijk; maar had
er onmiddellijk spijt van, want ze zag, dat hij dat dadelijk opvatte
als iets van haar man, waar zij samen gewoonlijk om lachten. En dat
was haar bedoeling niet.
"Uw man is zeker over 't algemeen meer in touw, dan hij eigenlijk
wezen moest."
"Meer--in touw?"--
"Ik bedoel,--als men een vrouw heeft als u--Mevrouw Wenche!--de man,
die zoo gelukkig is, heeft, dunkt me--de verplichting..."
"Nu, nu! Mr. Mordtmann! U weet het--correct!"
"En u is het juist, die niet hebben wilt, dat ik correct ben, Mevrouw."
"Ja, maar nu wil ik het,--op dat ééne punt begrijpt u?"
"Ik begrijp het niet, maar ik gehoorzaam. Er is trouwens niets--wat
een woord van U......"
"Spaar uw woorden. Drink liever uw wijn uit."
"Voor liefde is wijn maar een slecht geneesmiddel, Mevrouw Wenche!"
"Bah"--antwoordde ze en ontweek zijn oogen, terwijl ze haar hoed
terecht zette.
"Gaat u heen?--Is u boos op me?"
"Neen, dat ben ik niet; maar ik ben bang dat ik het gauw worden zal."
"Maar waarom?--U kunt me toch niet verbieden--van u te houden--"
"Mijnheer Mordtmann! Wat is dat leelijk van u! En hoe dom van u onze
vriendschap te bederven.--Wilt u mij uitlaten?"
"Ik heb niet anders gezegd, dan wat u al wist," antwoordde hij
eerbiedig en neerslachtig, terwijl hij de deur voor haar openmaakte;
"mag ik u naar de stad brengen?"
"Neen," antwoordde Mevrouw Wenche, en ging hem voorbij; maar in haar
pogingen om boos te kijken en gauw weg te komen, stootte ze tegen de
stukken van machines, die in den gang stonden; een geraas volgde,
alsof er iets dreigde om te vallen en plotseling greep hij haar om
het middel en rukte haar terug in de kamer; op 't zelfde oogenblik
viel er een zwaar stuk metaal--naar binnen op den drempel.
"Pardon," zeide hij kalm en zette het zware ding weer overeind tegen
den muur; "'t Is eigenlijk te dwaas, dat die dingen hier staan;
wees u nu voorzichtig, Mevrouw, en loop nu vlak langs deze muur."
"Maar lieve hemel!" riep Mevrouw Wenche nog heelemaal verschrikt en vol
respect voor zijn kalmte: "ik had hier wel dood kunnen blijven!--het
is hier een gevaarlijk huis!"
"En dit was een hoogst ongelukkig bezoek," voegde hij er bij met een
buiging, toen zij de huisdeur uitging.
"Nu? hoe zal het gaan?" vroeg ze zonder om te zien. "Gaat nu meê naar
de stad of niet?"
"Maar u zei immers zelf......"
"Ja, maar daarna hebt u mijn leven gered," antwoordde ze lachend:
"en dan ook: natuurlijk geen woord meer daarover!"
Hij beloofde alles en liep vlug weg om zijn hoed te halen.
Hij hield zijn woord--tot haar groote verwondering. Hij sprak vroolijk
en natuurlijk zonder ook maar op eenige manier ergens den nadruk op
te leggen; zelfs in zijn oogen was niets, dat pijnlijk voor haar zou
kunnen zijn, toen zij afscheid namen.
Mevrouw Wenche was heel tevreden over zich zelf. Nu had ze hem eens
voor al op zijn plaats gezet. En ze was ook over hem tevreden.
Hij had begrepen, dat dit niets baatte. En zoo wilde ze hem houden,
rustig, op die vrije, prettige manier, zonder dien voortdurenden angst,
dat hij te ver zou gaan.
Ze kwam bizonder opgewekt thuis. In lang had ze zich niet zoo blij
en jong en licht van binnen gevoeld;--haar geweten was ook verlicht,
omdat ze hem de waarheid had gezegd: die zaak was nu in orde.
Ze ging voor de piano zitten, terwijl ze op den professor en Abraham
wachtte; maar ze stond weer op en maakte haar haren wat in orde voor
den spiegel--al neuriënde.
--Intusschen had Abraham wat gedrongen gezeten tusschen zijn kamaraden,
en de professor naast den burgemeester. De groote feestzaal van de
school was propvol kinderen en volwassenen. Er was een onverdragelijke
warmte, vol gemengde geuren.
De onvermoeide rector stond op den katheder en deelde de rapporten uit,
alle jongens oproepende in de volgorde, waarin zij nu geplaatst waren.
Eerst kwamen er een paar voorloopige woorden over hen, die naar de
universiteit zouden gaan; daarop volgde de hoogste afdeeling van de
vierde klasse en dan de laagste--zij, die uit de derde klasse waren
overgegaan in de vierde.
"Hans Egede Broch!" riep de rector; dat was No. 1; maar de volgende
was Abraham Knorr Lövdahl! [13]
Abraham sprong op; hij had zelfs niet durven denken No. 2 te worden,
ofschoon zijn examen goed geweest was. 't Duurde een poosje voor hij
uit de bank komen kon. De professor volgde hem met de oogen om hem
toe te knikken, maar Abraham keek niet op.
De rector gaf hem het rapport met de woorden:
"Je bent vlijtig geweest, Abraham! en daarom is ook je examen zoo goed
gegaan. We hopen, dat wij,--je leeraren--ook in andere opzichten over
je tevreden zullen zijn in 't volgend jaar,--tevredener dan vroeger."
Al Abrahams vreugde was voorbij! hij ging onzeker en onhandig naar zijn
plaats terug; en 't was hem, alsof 't heel koud en doodstil in de zaal
werd door al die koude oogen, die op zijn zondig hoofd waren gericht.
Professor Lövdahl kuchte wat scherp; nu was het wel genoeg; het stond
hem niet aan, dat zijn zoon zoo openlijk gesignaleerd werd.
Het opnoemen van de nummers ging voort. Vaders en moeders luisterden
gespannen tot hij kwam--de naam, waar zij op wachtten. Dan
kwam er een oogenblik leven op hun gezicht, als hun lieve zoon
voor den katheder stond, maar daarna zonken allen weer weg in hun
onverschilligheid--warm,--onaangenaam te moede;--was 't nu maar klaar,
zoodat de rector zijn toespraak kon houden!
Maar voor de kleinen was dat opnoemen van nummers heel wat
anders. Eergierigheid, ijdelheid, teleurstelling en wanhoop tot
gevoelloosheid toe; wangunst en haat, hoogmoed en vreugd over 't leed
van anderen--tot wraakzucht toe, dat alles ging door de rijen dicht
opeengepakte hoofden. 't Was een heele oefening om zich in 't leven
vooruit te dringen, boven elkaar te komen, al was 't maar één nummer;
gelijkheid en kameraadschap moesten vergeten worden, om hen er aan te
wennen zich met anderen in strijd te voelen om rang en roem; ze leerden
benijden wie boven hen stonden, en verachten wie beneden hen waren.
En terwijl er 't heele jaar door niets gezegd of gedaan was om het
moeilijke verwerven van kennis tot een gemeenschappelijken arbeid in
broederschap en vreugd te maken, zoo werd ook nu aan het slot geen
woord gesproken over kennis, die gelijkheid en broederzin brengt; maar
die kennis zelf werd zorgvuldig gebruikt om hen allen te nummeren,
te rangschikken--naar boven en naar beneden.
Eindelijk waren de 319 rapporten voorgelezen en uitgedeeld. De rector
veegde zijn kaal voorhoofd af en beloonde zich zelf met een half
lood snuif in ieder neusgat. Daarop begon hij zijn lange toespraak
met afscheid te nemen van hen, die de school hadden afgeloopen: vier
lange, bleeke jongelingen in vier lange jassen, die er uitzagen,
alsof ze in een stijve zwarte stof waren uitgehouwen.
Als het waar is, dat men den boom kent aan zijn vruchten, kon het
wat vreemd schijnen, dat dit groote geleerde toestel met die vele en
overvolle klassen niet meer dan deze vier specimina aan de eerwaarde
Universiteit afleverde; maar de reis naar den Parnassus is lang en
moeilijk. Onderweg vallen er zoo velen af; maar daarom zijn 't ook
de buitengewoon krachtigen, die het doel bereiken.
De rector hoopte, dat deze vier specimina de school eer zouden
aandoen, maar vóór alles wilde hij hun smeeken den kinderzin en het
kinderlijk geloof te bewaren, die zij van de school meêbrachten. Dan
ontwikkelde hij het begrip "school" en koos daarvoor als uitgangspunt
de oorspronkelijke beteekenis van het woord. "Een school," zei hij,
"werd de naam van de veilige plaats, waar de jeugd,--nog niet bereikt
door de zorgen des levens..."
"Een verduiveld veilige plaats, zeg" mompelde Morten Kruse, en stootte
Abraham aan,--maar deze verroerde zich niet en vertrok geen spier;
hij was zoo bang, dat iemand zou denken, dat hij niet stil zat. Nu
dacht Abraham er 't meeste aan, dat hij No. 2 was. Zoo hoog had hij
nog nooit gezeten; en intusschen ging de rector voort te verklaren
hoe de school een voorbereiding voor het leven, en vooral een vorming
tot zedelijkheid was.
"Deze uitdrukking," ging hij voort, "die zoo als bij onze oude
leermeesters--de Grieken en de Romeinen, het hoogste en edelste uit de
beschaving beteekent, is maar een zwakke aanduiding voor het einddoel
van de beschaving, dat wij voor oogen moeten hebben. Want over ons
straalt de zon der openbaring; wij onderscheiden niet alleen door de
nevelen van dit aardsche bestaan een hooger leven aan gene zijde van
het aardsche; maar voor ons is een uitzicht geopend, licht en vrij
en heerlijk! op een hemelsch Vaderland. Dus niet alleen tot burgers,
niet alleen tot menschen, maar voor en boven alles tot christenen
moeten onze jongelieden gevormd worden. Het licht van den godsdienst
moet de wetenschap bestralen, haar waarheden zullen allen in dat
licht hun uitgang, hun beteekenis en hun einddoel vinden."
De kleinen sliepen in door de warmte en door die lange toespraak,
die even vervelend was als een preek. De zomerzon scheen dwars door
de dunne, blauwe gordijnen, zoodat een bleek lijkachtig licht over de
zwarte groep leeraren viel, die links van den katheder bijeen stonden.
Het stekelvarken stond overeind te slapen. 't Was een overlevering op
school, dat hij dat kon; de onderdirecteur Abel keek door zijn lorgnet
naar de dames; de adjunct Borring had zich in een hoek teruggetrokken
en nam stilletjes de kans waar een veeren pen te snijden; maar de
blinde darm stond in gedachten de vreeselijkste gezichten te trekken,
wat zijn lieve discipelen ten zeerste vermaakte.
Maar allen zagen er uit, alsof het geheel hen innig verveelde en zij
naar het eind van die comedie verlangden.
"En gij, mijn geliefde medearbeiders!" zei de rector met bewogen stem,
"gij, die u aan de moeilijke, maar schoone roeping gewijd hebt, de
jeugd in kennis en zedelijkheid in dezelfden christelijken geest te
leiden, moge de Almachtige u steeds kracht verleenen om met dezelfde
toewijding, met denzelfden ernst, met dezelfde liefde aan uw levenstaak
vol verantwoording te arbeiden. Ontvangt mijn dank en die van de school
voor het afgeloopen jaar; en geve God, dat wij hier weer gezond en
frisch mogen bijeenkomen om weer in Jezus' naam ons werk ter hand
te nemen."
Daarop wendde hij zich tot de kleinen en smeekte hen zoo vurig zich
toe te leggen op alle christelijke deugden en te arbeiden in dienst
van het goede, zooals het kinderen des lichts betaamt.
Hier begonnen vooral de moeders te schreien en de goede rector sprak
voort over het kind, over 't kinderhart en het kinderlijk geloof. Na
een warm nagebed stond de geheele school op en zong:
"Zie op ons werk met Vaderoogen
Gij die het Al geschapen hebt,"
waarop de rector nog een "Onze Vader" bad en toen was het feest
eindelijk voorbij.
't Gedrang was groot bij het uitgaan; want niets of niemand kon de
jongens terughouden.
Hoewel de regel was, dat de leerlingen wachten moesten, tot de dames
en de toehoorders de zaal verlaten hadden en eerst dan in goede orde
heengaan, klasse voor klasse, liepen toch steeds meer van hun plaats,
drongen tusschen de dames door en verdwenen.
Warm en met beschreide gezichten stroomden de moeders eindelijk naar
buiten--er waren maar heel weinig vaders; het deed haar zoo goed de
jeugd zoo bijeen te zien, en hoe heerlijk en ernstig had de rector
gesproken.
Hij had trouwens die toespeling aan het slot wel achterwege kunnen
laten, die opmerking, dat er vrij wat onverschilligheid onder de ouders
heerschte voor het werk van de school. Dat was tenminste iets, dat niet
op een van hen van toepassing was; dat had hij liever aan de ouders
moeten zeggen, die niet gekomen waren, ... b.v. aan Mevrouw Lövdahl!
Dat was toch al te erg, en dat nog wel terwijl haar man Ephor was! Maar
zij kwam nooit, waar men Gods woord hooren kon.
Kinderen en volwassenen stroomden naar de schoolplaats; zoete jongens
liepen netjes naast hun ouders met het rapport opgevouwen in de hand,
anderen gingen achter het gebouw en scheurden het hunne in stukken
en vertrapten het; anderen stoven weg met Indianengeschreeuw en
vroolijke sprongen; maar de vier stijve, zwarte jassen wandelden
achter de leeraren aan om een glaasje wijn in de huiskamer van den
rector te drinken.
Abraham ging naar huis met zijn vader.
Professor Lövdahl was bewogen. Terwijl ze naast elkaar liepen;
zei hij tot hem: "Je bent flink geweest Abraham! En ik zie daarin,
dat je je best doet weer in orde te maken, wat je verkeerd gedaan
hebt. En nu spreken we daar niet meer over. Ik zal er ook met den
rector een woordje over spreken, dat hij die zaak niet meer aanroert."