ZEVENDE HOOFDSTUK.

Het groote feit van den dag in de stad was, dat Professor Lövdahl

tien aandeelen in de fabriek genomen had, en het ging zooals

Jörgen Kruse voorspeld had. Allen tegelijk wilden op de lijst in de

Handelsvereeniging teekenen; ja, er ging een paar dagen als 't ware

een zweem van speculatiekoorts door 't anders zoo doode en trage

handelsleven.

Na veertien dagen telegrafeerde Michal Mordtmann aan zijn vader,

dat er voor 96,000 rijksdaalders aan aandeelen genomen was.

De jonge Mordtmann straalde van geluk,--hij was blij met het

vooruitzicht aan 't hoofd te komen van zoo'n prachtige zaak en er

niet weinig trotsch op, dat hij zoo fijn gespeeld had.

De booze gezichten van de Latijn-aanbidders raakten zijn koude kleeren

niet; 't was de handelswereld, de wereld van de burgerschool, die

hij moest veroveren en dat had hij gedaan.

Hij kreeg ook een erkentelijk schrijven van de firma Isac Mordtmann

en Co., en andere instructie betreffende de directie, die gekozen

moest worden; Professor Lövdahl moest er absoluut in komen.

Michal Mordtmann bracht dit den volgenden Zondag ter sprake bij

Professor Lövdahl aan huis,--hij kwam daar geregeld elken Zondag eten;

't was er nu wel wat somber aan huis na die quaestie met Abraham,

die voortdurend door zijn vader's koelheid in de pijnlijkste spanning

gehouden werd.

De professor sloeg eerst het eervolle aanbod van een plaats in de

directie af. Hij had geen tijd door zijn praktijk en hij was ook

niet geschikt voor zooiets. Hij hield zich immers juist uit principe

buiten zaken.

Eigenlijk was het maar om den naam te doen, meende Mordtmann, van

eigenlijk werk was geen sprake. De chef van de bank: Christensen,

zou administreerend directeur worden; 't was er maar om te doen,

den naam van Professor Lövdahl in de directie te hebben.

"Kunt u mij niet helpen, Mevrouw, om uw man over te halen?"

"Neen, mijn man gaat zijn eigen weg in al zulke dingen," antwoordde

Mevrouw Wenche zonder op te zien.

"Als je 't graag hebt, lieve! dan wil ik graag in de directie komen,"

zei de professor vriendelijk.

"Ik 't graag hebben? maar wie zegt dat? hoe kom je er bij?" zei

Mevrouw Lövdahl zenuwachtig.

"Nu, nu! je interesseert je toch warm voor de fabriek van Mijnheer

Mordtmann; en ik wil onzen jongen vriend ook graag een dienst

bewijzen. Dus ik ben bereid om in 't bestuur te komen, Mijnheer

Mordtmann."

"Hartelijk dank!" antwoordde deze, en in zijn blijdschap lette

hij niet op de uitdrukking op 't gezicht van de vrouw des huizes;

hij hief zijn glas op: "Ja, dan is dus alles in orde; nu beloof ik,

dat het niet lang zal duren of de fabriek staat er."

Mevrouw Wenche was niet op haar gemak. De vertrouwelijkheid, die zoo

snel was ontstaan tusschen haar en Mordtmann begon haar te hinderen;

zij zag heel goed, dat haar man op elk woord en elken blik lette en

ze wist, dat hij dacht, dat zij in die zaak met de fabriek met den

jongen man had samengewerkt.

En dat ergerde haar, want het was immers niet waar. Maar ze voelde,

dat, als zij zich probeerde te verdedigen, haar eerlijkheid te kort

zou schieten tegenover het wantrouwen van haar man en dat de verwarring

daardoor maar grooter zou worden.

Daar kwam bij, dat zij in deze dagen voor 't eerst gevoeld had,

waar ze zoo dikwijls grooten angst voor had gehad; dat haar zoon

van haar vervreemden kon of ten minste, dat er iets tusschen hen zou

kunnen komen en de onbegrensde vertrouwelijkheid zou kunnen breken,

waarin ze tot nu toe geleefd hadden.

Toen ze eindelijk de heele historie van Marius en Aalbom van Abraham

zelf hoorde,--hij vertelde 't met neergeslagen oogen en was nog

heelemaal onder den indruk van wat hij gehoord had,--toen nam de

moeder hem in haar armen en riep: "Neen maar... lieve Hemel!--hebben

ze daarom op je geknord? moest je dan blijven zitten en 't aanzien

hoe je beste vriend gepijnigd werd?--'t was flink van je, Abraham!"

Maar hij zag schuw naar haar op en voor 't eerst voelde zij tot haar

smart, dat hij haar niet ten volle vertrouwde.

Op 't zelfde oogenblik kwam ook de gedachte bij haar op, dat 't wel

eigenaardig was haar man ronduit tegen te werken,--den zoon te leiden

vierkant tegen den vader in; hem te prijzen voor iets wat ze wist,

dat haar man verschrikt en bedroefd had.

Mevrouw Wenche had er vaak over gedacht, dat de tijd komen zou, dat

de zoon de groote klove in 't oog zou krijgen, die er in de ernstigste

zaken tusschen zijn vader en zijn moeder was.

Maar ze had aan de groote godsdienstige quaesties gedacht en daar was

ze op voorbereid. Zij had zich voorgenomen als Abraham zoo oud werd,

dat hij verlangde daarover ingelicht te worden, hem open en eerlijk te

zeggen, dat ze volstrekt niet aan alles geloofde waar andere menschen

aan gelooven.

Dat was al begonnen, en ze had verscheiden keeren met hem over zulke

onderwerpen gesproken. Moeilijk was het; maar ze hoopte toch altijd,

dat ze door groote eerlijkheid van haar kant hem duidelijk zou kunnen

maken, dat hij in alles volkomen op haar vertrouwen kon, al geloofde

ze nu ook niet precies als andere menschen. 't Kwam haar voor, dat

het niet goed was hem op allerlei huichelarij te wijzen, die ze om

zich heen zag en waar ze in leven moest. De professor nam Abraham

mee naar de kerk, sprak nu en dan eens van "Onzen lieven Heer," en

zooiets; maar ze wist immers vast en zeker, dat er geen spoor van

echt christendom in hem te vinden was.

Dat kon ze haar zoon immers niet uitleggen, en dat was en bleef

een groote moeilijkheid, wat het godsdienstige betreft. Wel scheen

Abraham ook niets anders voor godsdienst te gevoelen, dan dat hij er

als voor elk ander schoolvak, goed voor werken moest, en dat bij het

kerkgaan een bepaald soort van gezicht en een bepaalde manier van

spreken hoorde.

Maar alleen dit b.v. dat ze hooren kon, als hij vroeg: "Waarom gaat

u nooit naar de kerk, Moeder?"--dat die vraag niet uit hem zelf kwam;

ze voelde dat anderen--wie, wist ze niet--hem op zulke dingen in haar

opmerkzaam maakten.

En toch had ze altijd de hoop behouden dat het wel gaan zou. Ja 't

kwam haar soms voor, dat het wel goed voor Abraham wezen zou, als hij

den onvermijdelijken tijd van twijfel doormaken moest, zijn moeder

onder de menschen te weten, die niet geloofden;--dat moest--meende

zij--hem aansporen tot een ernstige keus en hem er voor bewaren,

laf weg te kruipen onder de groote menigte huichelaars.

Maar nu,--die schoolquaestie, zoo klein in verhouding tot gewichtiger

dingen, maar zoo veelbeteekenend, omdat die zoo scherp de klove deed

uitkomen tusschen de twee, die samen dien éénen zoon bezaten,--hoe

moest ze die oplossen? In haar hart vond ze, dat 't flink geweest

was van Abraham, en dat ze daarom nog meer van hem hield; maar ze kon

toch niet vierkant tegen zijn vader en de heele school in hem prijzen,

omdat hij Aalbom voor een duivel had uitgescholden. Als 't maar niet

eerst zoo ernstig was opgenomen, was ze er misschien gemakkelijker

mee klaar gekomen door hem eens aan zijn haar te trekken en hem tot

wat meer bezonnenheid te vermanen.

Maar zooals 't nu geloopen was, was 't een ernstige quaestie geworden

en ze kon er geen oplossing voor vinden.

Intusschen stond Abraham voor haar en begreep, dat zijn moeder in

gedachten verdiept geraakt was; en toen ze eindelijk--zelf niet wetend

wat ze doen moest, weer tot zich zelf kwam, en den jongen even angstig

en onzeker voor zich zag staan,--toen wist ze niet beter te doen dan

haar armen om hem heen te slaan en hem heen en weer te wiegen, zooals

ze placht te doen en hem toe te fluisteren. "Och jij arme kleine Abby,

wat moet er van je worden."

Hierdoor nog meer verward, bleef Abraham in één spanning. Op school

werd hij behandeld als een gevaarlijk misdadiger, dien men toch door

een zachte behandeling wilde probeeren te redden. Zelfs Aalbom was

zoo vriendelijk dat Abraham er van rilde.

Eerst prezen zijn kamaraden hem en voorspelden hem de vreeselijkste

straffen. Maar toen alles in stilte afliep en de leeraren even

vriendelijk tegen hem bleven, kwamen zij tot de conclusie, dat je

gemakkelijk moedig wezen kon, als je de zoon van Prof. Lövdahl was.

Had hij maar straf gekregen--dacht Abraham zelf; maar die gedempte,

plechtige ernst, die wonderlijke vriendelijkheid van alle kanten,

brachten hem ten laatste op 't idee, dat hij toch zeker tot het

uitvaagsel behoorde, en dat men er over dacht hem naar de een of andere

inrichting te zenden. Hij werd bang en schuw en zocht de eenzaamheid.

Zijn beste vriend--kleine Marius--was trouwens ook ziek; hij had

hersenontsteking. De goede rector bezocht hem bijna dagelijks en was

innig bezorgd over zijn kleinen Professor.

Maar iederen keer als onder de les zijn oogen op Abraham Lövdahl

rustten, stond dat tooneel weer zoo levendig voor hem: Abrahams

grenzelooze brutaliteit was zóó nauw aan die ongelukkige ziekte van

kleine Marius verbonden, dat het eindelijk op hem den indruk maakte,

alsof dat alles de schuld van Abraham Lövdahl was. Hij sprak bijna

nooit met hem.

De professor lette in stilte nauwkeurig op zijn zoon en overtuigde

er zich van dat de behandeling, die hij in overleg met de school

gekozen had, ook goed werkte. Dikwijls als Abraham bleek en schuw

voorbij hem 't huis in sloop had hij zoo'n innig medelijden met hem;

maar hij bedwong zich een langen tijd, tot hij vond dat het genoeg was.

Toen zei hij eindelijk: "Wij hebben nu de zaak overwogen; wij--je

ouders en de school; en we zijn tot het besluit gekomen, dat we zullen

probeeren je hier te houden en misschien nog eens een goed en bruikbaar

mensch van je te maken."

Abraham wierp zich in de armen van zijn vader en schreide luid. Ze

hadden hem eindelijk buiten zich zelf van angst gemaakt. Hij had

gedacht, dat hij zou worden weggezonden naar vreemden, hij had gedacht,

ja, wat voor vreeselijke dingen had hij al niet gedacht in die uren,

als hij wakker in bed lag. En nu,--nu hij blijven mocht--vond hij,

dat zijn vader overstelpend genadig en zacht was.

De professor liet hem den tijd dien indruk goed in zich op te nemen,

en zei toen: "Ja, laat ons hopen, met de hulp van onzen lieven Heer,

dat je ons niet weer zulk een groot verdriet doet."

Neen, dat zou Abraham zeker niet! hij voelde zich zóó gebroken, zoo

verbrijzeld en zoo dankbaar voor de vergiffenis; er zou zeker nooit

meer een sprank van verzet in hem opkomen.

--Maar in de kleine kamers van 't huis van Mevrouw Gottwald was het

stil en treurig; de bel was omwikkeld en ze had een juffrouw genomen

voor hulp in den winkel.

Want kleine Marius werd erger. Dokter Bentzen had aan professor

Lövdahl gezegd, dat men maar hopen moest, dat de jongen sterven zou:

hij zou nooit zijn volle verstand terugkrijgen.

Dat wist Mevrouw Gottwald niet. En nacht en dag herhaalde ze in zich

zelf: "Hij mag niet sterven, hij mag niet sterven!" 't Was immers

onmogelijk, ondenkbaar, dat het eenigste, wat ze had, haar zou worden

ontscheurd! Ze had al zóóveel geleden.

Kleine Marius lag rattenknoopen in zijn laken te leggen, met een

heet hoofd en half gesloten oogen. Hij mompelde bijna onafgebroken

verbuigingen en vervoegingen, en regels en uitzondering,--zijn arme

hersens waren heelemaal omsluierd door Madvigs wijden plooienmantel,

en hij tastte angstig rond in het duister.

't Waren mooie, lichte lentedagen; juist weer om te hopen. En Mevrouw

Gottwald liep heen en weer en wilde aldoor een teeken van beterschap

zien.

Maar op een avond werd het haar duidelijk, dat het eind naderde. Kleine

Marius werd onrustig en mompelde al sneller en sneller.

"Lieve Marius,--lieve kleine Marius! Je mag niet sterven en je moeder

alleen laten; je mag niet, want je weet niet half, wat je voor je

moeder bent, toe zeg me, dat je niet van me weggaat, zeg me dat!"

"Monebor

Moneberis

Monebitur

Monebimur

Monebimini

Monebuntur" antwoordde kleine Marius.

"Ja, je bent een flinke jongen! Je bent de knapste van de heele klasse

in 't Latijn, dat zei de rector vandaag weer, toen hij hier was. Maar

je kende hem niet. Maar mij ken je wel, niet waar, lieve Marius? Je

kent Moeder wel, is 't niet? Je kent me wel?"

"Ad, adversus, ante, apud, circa, circiter," begon kleine Marius.

"Neen, neen lieve jongen! geen Latijn, dan ben je lief. Ik weet wel

hoe knap je bent en ik ben zoo dom, weet je? Maar zeg me alleen maar,

dat je me kent, dat je van me houdt, dat je niet van me zult weggaan,

dat ik je lieve moeder ben. Zeg dat alleen maar. Zeg maar: Moeder."

"--fallo, fefelli, falsum," antwoordde kleine Marius.

"O God! mijn God, die vreeselijke taal! Wat hebben ze toch met mijn

armen jongen gedaan--hij zal nog sterven zonder zijn moeders naam

genoemd te hebben. Zijn ellendige, ijdele moeder, die hem vermoord

heeft met die vervloekte geleerdheid!"

Ze vloog de gang in; ze hoopte daar den dokter te vinden, maar 't

was maar een van de pensionnaires van boven, die thuiskwam.

Ze ging weer terug in de slaapkamer, maar in de deur sloeg ze de

handen in elkaar en riep vol vreugd:

"O Goddank! nu ben je zeker veel beter, lieve Marius! Je lacht zoo

tevreden!"

"Mensa rotunda," antwoordde kleine Marius--en stierf.

Vergif: Een Roman uit het Noorsch · 第 13 / 24 题