Er was allang sprake geweest van een fabriek, die in de buurt van de
stad zou gebouwd worden. Het heette, dat het een filiaal zou zijn van
een groote Engelsche zaak in kunstmeststoffen. Maar de ondernemers
wilden er ook graag kapitaal uit de stad in hebben en daar men in de
stad niet veel verstand van zulke zaken had, kwam er een deskundige,
om met de menschen te spreken, te verklaren wat men kon verwachten,
dat er verdiend zou worden, een geschikt terrein te koopen, dat
al was uitgezocht en naar aanleiding daarvan waren er gasten bij
professor Lövdahl.
De deskundige in quaestie, die Michal Mordtmann heette, was als
de meeste vreemden aan Professor Lövdahl aanbevolen. Trouwens,
de professor kende hem nog wel van de universiteit. Mordtmann was
indertijd begonnen in de medicijnen te studeeren. Maar toevallig
was hij in Engeland gekomen, waar hij door connecties van zijn vader
kennis maakte met een familie, die scheikundige fabrieken had.
Geheel onverwacht kreeg hij een aanbod van een mooie betrekking daar;
de lust bekroop hem eens te probeeren verscheiden jaren in Engeland
te blijven. Maar langzamerhand kwam hij tot de ontdekking, dat deze
verandering in zijn levensrichting niet zoo toevallig was als hij
zelf wel meende.
Zijn vader--Isac Mordtmann en Co., in Bergen, dreef een groote zaak
en had een goeden omzet; maar wat hij aan vast vermogen bezat wist
niemand.
't Was een ondernemend, levendig handelsman, die er heelemaal niet
blij om was, dat zijn eenige zoon absoluut dokter wilde worden. Maar
Isac Mordtmann en Co. had geleerd geduld te oefenen en het geschikte
oogenblik aan te grijpen. Zoo liet hij zeer in der minne zijn zoon doen
wat hij wilde, tot hij zelf die reis naar Engeland in orde gemaakt
had. 't Aanbod van de betrekking aan de Engelsche fabriek kwam ook
door hem, en nu had hij het in zoo verre gewonnen, dat de zoon een
practisch scheikundige geworden was en niet een arme dorpsdokter,
Joost weet waar, ergens op de rotsen.
De bedoeling was nu, dat Michal de nieuwe fabriek zou aanleggen en
besturen. Maar Isac Mordtmann en Co. hadden geen groot kapitaal om
er in te plaatsen; de Engelsche firma, die in het prospectus als de
"Moeder-zaak" werd voorgesteld, nam een voorzichtige houding aan;
dus moest het grootste gedeelte van het kapitaal in de stad zelf
opgenomen worden, waar het bizonder gunstig gelegen terrein gevonden
was en al half en half gekocht.
Dit was dus de taak van Michal Mordtmann en hij toonde al dadelijk,
dat hij er voor bekwaam was. Hij had het stijve Engelsche over zich,
dat hem iets solieds, iets betrouwbaars gaf, en maakt, dat velen lust
kregen hun geld in deze onderneming te steken, hoewel ze er geen zier
van begrepen.
Professor Lövdahl was zeer voorzichtig met zijn geld. Hij kocht liefst
buitenlandsche effecten en staatspapieren in Kopenhagen en Hamburg;
maar hij stak zoo min mogelijk van 't vermogen van zijn vrouw
in ondernemingen binnen de stad. Er waren te veel wederzijdsche
verplichtingen tusschen de kooplieden van leenen en helpen, en
onderteekeningen en borgstellingen, dan dat de professor zou wenschen
meê te doen in de handelswereld.
Daarom begeerde hij de hooge positie onder de groothandelaars niet,
die hij zonder twijfel zou hebben ingenomen, wanneer het groote
vermogen van zijn vrouw in de stad zelf geplaatst was.
Hij trok zijn rente en knipte in alle stilte zijn couponnetjes;
men wist zoo ongeveer wat hij van den ouden Abraham Knorr had geërfd
en dat hij zijn geld uit Bergen kreeg; maar velen peinsden er over,
wat hij er dan meê deed.
Daarom had ook Michal Mordtmann moeite met den professor. De
onderneming had immers een wetenschappelijk tintje, zooiets van
scheikunde en geneeskunde; er was ten minste niemand in de stad,
die iets van die analyses en al dat gepraat over fosforzuur begreep,
behalve professor Lövdahl. En zoolang hij zich achteraf hield, vlotte
het niet recht.
Intusschen kwam Mordtmann voortdurend als gast daar aan huis; en toen
hij een veertien dagen in de stad geweest was, gaf de professor een
groote partij voor hem.
Mevrouw Lövdahl was zeer teleurgesteld in Mordtmann. Hij was een jaar
of vier jonger dan zij; maar zij kon hem zich nog heel goed herinneren
uit Bergen, als een levendig jong mensch, een enthousiast taalman,
met toasten op de vrouw, het volk en al wat het volk betrof. Nu
kwam hij terug als een stijve Engelschman en praatte met vervelende
menschen over soda en beendermeel. Ze had bijna geen tien woorden
met hem gewisseld en Mevrouw Wenche vond, dat hij voor zijn ouderdom
buitengewoon vervelend was.
Eerst dien avond viel het haar op, dat hij met zijn Engelsche kleeding
en manieren goed uitkwam tusschen al die alledaagsche menschen,
die zij van buiten kende.
't Diner was niet geanimeerd geweest; er waren enkel heeren en
gedeeltelijk een soort van heeren, die anders niet bij de Lövdahls
aan huis kwamen, maar wier kennismaking voor den jongen Mordtmann
van belang kon wezen.
De professor was levendig en beminnelijk geweest, zooals altijd. Hij
dronk op den eeregast, wenschte hem allen mogelijken voorspoed met
zijn onderneming en de stad geluk met een zoo groot en zonder twijfel
voordeelig bedrijf.
Maar 't zat toch in de lucht, dat de professor zelf nog geen enkel
aandeel genomen had in deze ongetwijfeld voordeelige zaak, die hij
aanprees en waar hij op dronk.
Michal Mordtmann voelde dat ook. In zijn antwoord had hij geprobeerd
te schertsen over de langzaamheid en de overdreven voorzichtigheid
van de Westlanders; maar tegelijk was hij geëindigd met te zeggen,
dat als ze eens begonnen, dan ging het ook met stoom. Hij hoopte dan
nu ook maar, dat het in dit geval... enz.
't Was een toast, die uitstekend geweest zou zijn in Bergen;
mevrouw Wenche lachte ook een paar keer, maar zij stond bijna alleen:
deze vroegere schipper en oude haringkakers--gedeeltelijk Haugianen
[11]--waren in het geheel niet geschikt voor dit soort van humor en
zagen elkaar aan.
Michal Mordtmann kwam in een kregele stemming van tafel; hij voelde,
dat hij grond verloren had.
Als hij rondging bij deze menschen en onder vier oogen met hen sprak
in een donker kantoor, zoo groot als een kleerenkast, werd hij zelf
ernstig en sprak ook ernstig. Maar nu hij aan een feestelijken disch
aanzat en wijn dronk, was zijn licht Bergensch bloed in beweging
gekomen; hij improviseerde zijn amusante toespraak. Maar later begreep
hij, dat hij liever een droge en fosforzure speech had moeten houden,
zooals hij zich oorspronkelijk ook had voorgesteld.
't Huis, waarin Professor Lövdahl woonde, was heel groot en ouderwetsch
met een tuin aan den achterkant; hoewel het midden in de stad lag. Hij
had het gekocht van de gemeente, die vroeger het huis als feestlokaal
gebruikt had, of om er een koning of prins die door het land trok,
onder dak te brengen.
't Waren groote en hooge kamers, waar het ietwat ouderwetsche
ameublement, dat Mevrouw Wenche meêbracht, goed in paste.
Dien avond was de geheele woning in gebruik genomen--er waren een
vijftig heeren. Ze zaten tot in de wachtkamer van den professor. Hier
begon de tabak en die vulde langzamerhand de andere kamers, maar
bleef hangen bij de portière van 't boudoir van de huismoeder zelf,
die daar koffie zat te schenken.
Er waren verscheidene speeltafeltjes en bij de toddy, die al dadelijk
na het maal rondgediend werd, verzamelden zich groepjes, die de vracht
en den prijs van het zout bespraken of de hoofden bijeen staken over
de nieuwe fabriek.
Michal Mordtmann liep zich te ergeren; overal scheen hij te merken,
dat hij een bok geschoten had; en toen hij zich dat eenmaal in het
hoofd gezet had, werd het natuurlijk erger dan het was.
Maar het ging hem werkelijk zeer aan 't hart. Een paar dagen geleden
had hij nog aan zijn vader geschreven, dat hij alle hoop had. Zou
hij nu moeten bekennen, dat hij zich op een diner verpraat had en de
menschen afgeschrikt?
Gedurende zijn verblijf in Engeland was hij met hart en ziel
handelsman geworden. Hij lachte, als hij er aan dacht, dat hij eens
een enthousiast taalman was en dat het zijn ideaal geweest was in,
voor en met het volk te leven.
Het Engelsche welvaren met het voortdurend baden en wasschen en
het schitterend witte linnen hadden zijn smaak veranderd en hem van
het volk gescheiden. En wat er aan leven en geestdrift in zijn ziel
geweest was, had zich--als bij zijn vader--omgezet in een sterken
lust in speculeeren, in vooruit komen, in veel te besturen hebben.
En aan den anderen kant had de omstandigheid, dat hij reeds nu zoo'n
diepe verachting voelde voor datgene, waar hij toch tot zijn vijf en
twintigste jaar zoo meê gedweept had--hem een wantrouwen gegeven in
sterke hartstochten over 't algemeen; het had hem ook tegenover vrouwen
voorzichtig en koud gemaakt--wat hem zeer ten goede gekomen was.
Met zijn vader stond hij nu op een bizonder vertrouwelijken voet. Samen
hadden zij dit plan van de fabriek gemaakt: de zoon directeur, de
vader handelsdirecteur en behalve dat commissionnair agent, voor het
Engelsche huis; daar was allerlei kans op goede winst, en in geval
van tegenspoed was het bijna uitsluìtend aandeelhoudersgeld, dat er
bij inschieten zou.
Maar als dat geld nu niet kwam!
Michal Mordtmann wierp zijn sigaar weg, dronk een glas grog en ging
in de kamer van Mevrouw Lövdahl.
De koffie was rondgediend en 't dienstmeisje was aan het afnemen. Om
Mevrouw Wenche heen stonden eenige heeren, die niet rookten of
toevallig met haar waren blijven praten. 't Waren meest ambtenaars
en enkele van de huisvrienden, die zich in dit gemengd gezelschap
niet erg thuis voelden.
"Ik dank u voor uw toast, Mijnheer Mordtmann," riep Mevrouw Wenche
vriendelijk.
Hij boog stijf en zag haar wantrouwend aan.
In een hoek van de ruime zaal zocht hij een plaatsje achter een
étagère, waar hij in albums begon te bladeren, terwijl het gesprek
in den kring om de vrouw des huizes heen weer vlot werd.
"Ja, ik kan op dit punt niet toegeven, Mijnheer de rector," zei Mevrouw
Wenche; "u zegt, dat ik me maar kalm moet houden en hopen......"
"Neen, pardon Mevrouw! zóó zei ik het niet. Ik zei, als het onderwijs
en de geestelijke ontwikkeling van een kind is overgelaten aan mannen,
die kennis van zaken en ervaring vereenigen met een goeden wil, dan
moeten de ouders hopen en vertrouwen, dat hun kind met Gods hulp wel
bewaard is."
"Ja, maar wie staat mij in voor dien goeden wil en al dat andere?"
"De staat, het ministerie van onderwijs, een zorgvuldige
regeering. Gelooft u mij, Mevrouw, ons onderwijs kan zich meten
met dat van welk land ook in Europa en 't staat wat godsdienst en
zedelijkheid betreft boven dat van de meeste landen."
"Ja, maar als ik nu met mijn eigen oogen zie, dat het verkeerd gaat,
dwars en glad verkeerd! Wat moet ik dan doen?"
Zij lachten allen goedig om het geänimeerde vrouwtje. En zij lachte
meê, ofschoon het voor haar hooge ernst was.
"U is--hm... U is een heele strenge dame," zei de rector glimlachend,
terwijl hij zijn grooten neus met snuif vulde. "Hier zijn juist
verscheiden mannen van 't onderwijs. Wij moeten ons wel heel schuldig
gevoelen."
"O neemt me niet kwalijk, heeren! daar dacht ik niet aan. Dat weet
u toch allemaal wel, niet waar?" Zij zag met haar open glimlach
van den een naar den ander. "Dat is mijn ongelukkig Bergensch
temperament--zooals Carsten zegt. Als ik eenmaal een overtuiging heb,
moet ik die uitspreken, ronduit. En nu heb ik al lang een duister
gevoel gehad, dat het heelemaal mis is met ons schoolonderwijs."
Behalve de rector was de onderdirecteur Abels ook in de kamer;
(hij vond het bizonder aangenaam, dat de menschen zeiden, dat hij
Mevrouw Wenche het hof maakte;) ook was de directeur van de lagere
school Klausen er en later kwam ook Aalbom binnen.
"Zoudt u niet zoo vriendelijk willen zijn ons te zeggen wat er mis
is, Mevrouw?"
"Alles!--Alles. Van 't begin tot 't einde?"
"Meent u dat ook van de lagere school, Mevrouw?" vroeg meester Klausen.
"Die ken ik niet; maar ik ben er zeker van, dat als de school voor
de kinderen van de welgestelden zoo slecht is, die voor de kinderen
van de armen natuurlijk nog slechter moet zijn."
't Waren harde woorden, die Mevrouw Wenche dien avond sprak; harder
nog dan gewoonlijk. En de heeren zagen elkaar aan. Maar de goedige
en wat politieke glimlach van den rector zegevierde en beheerschte
eindelijk de stemming: op stuk van zaken was 't toch maar een dame!
"Ik geloof wel, dat ik ten minste één ding weet, dat Mevrouw wat
irriteert," begon de oude rector handig.
"En dat is?"
"Dat u met uw mooie, krachtige handjes niet kunt ingrijpen, dat u
niet eens redderen kunt onder de leeraren en den rector zelf niet
wat aan den band houden."
"Ja, juist," riep Mevrouw Wenche, "dàt is het! Ik zie wel, dat jelui
allen lachen; maar ik meen het in ernst; dat is het juist, dat ik
niets--niets meer voor mijn zoon kan doen, terwijl ik toch duidelijk
zie, dat hij bedorven wordt en zijn krachten verspild worden."
"Nu, nu, lieve Mevrouw. Zóó erg willen we hopen dat het niet is. Maar
hebt u wel gelijk als u zegt, dat u niets meer voor uw zoon kunt
doen, als u vindt, dat de school in een of ander opzicht verkeerd
doet? Iedere opmerking......"
"Ach, lieve Mijnheer de rector, hoe kunt u mij toch op dit punt
tegenspreken. U weet toch zelf wel, dat een kind op de openbare school
achter driedubbele muren zit, en wee den vader--en nog meer wee de
moeder, die de hand in dat wespennest steekt."
"Hm, ik kan u zeggen, Mevrouw Lövdahl," viel meester Klausen in,
"dat er bijna geen dag omgaat, dat ik niet vier of vijf oude wijfjes
op mijn dak krijg, die een mondje open komen doen over een of ander
wat met hun lieve bengels gebeurd is."
"Pardon, Mijnheer Klausen! die oude wijfjes--zooals u ze verkiest te
noemen--hebben met veel pijnen hun kinderen het leven gegeven--wat ik
nog nooit van een hoofd van een school gehoord heb; en al daarom alleen
hebben ze het recht naar hun beste weten het oog op haar bengels te
houden, (die voor haar even lief zijn als de onzen voor ons) wanneer
ze gedwongen zijn hen aan wildvreemde menschen over te geven."
"Ja, dat zou me een lieflijke optocht van moeders geven, als je al hun
praatjes aan wou hooren!--Dat zou 't hoofd van een school eenvoudig
't leven onmogelijk maken."
"Dat kan me heelemaal niet schelen," antwoordde Mevrouw Wenche
droog. "Moeders hebben het recht en den plicht hun kinderen op den voet
te volgen, zoover ze maar kunnen;--en God gave, dat ze 't allen deden,
al zouden dan ook ontelbare schoolmeesters sterven. Met uw welnemen,
Mijnheer Klausen."
"Neen maar... maar lieve, beste Mevrouw Wenche!" riep de rector en
stak smeekend de handen naar haar uit. "U kunt toch niet bedoelen,
dat vaders en moeders iederen keer bij troepen moesten komen aanzetten
als..."
"Neen, neen, beste vriend," viel Mevrouw Lövdahl hem lachend in de
rede en greep vriendschappelijk zijn hand; "ik bedoel alleen, dat
ik wou, dat er zooveel belangstelling voor de kinderen was onder ons
ouders. Dan zou de belangstelling, zoodra ze sterk en levendig genoeg
was, wel een of anderen vorm vinden om zich in te uiten, zoodat wij,
die toch zelf het onderwijs betalen, ook wat invloed en wat controle
zouden krijgen op wat daar achter die dikke schoolmuren gebeurt."
De zaakwaarnemer Kahr had vreedzaam in een hoekje gezeten onder den
invloed van het digestieproces na tafel; en de levendige discussie
tusschen zulke volkomen onjuridische personen amuseerde hem zeer.
Nu vond hij, dat er langzamerhand zóóveel menschen in de kamer van
Mevrouw Lövdahl bijeen gekomen waren, dat het tijd werd een beetje
logica en methode in het gesprek te brengen.
"Er was iets in het laatste wat Mevrouw zei, dat mij aanleiding
geeft tot een vraag," begon hij met humoristischen ernst op zijn rood
glimmend gezicht,--'t was immers maar een dame--; "zei u niet, geachte
Mevrouw, dat de belangstelling van de ouders voor hun kinderen een
uiting vinden moest door feitelijken invloed op het werken en het
wezen der school."
"Ja, juist."
"Een vertegenwoordiging--of zoo iets--van de belangstelling der
ouders."
"Ja, zoo iets wilde ik hebben."
"Maar...... ja, pardon, Mevrouw!" zei Mr. Kahr en deed alsof hij heel
verlegen was, "maar zooiets hebben we immers."
"Ja?--daar weet ik niets van," antwoordde Mevrouw Wenche en kreeg
een kleur; het gebeurde nu en dan in gesprekken als dit, dat zij haar
hoofd stootte aan dingen, waar ze 't bestaan niet van vermoedde.
"Dat verwondert mij, Mevrouw!--U schijnt u toch in dat soort van
zaken ingewerkt te hebben... of ten minste er zoo warm belang in te
stellen. Wij hebben immers juist een vorm gevonden voor de gedachte,
dat de ouders ook in de staats-scholen vertegenwoordigd moeten worden;
dat hebben wij immers: in 't Ephoraat, het Ephoraat van de school."
"Ephoraat?" vroeg Mevrouw Wenche onzeker.
Maar vóór Kahr of een van de anderen partij konden trekken van deze
overwinning, vroeg een droge, heldere stem:
"Pardon ... heeft ooit een van de heeren een levenden Ephor gezien?"
Aller oogen wendden zich naar Michal Mordtmann, die korrekt en innemend
bij de étagère stond; maar toen Mevrouw Wenche en hij elkaar aanzagen,
barstte zij uit in haar gewoon vroolijk lachen.
"Ik dank u, Mijnheer Mordtmann, dank u voor uw hulp!--Ja, nu vraag
ik ook: wat is een Ephor voor een ding?--wie zijn Ephoren hier aan
de school?"
"Maar Mevrouw," riep de rector heelemaal verbluft, "weet u werkelijk
niet, dat Professor Lövdahl een van de Ephoren aan de school is?"
"Carsten!--mijn man!--neen, dat is prachtig! Ach, Mijnheer Abel! Wilt
u mijn man even roepen? Ik moet hem toch eens zien als Ephor!"
De onderdirecteur vloog als een pijl uit den boog door de portière
en kwam met den professor terug, die kaarten in de hand had.
"Wat is er voor een grap, Wenche?" vroeg hij vroolijk.
"Een kostelijke grap!--Ze zeggen dat je een Ephor bent--Carsten!"
"Ja zeker ben ik een Ephor..."
"En dat jij de uiting bent van de belangstelling der ouders in de
schoolkinderen..."
"Ja zeker. Heb je me dan niet vooraan zien zitten op zoo'n stoel
met een hoogen rug naast den burgemeester op examenfeesten?" zei de
professor onvoorzichtig, "maar nu moet je me met rust laten; ik heb
de hand vol troeven."
De andere heeren dachten in stilte, dat, als Professor Lövdahl het
gesprek gevolgd had, hij zeker anders zou hebben geantwoord. Maar
Mevrouw Wenche was op eens ernstig geworden:
"Ja zie je, daar heb je 't weer! Als ik niet juist op 't goede
oogenblik dit groote woord in gelach gesmoord had, zooals het
verdient--dan zou ik me nu, zooals veel andere menschen verbeeld
hebben, dat ook op dit punt alles zoo goed en wijs is ingericht door de
autoriteiten, dat wij eenvoudigen en vrouwen maar te zwijgen hebben,
en alles zijn gang moeten laten gaan. Maar nu zal niemand--ik dank
u nog eens voor uwe hulp, Mijnheer Mordtmann--nu zal niemand me meer
overbluffen met groote woorden. Als Carsten Ephor is, dat weet ik wel,
dat het Ephoraat niets anders is dan een schakel in den ketting van
administratief gedoe, dat ons allen smoort en steeds dommer maakt."
"Zacht wat, zacht wat, lieve Mevrouw!" begon de rector weer. "Er moet
toch een bestuur zijn! wij kunnen toch niet allen regeeren."
"Dat verlang ik ook niet; maar in iedere zaak moeten zij besturen,
die feitelijk de verantwoordelijkheid hebben; en in de zaak:
kinderbehandeling hebben die menschen de verantwoordelijkheid, die
de vrijheid namen kinderen in 't leven te roepen. Maar in plaats van
een wezenlijk deelnemen aan den arbeid in de school in verhouding
tot die verantwoordelijkheid, hebben we de comedie van een Ephoraat,
dat bestaat in 't zitten op een stoel met een hoogen rug naast den
burgemeester. En dat past... ja, wat past dat niet prachtig in 't heele
gedoe van ons land. De verantwoordelijkheid wordt zóó van de een op de
ander geschoven tusschen groote woorden en prachtige titels, dat het
niet mogelijk is ze zelfs met kaarsen en lantarens weer te vinden. Maar
de onverantwoordelijkheid bouwt zich een veilige piramide, die in een
punt uitloopt; en die is zoo onverantwoordelijk, dat ze heilig wordt."
"Kalm wat, mijn beste Mevrouw," riep Mr. Kahr. Ze lachten nog!--'t Was
immers maar een dame. Maar zulke woorden moesten toch niet gesproken
worden in het huis van een man met zoo'n positie.
Daar dacht Mevrouw Wenche heelemaal niet aan; zij was gewend in haar
kamer vrijuit te spreken; en haar man had het niet verder gebracht,
dan zooveel hij kon te kalmeeren en te verzachten.
Michal Mordtmann had een poosje naar Mevrouw Lövdahl geluisterd
en langzamerhand kreeg hij een onbedwingbaren lust om meê te
doen. Wonderlijk gestemd en moedeloos als hij was, omdat de koopman in
hem een nederlaag geleden had, voelde hij behoefte den taalman los te
laten--den ouden vrijheidsman--en een oogenblik den Engelschen dwang
af te werpen; zijn zaak was toch hoogstwaarschijnlijk al bedorven.
Hij trad wat naderbij en zei met zijn mooie, zuivere manier van
spreken, en met een kalmte, die de anderen, en vooral Aalbom zeer
irriteerde.
"Ook mij is het steeds verkeerd voorgekomen, ja, eigenlijk schandelijk,
dat juist de school en alles wat daartoe behoort, als een gesloten
arena is ingericht, waar alleen de meest voortreffelijke geleerdheid
en kunde worden toegelaten; terwijl er voor de vaders en de moeders,
die toch het kostbaarste inzetten bij dit spel, niets meer dan een
bescheiden plaatsje onder de toeschouwers buiten wordt overgelaten,
vanwaar zij het philologische stof, dat in den strijd wordt opgejaagd,
mogen waarnemen."
"Bravo! Bravo!" riep Mevrouw Wenche verrukt en reikte hem haar beide
handen. "Wie zou dat van u gedacht hebben? Mijnheer Mordtmann! Ik
dacht eerlijk gezegd, dat... maar het doet er niet toe, wat ik dacht;
ik ben blij, dat ik me vergiste. Maar komt u nu hier; wij tweeën
moeten ons bij elkaar aansluiten. U ziet, dat de vijand ons aan alle
kanten omringt."
In werkelijkheid waren er veel heeren binnengekomen, zoodat er
niet alleen een groep om Mevrouw Wenche heen stond, maar 't werd
langzamerhand bijna vol in de kamer; en velen van de kleine kooplieden,
menschen, die niet gewend waren op groote partijen te komen, slopen
naar binnen en namen plaats langs de muren.
Het levendige gesprek interesseerde hen veel meer dan het kaartspel,
voor velen was het al een ergernis dat te moeten aanzien.
"Maar als u nu niet tevreden is met de manier, waarop nu het onderwijs
is ingericht,"--Mr. Kahr wendde zich uitsluitend tot Mevrouw Lövdahl,
zonder op Mordtmann te letten; maar zijn toon was toch iets meer
formeel dan vroeger; 't werd nu heel wat anders, nu een man--een aan de
universiteit gevormd man--meêging met zulke verreikende denkbeelden;
"als u zoo ontevreden is, Mevrouw, bijv. met dat ongelukkig Ephoraat,
wilt u ons dan niet eens de praktische manier uitleggen, waarop u
zich hadt voorgesteld de ouders aan het werk in de school te laten
deelnemen?"
"Ja zeker, met alle genoegen," antwoordde Mevrouw Wenche vrijmoedig;
"eerst zou ik willen, dat alle vaders en moeders van kinderen uit
dezelfde school een groote vergadering hielden om te bespreken wat..."
"Pardon Mevrouw, neemt u mij niet kwalijk, dat ik u in de rede val,"
zei Mordtmann onrustig, "maar nu u zelf zoo vriendelijk is een verbond
tusschen ons beiden voor te stellen, moet ik u als uw bondgenoot
ten sterkste afraden praktische voorstellen met betrekking tot de
hervorming te doen."
"En waarom mag Mevrouw dat niet, als ik vragen mag?" De jurist wendde
zich voor het eerst regelrecht tot Mordtmann.
"Omdat iemand, die een ingrijpende hervorming verlangt, er zich wel
voor moet wachten met praktische voorstellen aan te komen. Want onder
de groote menigte, die zich altijd tegen iedere hervorming verzet,
zal er altijd wel een of ander zijn, die zoo'n praktisch voorstel
verdraait, zoodat het belachelijk wordt, een karikatuur van wat er
bedoelt wordt, en dan meent men, bewezen te hebben, dat de tijd voor
de hervorming nog niet gekomen is."
"U zegt, men meent dat bewezen te hebben," riep de jurist uit de
hoogte, "maar ik ben ook zoo vrij te meenen, dat de ontijdigheid
van een hervorming voldoende bewezen is, als de practische
onuitvoerbaarheid in confesso is."
"Ja, natuurlijk! De theorie kan schoon zijn, watte? Maar houd u aan de
praktijk... aan de praktijk, jonge man!" Dat was de "blinde darm," die
eindelijk losbarstte; hij was als altijd razend van verontwaardiging,
als hij iets hoorde, dat op oppositie leek.
Michal Mordtmann keek naar het opgewonden gezicht van den leeraar
met zijn Engelsche kalmte en wendde zich daarna weer tot den jurist.
"Bij hervormingen van dien aard, waar hier over gesproken wordt,
is de praktische uitvoering een bijzaak en betrekkelijk van weinig
gewicht en wie zich daarmeê 't eerst bezig houdt, begint van achter
af en doet vergeefsch werk. Maar als u daarentegen de gedachte,
die aan de hervorming ten grondslag ligt, tot de publieke opinie
van uw tijd kunt maken,--als het in dit geval gelukt bij de ouders
die sterke belangstelling voor de school te wekken,--ja, dan zal die
belangstelling haar uitdrukking in de praktijk vinden,--gemakkelijk,
natuurlijk, als van zelf. Maar zoolang die belangstelling niet
opgewekt is, geeft het niets of men over de praktische moeielijkheden
disputeert; en zoodra die gewekt is, zijn er geen practische
moeielijkheden meer."
"Ach--dat is echt jeugd--watte?" schreeuwde de blinde darm; "alleen
maar alles afbreken en niets opbouwen--watte? Neen, daar doen ze
niet aan; want dat kunnen ze niet! dat moeten wij doen,--of de
toekomst! maar afbreken--ja, dat is makkelijk, watte?"
"Ja," antwoordde Michal Mordtmann, "flinkweg iets afbreken, b.v. de
jeugd, dat is zeker heel gemakkelijk. Maar zóó afbreken, dat er
werkelijk wat valt, dàt is, zoover ik weet, minstens even moeielijk als
opbouwen. Alles af te breken wat Mevrouw Lövdahl's schoolhervorming
in den weg staat--aan de eene kant luiheid en onverschilligheid en
aan den anderen kant hoogmoed en betweterij--zie, dat is zeker een
heel inspannend en moeilijk werk, en ik kan wel berekenen, dat u en
ik al lang ter ruste zullen gegaan zijn eer dat gebeurd is. Maar dat
is toch mijn overtuiging--en mijn hoop, dat dit afbrekingswerk gedaan
zal worden."
"Ja, afgebroken zal dat alles worden!" riep Mevrouw Wenche warm,
"er moet een tijd komen, dat allen 't inzien, hoe gewetenloos het is
't eene geslacht na het andere aan oude vooroordeelen en versteende
leerstellingen op te offeren."
"Hm," antwoordde Mr. Kahr, "wij hebben nu veel schoone en gevleugelde
woorden gehoord en het zal zeker wel niet baten een kleine, praktische
vraag te doen, te meer omdat het praktische juist niet aan de orde
schijnt te zijn..."
"Kom, niet zoo scherp, heer jurist! Kom u maar met uw praktische vraag;
als ik Mijnheer Mordtmann aan mijn kant heb, ben ik nergens bang voor."
"Nu dan, kort en goed. Waarom zendt u uw kind naar school! Wat wilt
u dat hij leeren zal?"
"Daar zal ik u met genoegen op antwoorden, en ik zal dat zoo bezadigd
doen, dat mijn kompagnon heel kalm blijven kan, want daar heb ik zelf
zoo dikwijls over gedacht. Als wij--vaders en moeders--die zelf gevoeld
hebben hoeveel er noodig is, hoeveel men weten moest, alleen maar om
eenigszins zijn tijd, zijn plaats in het leven te begrijpen,--als
wij onze kinderen naar school sturen, doen we dat natuurlijk omdat
we willen, dat zij op tijd die kundigheden zullen verwerven, die wij
nu door eigen dure ervaring weten, dat het leven eischt."
"En u vindt niet, dat de school in die richting werkt?"
"Neen, daar is 't ver--heel ver vandaan! Zie nu b.v. mijn Abraham
eens... Maar waar is de jongen toch?"
De professor, die juist was binnengekomen vertelde, dat hij Abraham
naar bed gezonden had; "Hij vroeg of je hem goeden nacht kwam zeggen."
"Ja, ik kom dadelijk. Arme jongen! Ik heb hem heelemaal vergeten!--Maar
wat ik zeggen wou: zie nu eens naar Abraham; hij is nu volle negen jaar
op die gezegende geleerde school geweest. In 't begin ging het goed;
maar in de laatste jaren wordt hij, voor zoover ik zien kan, steeds
dommer, steeds meer zonder belangstelling. Zoodra hij zijn mond open
doet, toont hij de grootste onwetendheid in de meest alledaagsche
dingen. En 't ergste van alles is, dat hij er bijna op neerziet,
als men iets verstandigs weet van de wereld zooals die is."
"Ja Mevrouw," sprak Mordtmann, "uw zoon leeft in de wetenschappelijke
wereld. Hij schrijdt voort naar den hoogen Parnassus der groote
geesten! Ik ken dat. Ik heb zelf den omweg over den Parnassus gemaakt."
"Wat meent u daarmeê,--watte?" vroeg Aalbom.
"O, dat kan ik u wel uitleggen! Ik ruik lont," zei Mr. Kahr. "De heer
Mordtmann hoort zeker tot de moderne tegenstanders van de klassieke
opvoeding. Ik wed, dat hij een hekel aan het Latijn heeft."
"Ja, dat heb ik zeker!"
Verscheidenen wilden tegelijk spreken, maar Professor Lövdahl behield
het woord:
"U zult toch niet willen ontkennen, dat de studie van die heerlijke
taal in buitengewoon hooge mate bij de jongelui het vermogen tot
streng en logisch denken ontwikkelt?"
"Ik heb maar één ding opgemerkt, Professor, wat 't Latijn bij ons
allen uitwerkt; en dat is, dat het ons buitengewoon pedant maakt."
"Sommigen onder ons, misschien," merkte de jurist op met een beetje
boosaardigheid. Maar Mevrouw Wenche lachte vergenoegd.
"Ja, u hebt gelijk. Al toen ik klein was ergerde 't me, als mijn groote
neven met Latijnsche zinnetjes aankwamen. Ik ben er van overtuigd,
dat er geen slot of zin aan was. En zelfs nu erger ik me, als de oude
heeren elkaar zoo beteekenisvol toelachen en met een paar Latijnsche
woorden aankomen."
"Neen, maar dat is toch een onschuldig genoegen, lieve Mevrouw!" riep
nu de oude rector. Hij had zich wat teruggetrokken. Het gesprek
werd hem te heftig. "Wij mogen toch wel plezier hebben in ons
gemeenschappelijk eigendom. Dat is een soort van vrijmetselarij."
"Ja juist," antwoordde Michal Mordtmann, die zich scheen te
hebben voorgenomen, tot het uiterste toe tegen te spreken; "dat is
karakteristiek voor de beschaving van den ouden tijd. Er was iets heel
pikants aan geleerdheid, n.l. dit: dat ze was beperkt tot een kleinen
kring;--dat het genot, het geluk geleerd te hebben, niet bestond in
iets te weten, maar in iets te weten, wat anderen niet wisten. Maar
nu zijn er gelukkig niet veel menschen, die hun kinderen naar school
zenden, om ze op die manier geleerd te maken."
In de pauze, die hierop volgde, stond Mevrouw Wenche op om haar zoon
goedennacht te gaan zeggen. Men moest ook aan tafel gaan: het was
laat geworden.
Onder de geleerden heerschte een niet geringe opgewondenheid; terwijl
daarentegen een paar oude kooplieden elkaar in stilte toeknikten.
"Ja, als U heengaat, Mevrouw," zei de jurist, die eindelijk ook
geanimeerd geworden was, "dan loopt dit interessante gesprek zeker
dood. Jammer, dat u zich niet hebt laten overhalen over de praktische
dingen te spreken: wat er geleerd moet worden, b.v. zoudt u mij niet
een paar vakken kunnen opnoemen?"
"Wel," antwoordde Mevrouw Wenche snel, "ze moesten natuurlijk historie
leeren, geneeskunde, rechtsgeleerdheid, sterrekunde..."
"Ik dacht, dat je geneeskunde noemde, Wenche?"
"Ja, natuurlijk. Kennis van hun eigen lichaam, van ziekten en
geneesmiddelen."
"Neen maar Wenche, hoe kun je je nu verbeelden......?"
"Maar zeg je niet telkens zelf, Carsten! wel honderdmaal in een jaar:
'Ja, had dat mensch in zijn jeugd op zijn oogen gepast, dan zou hij
nu niet als een half blinde stakker rondloopen.' Maar hoe zullen ze
leeren op hun oogen te passen, als ze daar niet anders van leeren dan:
'indien uw oog u ergert, ruk het uit,' of voor hun lichaam zorgen,
waar ze van leeren, dat het een ellendig en onwaardig omhulsel voor
de onsterfelijke ziel is."
"Maar rechtsgeleerdheid... watte? Jura! moeten de jongens ook dat
wettengedoe in de school leeren?" riep de blinde darm; zijn nijdigheid
steeg naarmate het gesprek werd voortgezet, zonder dat hij iets vond
om op aan te vallen.
"Ja, natuurlijk moeten ze op de hoogte zijn van de wetgeving in hun
land; hoe en door wie het recht en orde gehandhaafd worden. Maar
vraag b.v. mijn Abraham, die toch anders een knappe jongen is, wat
een arrondissements-rechtbank is. Hij heeft er geen flauw begrip van."
"Maar vraag hem naar curules, aediles, tribuni plebis en zulke dingen,
dan kent hij ze op zijn duim," zei Mordtmann.
"Ja, ziet u, zulke ouderwetsche onzin, daar heeft hij zijn hoofd vol
van, de stakker. Maar van zijn eigen vaderland, de staatsinrichting
daar, de strijd om de vrijheid..."
"Politiek! Politiek! Moeten de jongens ook al politiek leeren?" klonk
het van alle kanten en een nieuwe koortsachtige agitatie overviel
allen.
"Natuurlijk! Ja zeker, moeten ze politiek leeren," antwoordde Michal
Mordtmann onvervaard.
Er ontstond een sterke beweging en algemeene verontwaardiging; zelfs
Mevrouw Wenche keek bedenkelijk. Maar boven alles uit schreeuwde de
blinde darm in de hoogste discant:
"Neen, maar...! God beware ons! Watte? Zullen we nu ook nog de
scènes beleven, dat kleine jongens over politiek debatteeren, alsof
ze volwassenen waren."
"Vindt u ze zooveel beter, de scènes, die niet zoo zeldzaam zijn, dat
volwassenen over politiek debatteeren, alsof ze kleine jongens zijn?"
Mevrouw Wenche zag den jongen man aan en glimlachte; toen haastte
ze zich naar haar zoon. Maar de strijdlustige stemming verdeelde het
gezelschap en allen verspreidden zich door de verschillende kamers,
waar ze de vreedzame kaartspelers een doodschrik op het lijf joegen,
door in groepen midden op den vloer te gaan disputeeren, terwijl ze
in de hoeken hier en daar, twee aan twee elkaar bij de knoopsgaten
vasthielden als twee aan den gordel samengebonden worstelaars en als
hanen stonden te kraaien, met de neuzen vlak bij elkaar, met vuurroode
gezichten en het haar in vlokken bijeen.
Misschien was er wel niemand, die heelemaal meêging met de oproerige
ideeën van Mevrouw Wenche en dien vreemde; maar velen vonden toch,
dat er wel iets van aan was. En al de geleerden streden als razenden,
geheel niet gewend aan, en verbitterd over het feit, dat een uit hun
eigen leger zijn afvalligheid geopenbaard had voor de oogen van al
die haringschippers en kruideniers.
Aan het souper ging het voortdurend warm toe, en zelfs toen de gasten
het huis verlaten hadden hoorde men in de straten, door den stillen
nacht: "Hervorming--Latijn--Ephor--politiek--watte?"
Toen Michal Mordtmann zijn gastvrouw goedennacht zei, reikte ze hem
weer haar beide handen, terwijl ze hem hartelijk en vroolijk bedankte
voor zijn goede hulp. Hij antwoordde met een paar beleefde woorden,
maar zag haar tegelijk diep in de oogen. En zij, die in lang niet
zulk een blik ontmoet had, liet hem los en wendde zich tot de anderen.
Maar toen alle gasten weg waren, en haar man rustig was gaan zitten
om de couranten te lezen, zei Mevrouw Wenche:
"Neen maar, wat was ik verrast door den jongen Mordtmann. Ik had
er geen flauw vermoeden van, wat er in hem zat. We moeten hem toch
dikwijls vragen, dat is nu eindelijk eens iemand, daar ik meê praten
kan."
"Och, me dunkt waarachtig, dat jij met alle menschen wel praten kunt,"
antwoordde haar man knorrig; hij was er eindelijk achter gekomen,
welke weinig correcte dingen er in zijn huis gezegd waren.
"Nu, nu, Mijnheer de Ephor," zei Mevrouw Wenche, terwijl ze de
haarspelden uit haar dik haar nam; maar door 't noemen van het woord
"Ephor" moest ze weer lachen en lachend ging zij in haar slaapkamer.
Professor Lövdahl sprong op; maar ze was al weg; hij mompelde een
paar woorden, maar ging toen weer zitten.