Bij 't halfjaarsexamen kwam Abraham een paar nummers naar boven; maar
al 't Latijn van Marius kon niet beletten, dat de kleine professor
heelemaal naar beneden zakte, zelfs voorbij Morten, den achterblijver,
en de laatste van de klasse werd.
De leeraar in wiskunde zei dan ook, dat als hij niet in het volgend
halfjaar heel buitengewone vorderingen maakte, hij zeker zou blijven
zitten en niet in de vierde klasse komen.
Abraham was lang niet vlijtig; maar 't hielp dat hij zich had
voorgenomen Marius op sleeptouw te nemen; en doordat hij gemakkelijker
leerde, was het voor hem genoeg, dat hij de lessen éénmaal met Marius
doorwerkte. Marius daarentegen moest werken van dat hij uit school
kwam, tot hij naar Abraham ging en dikwijls ook nog daarna.
Hun klassieke opvoeding was nu zoover gekomen, dat ze negen uur
Latijn en vijf uur Grieksch in de week hadden. Ze hadden Faedrus en
Caesar verlaten om hun geest te verfrisschen met Cicero's rede over
den ouderdom. En nadat hun jonge tongen gebogen waren voor de tweede
klasse van de werkwoorden op mi volgens Curtius, schreden zij voort
met Xenophon, 5 kleine mijlen per week, het goddelijke Hellas binnen.
't Breidde zich uit, het bosch van de dokkebladeren in de jonge
hoofden. Langzamerhand werd het verschil uitgewischt tusschen
wat prettig was te leeren, en wat een plaag was. Alles werd bijna
even onverschillig, alleen gewaardeerd naar wat op school als het
gewichtigste vak gerekend werd.
Alles wat in het onderwijs hier en daar voorkwam, dat direct in verband
stond met het leven en de wereld, zooals die werkelijk zijn, daalde
vrij sterk. En bovenaan kwamen lange rijen doode woorden over doode
dingen, regels en zinnen, die in hun weeke hersens gepompt werden;
vreemde geluiden uit een vreemd leven; eeuwenoud stof, dat plichtmatig
overal gestrooid werd, waar 't sappige jeugdige leven een vochtige
plek toonde, waar 't stof aan kon blijven hangen.
't Is een moeilijke tijd--de leeftijd van Abraham en Marius--van
veertien tot vijftien jaar. De oogen open, een vraagzucht even
onverzadelijk als de jongenseetlust, die erger jeukt dan de mazelen;
een ontwakend vermogen en de lust om alles te begrijpen; een brandende
begeerte om de wereld te veroveren èn dat wat achter de wereld en
wat daar weer achter ligt......
En dan stof, eeuwenoud, buitengewoon fijn stof, in elke vochtige
porie gestrooid, over elke opkomende vraag, over elke levenskiem,
die niet juist de kiem van dokkebladeren is.
Maar dat gaat over; al op 't zestiende of zeventiende jaar is het
stof goed ingedroogd. De nieuwsgierigheid is dood; de jonge mensch
heeft geleerd, dat het er maar op aankomt gevraagd te worden, niet
te vragen. En hij begint ook te begrijpen wat de bedoeling met die
dokkebladeren is; hij krijgt een duister gevoel, dat ze om zijnentwille
bestaan, en dat hij bij geluk een van de bevoorrechte slakken in die
maatschappij is.
Kleine Marius in een regenjas op een guren wintermorgen, in Zuidenwind
en regen, vóór achten. 't Is halfduister, koud en nat;--'t is niet
bizonder prettig zich om den hoek te werken in een vliegenden storm,
natte voeten te krijgen en vochtige knieën.
Toch denkt hij er 't meest aan hoe hij zijn dierbare stapel boeken
tegen den regen zal beschermen; hij had ze onder zijn oliejas,
zoodat hij veel op dat soort van koeien leek, die hun maag aan één
kant hebben.
In de school was het donker en kil, zooals gewoonlijk vroeg in
den morgen. Morten, de achterblijver, propte de kachel vol hout;
de andere jongens stonden er om heen om zich te warmen;--nat en koud
waren ze allemaal. Maar 't was Zaterdag; en hoe guur 't dan ook is,
toch ligt er iets feestelijks over alles, wat door geen regen of kou
heelemaal te bederven is.
Marius droogde eerst zijn boeken en toen zich zelf af, zoo goed het
ging met zijn blauwen rattenzakdoek.
Abraham Lövdahl deed den rector na, terwijl hij de opgegeven paragrafen
uit de "regels" voor de school voorlas, die op een stuk karton geplakt
en met een lichtgroenen rand er om aan den muur hingen.
"Paragraaf vier," las Abraham, en deed alsof hij zijn neus vol snuif
stopte: "De leerlingen moeten altijd schoon en netjes in de school
komen. Jassen, mutsen, enz. moeten ze op de daarvoor bestemde
toestellen hangen met inachtneming van orde en voorzichtigheid
en Dezelve weer meênemen... Dezelve--met een hoofdletter--wat is
dat?" riep Abraham.
"De toestellen," stelde Morten voor.
Een ander beweerde dat het op orde en voorzichtigheid doelde, en
daarover ontstond een taalkundig dispuut.
Kleine Marius luisterde niet; want hij zat verbuigingen te mompelen
met zijn neus in Curtius; 't was bijna donker op zijn plaats--de
laagste van de klasse.
't Rooster voor Zaterdag was:
van 8 tot 9 Grieksch.
,, 9 ,, 10 Geschiedenis.
,, 10 ,, 11 Noorsch opstel.
,, 11 ,, 12 rekenen.
,, 12 ,, 1 Latijn.
,, 1 ,, 2 ,,
's Zaterdags moesten zij tot twee uur blijven, anders kwamen zij er
om één uur al uit.
Eindelijk kwam de oude onderdirecteur Bessesen aan, bezig met
overschoenen, regenjas, parapluie, handschoenen en polsmofjes. Zijn
binnenkomen in de klasse maakte niet den minsten indruk. Abraham zei
alleen heel kalm: "Ziezoo--daar hebben we nu het oude stekelvarken,"
en Morten bleef aan 't werk met de kachel.
Eerst toen de onderdirecteur zich afgepeld had en op den katheder
gekomen was, maakten de jonge heeren aanstalten om naar hun plaats
te gaan en het onderwijs te beginnen.
"Wil jij maar beginnen, Abraham Lövdahl," zei het stekelvarken,
na in zijn zakboekje gekeken te hebben, waarin hij de cijfers noteerde.
"Ik had gisteren zoo'n hoofdpijn, dat ik mijn Grieksch niet leeren
kon," antwoordde Abraham met een uitdrukking van spijt, maar vrijmoedig
en oprecht.
Marius zette groote oogen op.
De oude glimlachte en bewoog zijn hoofd wat heen en weer. Toen zocht
hij een ander uit om te overhooren.
De oude heer Bessesen had trouw stof gestrooid, jaren lang, en hield
al lang geleden zijn 25-jarig jubileum. Zijn veld was niet groot,
maar daar stond hij ook zoo vast als een muur.
Hij wist op een prik wat er van het Grieksch op het toelatingsexamen
werd gevraagd; hij kon van te voren zeggen, welke vragen de
examinandus krijgen zou bij elk stuk, dat hij lezen moest van de
eenmaal vastgestelde schrijvers.
En dat bracht hij langzaam, maar zeker zijn beste leerlingen bij;
de andere kwamen er niet zooveel op aan, omdat zij toch de heele
school niet afliepen.
Hij zat daar zoo klein en verschrompeld, dat hij bijna verdween
in zijn eigen jas. Zijn kin dook heelemaal in zijn boek weg, en 't
kortgeknipte, geelroode haar stak naar alle kanten uit, terwijl hij
een enkelen keer de oogen, met roode randjes, van den katheder ophief.
Want hij was een vreedzaam leeraar. Of ook iemand een vertaling
naast zich had en die voorlas;--of er voorgezegd of geknoeid werd,
dat het een aard had--hij zag of hoorde 't niet. De ervaring van een
lang leven had hem geleerd, dat het de moeite niet loont over zoo
iets drukte te maken, en het ging ook zooveel makkelijker, als de
slechte leerlingen wat geholpen werden.
Hij was intusschen in 't geheel niet suf; de minste fout of onzekerheid
trof zijn oor; hij sprong op, alsof hij geprikt werd, als iemand zich
vergiste in de imperfectum of aoristus [10] maar behalve dat mocht
er allerlei leven en beweging in de klasse zijn, als 't maar niet te
erg werd.
Zoo leidde hij den tocht der tienduizenden--een kleine mijl per
dag; en alle jonge menschen, die in den loop der jaren hem als hun
aanvoerder gevolgd hadden, waren allen met dezelfde regelmatigheid,
met dezelfde kleine dagmarschen door Xenophon, Homerus, Sofokles,
Herodotus en Plutarchus heengekomen. 't Ging alles op dezelfde
manier, zonder verandering of ommekeer. Zoowel in verzen als in
proza was er dit zeer gewichtig verschil tusschen imperfectum en
aoristus; en mocht het gebeuren, dat hij, die aan het vertalen was,
begon te lachen om een grappige anekdote van Herodotus--dan keek het
stekelvarken verbaasd op. Zooiets kon hij niet begrijpen.
Daarom ging de grauwe morgen eentonig en kalm voorbij. Zij, die
geen lust hadden om overhoord te worden, hadden hoofdpijn of hadden
hoofdpijn gehad, en dan moest het stekelvarken een ander zoeken,
die bereid was een slag te wagen en klaar zat met de vertaling aan
de eene zij, de zinnetjes en de aanteekeningen aan de andere.
Om negen uur pakte het stekelvarken al zijn zaken bijeen en wandelde
verder naar de volgende klasse.
Het geschiedenis-uur van 9-10 ging ook vredig voorbij. Toen was
Borring met zijn veeren pennen in de klas; en omdat er nu alleen
Latijnen waren--Tolleiv en Reinert waren op zee, en de anderen
waren weg--hielpen de leerlingen zichzelf en elkaar met afkijken
en voorzeggen.
Als Marius zijn geschiedenis kennen zou, moest hij absoluut "op glee"
geholpen worden; maar dat klopte niet altijd met de methode van
den leeraar. Vandaag vroeg hij bijv.: "En wanneer nam het geluk een
keer?" en daarop begon hij aan zijn veeren pennen; kort daarna zei hij:
"Nu, wanneer nam het geluk een keer?" blies in een pen en sneed voort.
Marius kende 't heele dreuntje over Karel XII, maar hij wist niet,
dat het geluk een keer nam in 1708. Abraham moest het hem influisteren.
Daardoor kwam Marius gelukkig op het dreuntje: "Maar in het jaar 1708
nam het geluk een keer," en toen ging het van een leien dakje.
Nu had Morten de achterblijver eindelijk de kachel roodgloeiend
gekregen, en 't was zoo warm, dat men in 't vrije kwartier alle
vensters open moest zetten.
"Wie heeft de kachel opgestookt?" vroeg de rector ook dadelijk,
toen hij met de cahiers onder den arm in de klas kwam.
Geen antwoord: maar toen hij 't weer vroeg, op strenger toon,
antwoordde No. 1 van de klasse.
"Ik geloof, dat Morten Kruse het gedaan heeft."
"Zoo, deed jij dat--Morten! doe jij zulke dingen? Kom eens hier en
zoek eens naar de paragraaf in 't reglement waarin staat, dat de
leerlingen zelf voor 't verwarmen van de school moeten zorgen."
Morten ging onwillig voor het reglement staan en staarde naar boven.
"Nu jongetje!--kun je die paragraaf ook haast vinden? of moet ik je
een handje helpen?" vroeg de rector en trok hem aan 't oor met de
eene hand, terwijl hij met de andere op het reglement wees, "zie je
paragraaf 5 niet? Lees die eens voor: hardop en duidelijk!"
"Paragraaf 5," begon Morten met een zware stem, "in de school moeten
de leerlingen dadelijk naar hun plaats gaan en nooit leven maken
of onordelijk zijn. Zij mogen ook nooit hun plaats verlaten zonder
uitdrukkelijke toestemming."
"Nu, jongetje! zie je nu hoe een leerling zich in de klasse gedragen
moet, hè? Vind je, dat er iets staat over 't volproppen van den kachel,
hè?--vind je dat? Hè?"
Bij elke vraag trok hij 't oor van den jongen meer naar boven, totdat
Morten op zijn teenen stond.
De heele klasse lachte en Morten sloop naar zijn plaats.
Intusschen had No. 1 de cahiers uitgedeeld, na ze alle ingekeken te
hebben om de cijfers na te zien.
Marius had 4 1/2, wat iets slechter was dan gewoonlijk, en dat was
eigenlijk een teleurstelling, hij had het onderwerp zoo prettig
gevonden, omdat het zoo lang was, dat 't bijna een kwart pagina
vullen kon, als je wijd uit elkaar schreef; en hij vond het altijd
zoo moeielijk om zijn opstellen lang genoeg te maken.
Het onderwerp was: "Vergelijking tusschen Noorwegen en Denemarken,
met het oog op de natuur van de landen en het karakter en bedrijf
van het volk."
De rector begon van onder op: "Je maakt slechte opstellen,
Marius! wat is dat nu voor een ratjetoe, wat je vandaag bij
elkaar gehaald hebt! luister nu zelf eens: Als men Noorwegen met
Denemarken vergelijkt, dan ziet men een groot verschil tusschen
deze landen. Noorwegen is een bergland, Denemarken daarentegen
een vlak land. Noorwegen heeft, daar het een bergland is, mijnen,
wat Denemarken niet heeft omdat er geen bergen zijn. Ook heeft een
bergland altijd dalen...... Ach ja Marius, dat is zoo waar...... zoo
waar, maar meen je nu, dat het noodig is ons dat te vertellen? 't
is zoo onrijp... zoo treurig onrijp," hernam de rector bekommerd en
liep een poos in gedachten verdiept op en neer. Marius begreep best,
dat hij aan het overgaan tegen de groote vacantie dacht.
"Maar, goeie hemel! wat een hitte! bah!" riep de rector en gaf Morten
een draai om zijn ooren, toen hij hem voorbij ging.
Toen begon hij weer aan 't opstel van Marius:
"Noorwegen heeft een goed verweermiddel in het Kjölengebergte; en als
er oorlog kwam, dan zou men daar moeilijk met kanonnen over kunnen
komen, vooral in den winter......
"Wat ben je oorlogszuchtig Marius. 't Is een wonder! Wie zou
er nu over het Kjölengebergte willen trekken met kanonnen in den
winter? De Zweden zijn immers onze goede vrienden en broeders. Neen,
dan is het beter, wat een ander heeft geschreven, dat men nu liever
het Kjölengebergte weg moest wenschen, zoodat de broedervolken zich
geheel konden vereenigen. Wie heeft dat ook weer...?"
"Ik," zei No. 1 bescheiden.
"Juist! dat heb jij, Broch, ja, dat is heel goed. Marius daarentegen
ziet alles van een oorlogszuchtig standpunt; luister nu maar verder:
Als men de volken vergelijkt, vindt men dat de Denen weeker zijn dan de
Noren. Ja, wat beteekent dat nu eigenlijk?" riep de rector knorrig en
krabde zich het haar; hij werd hoe langer hoe heeter, 't was zeker
ongeveer 85 graden, "hier zijn er meer in de klasse, die over die
weekheid van de Denen geschreven hebben, waar dient dat voor? 't
Is heel braaf zijn vaderland lief te hebben; maar vaderlandsliefde
wordt een groote fout, als 't nationale hoogmoed wordt, dan ziet
men op andere naties neer en roemt alleen zijn eigen. Vooral is 't
belachelijk voor een klein, arm volk, als het onze, dat zoowaar niet
veel heeft om trotsch op te zijn."
Broch's uitstekend opstel werd niet voorgelezen; want de warmte werd
eindelijk zóó erg, dat de rector in wanhoop order gaf om deuren en
vensters open te zetten en daar er toen een vliegende tocht in de
kamer kwam, zond hij alle jongens naar de plaats. Alleen Morten Kruse
moest voor straf binnen blijven.
't Regende niet meer; maar de wind was koud en 't was modderig op
de plaats, zoodat ze niet veel pleizier hadden van dit lange vrije
kwartier. Marius liep te rillen van angst voor de rekenles, want
volgens alle menschelijke berekening zou hij vandaag een beurt krijgen.
Abraham had hem geholpen, en kleine Marius had gezegd, dat hij
't begreep. Hij had werkelijk van een en ander een beetje begrip
gekregen. Maar hij wist wel bijna zeker, dat hij, als hij voor 't
bord stond, niet zou weten wat 1/2 × 1/2 was.
De onderdirecteur Abel kwam binnen huppelen en de vensters werden
gesloten. Hij had zijn nieuwe regenjas over den arm en neuriede,
wat altijd beteekende, dat hij in zijn humeur was.
Dat troostte Marius intusschen niet erg, want als de onderdirecteur
in een goede bui was, dan kon hij de jongens zoo leelijk voor den
gek houden.
De onderdirecteur Abel was ongetrouwd en de kwast onder de leeraars. 't
Was zijn trots, zijn schunnig gekleede collega's met hun gele boordjes
te verrassen met nieuwe en bizondere kleedingstukken--nu eens een
das met roode moezen, dan een lichten broek; nu was een gutta-percha
regenjas aan de orde.
Allen hadden er in geknepen en er aan geroken; allen hadden naar den
prijs gevraagd en allen hadden dien gehoord.
Als leeraar had hij dit principe: "De menschen kunnen worden verdeeld
in twee soorten: Zij, die wiskunde kunnen leeren, en zij, die het in
't geheel niet kunnen. En ik neem op me binnen een maand uit te maken
of een jongen wiskunde leeren kan of niet."
En op grond van die theorie bracht hij de knappe jongens heel ver;
en liet de anderen zonder gewetensbezwaar links liggen.
De leeraar sloeg het stof van den katheder met zijn zijden zakdoek,
vóór hij plaats nam. Marius zat in stilte te beven, terwijl hij in
zijn zakboekje keek.
Maar Broch werd opgeroepen. Marius kon zijn geluk haast niet gelooven;
't scheen wel alsof Abel van boven af begon, en dan kwam hij misschien
vandaag weer vrij.
Ze waren pas begonnen met vergelijkingen van den eersten graad met
een onbekende, en kleine Marius had geduldig allerlei voorbeelden
gevolgd van manieren om die x te vinden.
Hij had hooren zeggen, dat die gevonden was en 't voorbeeld zien
uitvegen, ja, wat meer was, hij had zelf alle voorbeelden in zijn boek
opgeschreven; en toch bleef die eene onbekende hem even ver en vreemd.
Hij hield die x in 't oog; hij schreef trouw op hoe die als een haas
van de eene lijn naar de andere gejaagd werd met vermenigvuldigingen,
verkortingen, breuken en al zulke duivelsche dingen achter zich aan
tot het arme, uitgeputte dier eindelijk alleen aan den linkerkant
stond;--en dan bleek het, dat die vreeselijke x niet anders dan een
heel goedig getal was,--bijv. 28.
Marius kon langzamerhand desnoods begrijpen, dat x een verschillende
waarde had in de verschillende voorbeelden. Maar wat wou men toch
met die x? waarom al die omslag--waarom moest er over het heele
bord over stok en steen op die eene onbekende gejaagd worden, als
die toch niet anders was dan bv. 28, of misschien maar 15?--neen,
dat kon Marius wezenlijk niet begrijpen.
Toch nam hij zijn boekje en schreef zorgvuldig de som op, die Broch
moest uitrekenen:
Aan Pythagoras werd gevraagd hoeveel leerlingen hij had.
De wijze man antwoordde: "De helft studeert philosophie, het derde
gedeelte wiskunde, en de overige, die zich in het zwijgen oefenen,
maken met de drie, die ik onlangs kreeg, het vierde gedeelte uit
van hen, die ik vroeger had." Hoeveel leerlingen had Pythagoras,
vóór hij er de drie laatste bij kreeg?
"Ja, dat is niet zoo gemakkelijk om daar achter te komen," dacht
kleine Marius verheugd, omdat hij veilig op zijn plaats zat. En
terwijl Broch daar in de verte op 't bord dadelijk met 1/2 x en 1/3
x begon om te springen, verdiepte Marius zich in overpeinzingen over
dit ingewikkeld vraagstuk. Vooral liep hem alles door elkaar als hij
aan dat "vroeger" dacht; want dan was 't toch finaal onmogelijk daarop
te antwoorden. En dan gingen zijn gedachten vol medelijden naar dat
arme derde gedeelte, dat wiskunde studeerde en hij werd het er met
zich zelf over eens, dat hij zich zeer zeker 't allerliefst bij "de
overigen, die zich oefenen in 't zwijgen," zou aansluiten. Hij werd
uit zijn overpeinzingen gewekt doordat hij opgeroepen werd.
Of de leeraar had gemerkt, dat hij zat te soesen, óf hij had in zijn
boekje gezien, dat het lang geleden was, dat Gottwald een beurt had
gehad. Hij liet Broch naar zijn plaats gaan midden in de som,--die
ook al te gemakkelijk voor hem was--en toen Marius half suf voor
het bord kwam, stonden daar een paar rijen getallen en x-en, waar
hij geen zier van begreep;--alleen zweefde hem flauw iets voor den
geest toen hij ergens 1/3 zag staan, dat dit zeker betrekking had op
dat rampzalige derde gedeelte, dat wiskunde studeerde.
"Nunc--parvulus Madvigius! qvid tibi videtur de matrimonio?" riep
Abel en zwaaide zijn lorgnet. "Voor jou is het maar een kleinigheid
dit sommetje uit te werken; jij kent immers je Pythagoras--niet
waar? Madvigius! Pythagoras, qvi, dixit, se menimisse, gallum
fuisse. Alsjeblieft, Mijnheer de professor! ga voort, geneer je
niet. Ja, want zooals je ziet, de som is haast af. Broch heeft immers,
vóór hij naar zijn plaats ging, gezegd, wat er verder gedaan moest
worden. Of had de professor misschien wat anders te doen dan te
luisteren? Kleine Gottwald moest er liever aan denken dat hij moest
overgaan voor de groote vacantie en zijn moeder geen verdriet doen."
Marius stond met het gezicht naar het groote zwarte bord gekeerd,
dat op een ezel stond midden op de vloer, en hij voelde 't lachen en
spotten van de heele klasse als steken in den rug. Maar toen zijn
moeder genoemd werd, voelde hij de oogen vol warme tranen komen,
de krijtfiguren liepen in elkaar en hij gaf het op.
De heele klasse--d. w. z. zij, die wiskunde leeren konden--, amuseerde
zich kostelijk. De onderdirecteur was onweerstaanbaar geestig, als
hij de "sprakeloozen" een beurt gaf. Zóó noemde hij hen, die geen
wiskunde konden leeren.
Alleen Abraham zat zich te ergeren, omdat het zijn vriend gold,
maar ook omdat Marius zoo'n stoffel was; soms moest hij wel meêlachen.
"We moeten hem een hulpprofessor geven," zei Abel, en zette zijn
lorgnet op. "Jij, Morten, met je mooien bijnaam. Sta op en sta je
broeder in den geest bij."
Morten stond onwillig op; er was een stil verzet in hem, dat toch
nooit verder kwam dan tot gemompel en 't trekken van een zuur gezicht;
hij was niet knapper dan Marius en de groote en de kleine leerling
zagen er even dom uit, zooals ze daar naar het bord stonden te staren.
Toch ging er een schemerachtig licht voor Morten op; hij deed een
greep in de krijtdoos om wat op te schrijven en vergat, dat hij al
een groot stuk krijt in de hand had.
"Ja, flink zoo Morten!" riep de leeraar, die het opmerkte. "Krijt moet
er bij, man! als 't goed zal worden. Zou je de krijtdoos niet onder
je arm nemen? En de spons in je zak steken, 't lineaal tusschen je
beenen, dan ben je goed toegerust! Ach, Morten, Morten! Je bent dom
en wordt elken dag dommer."
De schemering bij Morten was al weer weg, hij stond te vloeken,
zoodat Marius het kon hooren. De klasse amuseerde zich, en No. 1 van
de klasse was slap van lachen en zag bewonderend op naar den katheder.
"Nu moeten we nog een laatste poging wagen," meende de leeraar, en riep
vier anderen van de "sprakeloozen" op, die geen wiskunde konden leeren.
Met vereende krachten kregen ze eindelijk het vraagstuk opgelost van
de vroegere leerlingen van Pythagoras; en Marius, die heelemaal op zij
geduwd was, moest voor het bord komen en het heele stuk weer oplezen;
en verklaren, dat deze keer x gelijk aan 72 was.
"Ziezoo!" riep Abel vrolijk, "nu zullen wij met de massa gaan werken,
zooals Napoleon. Hier is de keurbende verzameld! In waarheid een
fiere schare! 't Is precies als in de comedie van Cortes, als Jörgen
Tambur en de twee getuigen den bloem van Frankrijk's adel moeten
voorstellen. Goeiemorgen jelui ganzen----"
"We zijn geen ganzen," bromde Morten.
"Goeiemorgen jelui ganzen, alle twintig," zei de Vos. "We zijn niet
met ons twintigen; maar als er zooveel bij kwamen, als er nu zijn
en nog half zooveel, en dan nog anderhalve gans en een ganzerik--dan
waren we met ons twintigen. Hoeveel ganzen waren er dus? O Morten!"
Maar noch Morten, noch een van de andere sprakeloozen deed zelfs
een poging om aan die ganzen te beginnen; en toen Abel vond, dat die
comedie lang genoeg geduurd had, riep hij:
"Ga naar huis en begeef u ter ruste en hef het oude lied aan:
"Ga in, o burger, tot de welverdiende rust!"
"Jelui krijgt alle broederlijk, zonder aanzien des persoons jelui
zesje. En als je verlangt mijn meening te hooren over jelui toekomst
hier op aarde, dan is die deze: dat ik niet geloof, dat jelui voor
iets anders gebruikt kunnen worden dan om eieren uit te broeden;
jij... Morten, met je mooien bijnaam, jij kunt 't misschien brengen
tot den jongen van den knecht van den koster. Abraham Lövdahl kom
eens voor het bord."
Toen Marius op zijn plaats teruggekomen was, zag hij hoe Abraham in een
wip het ganzenvraagstuk had opgeschreven: 2x + 1/2x + 2 1/2 = 20; maar
hij was te moe om er verwonderd over te wezen, te veel gebukt onder
de nieuwe zessen, die, zooals hij wel wist, het overgaan voor hem nog
onzekerder zouden maken; maar vooral veel te moedeloos bij de gedachte
aan dien trek om Moeders mond, als ze weer een 6 op zijn rapport zag.
't Was twaalf uur, en de oude vrouw, die krakelingen en stroopkoeken
aan de gymnasiasten verkocht, stond al bij de stoep.
De jongens van de vierde klasse, met jassen aan, liepen op en neer
op hun vaste plaats; die van de derde, nog met buisjes aan, stonden
in groepjes te eten; terwijl de gelukkige kleintjes, die om twaalf
uur vrij kwamen, de poort uit stoven met Zaterdagsche vaart.
De lucht klaarde op. De wind draaide naar 't westen, 't zou best
mogelijk zijn, dat hij heelemaal naar het Noorden omsloeg tegen den
nacht; dan kwam er vorst, en dan kon 't ijs toch misschien morgen al
goed zijn.
Kleine Marius stond alleen zijn stroopkoek te eten, zonder er
op te letten, dat de stinkers, die hem voorbij liepen, hem voor
"Rattenkoning" en allerlei ander moois uitscholden; hij had een gevoel,
alsof zijn heele hoofd leeg en hol was,--en nu moesten er nog twee
uren komen!
Hij had nu wel in die beide uren Latijn, waar hij minder bang voor was;
maar dat laatste wiskunde-uur had hem zoo vermoeid.
't Was heel iets anders met den dikken Morten en de andere
"sprakeloozen." Zij gaven geen zier om den spot van den
onderdirecteur. Maar kleine Marius was heel gevoelig voor hoon;
soms had hij zijn vijanden zijn moeder hooren mengen in beleedigende
uitdrukkingen, die hij niet begreep, maar die toch zijn bloed deden
koken.
"Wat is dat toch voor een aap, die de kachel heeft opgestookt,
hè?" begon Aalbom, zoodra hij in de klas kwam. 't Was heelemaal niet
warm meer, maar hij had den rector gesproken. "Dat heb jij zeker
gedaan, Kruse! Jou, dikke ezel! Bah! Waar moeten we beginnen? Vers
122: qvas deas,--lees op--Gottwald, hardop! Och nonsens! Is dat nu
hardop lezen? qvas deas per terras! doe toch je bek open, hè? die
luie Westlanders kunnen niet eens hun tanden van elkaar krijgen,
zit toch niet te mompelen of je een aardappel in je mond hebt, uil
die je ben, hè!"
Dit was zoo zijn manier om de les te beginnen; vooral in de laatste
uren, als hij zelf zenuwachtig en knorrig was, na van 8 uur 's morgens
gebromd en gescholden te hebben.
De klasse boog 't hoofd onder den storm, ofschoon zij er aan gewend
was; maar kleine Marius ging bevend voort met lezen en kreeg heel
veel knorren omdat hij niet hard genoeg sprak.
't Was niet gunstig voor Marius, dat de rector in de twee lagere
klassen Latijnsche les gegeven had; want nu wilde Aalbom nooit
toegeven, dat de rector den kleinen Gottwald zoo heel ver had
gebracht; maar aan den anderen kant was hij bang, dat de rector zou
willen beweren, dat zijn lieveling achteruit was gegaan, sinds hij
bij Aalbom in de klasse gekomen was.
Daarom eischte hij alles van Marius, maar had nooit een woord van lof
voor hem. De leeraar liep op en neer voor de klasse, als een roofdier
loerende op een fout om er op aan te vliegen; hij was buitengewoon
lang en mager en daarenboven bijziende, waarom zijn lieve leerlingen
hem nooit anders dan "de blinde darm" noemden.
Marius spande zich in en kwam er goed af; maar daarna was hij ook
zoo uitgeput, dat hij bijna sliep.
't Uur ging voorbij met knorren en rumoer en toen was er nog maar één
over. Het laatste uur werd voor een Latijnsche thema gebruikt. Aalbom
gaf hun een van de stukken in het boek van Henrichsen op en ging op
den kruk in den katheder zitten, om zijn beenen te laten bengelen en
in de lucht te kijken.
Er was niet veel meer in een van de leerlingen overgebleven om een
Latijnsch opstel van te brouwen; de meesten schreven er maar op los,
en Marius ook,--dus dat werden prachtige opstellen!
Maar toen was eindelijk de school uit, en zelfs de bleekneuzige
Latijnen waren wat levendiger toen ze over de plaats liepen, want
het was Zaterdag.
Haring, zoete soep en pannekoeken--er bestond niets lekkerders in de
heele wereld; want dat was 't Zaterdagsmaal in de heele stad.
't Klaarde werkelijk op en 't werd een heldere vorstavond met
maneschijn, zoodat de vierde klasse met de bakvischjes ging wandelen,
terwijl de jongere kameraden in groepjes liepen te zingen en elkaar
tegen de jonge paartjes aan duwden als ze voorbij kwamen. Maar
Abraham en Marius wandelden arm in arm en zagen van uit de hoogte op
dat alles neer; nu en dan hief Abraham zijn gebalde vuist op tegen de
vreedzame woning van Proost Sparre, waar hij wist, dat de telegrafist
zijn vroeger geliefde een bezoek bracht.
's Avonds was Marius bij Abraham gevraagd, de professor en zijn vrouw
hadden gasten. Zij hadden alle kamers tot hun beschikking en 's avonds
kregen zij een warm souper. En niets te doen voor morgen! Niets te
leeren! als een vrij man te slapen tot tien uur! En toch werd nog de
een of andere Zondagmorgen in bed in zijn gedommel gekweld door de
gedachte: nu gauw opstaan en naar school hollen!
Brr, koud in de slaapkamer,--halfdonker--een massa boeken... hij kent
er geen steek van...
Eindelijk overeind!--En dan was het Zondag! pardoes weer onder
de dekens!
Zou iemand wel ooit vergeten, hoe zalig dat was?