De uilen woonden in het gebeeldhouwd lofwerk om de hooge
spitsboog-vensters van de Domkerk en in de vierkante openingen in
den muur boven in de torens.
Geluidloos hadden ze zeshonderd jaar lang tusschen kerk-
en kloostervensters heen en weer gevlogen, van schoorsteen tot
schoorsteen, door poorten en gaten en in lange nauwe gangen, waar ze
geleerde mannen tegenkwamen op pantoffels, met boeken en perkamenten.
In storm en donkere nachten hadden zij op de steenen voor het kleine
boogvenster gezeten, waar een lichtstreep viel; en hun wilde kreten
hadden den bleeken man daar binnen er toe gebracht een kruis te slaan
en de oogen op te heffen van de duistere plaats in Tacitus naar het
crucifix aan den witten wand.
Maar het crucifix werd afgerukt en in een zak gestopt; in de lange
gangen en naar boven vluchtten de bange monniken en naar binnen
stormden de in dierenhuiden gekleede mannen met bebloede bijlen,
doorzochten kisten en banken tot in alle hoeken, haalden de monniken
te voorschijn en pijnigden ze tot ze de schatten van het klooster gaven
en joegen den bisschop door zijn heele huis, door de geheime gang--tot
heel voor het hoogaltaar en hieuwen hem neer, zoodat zijn bloed over de
steenen in het koor stroomde. En het visschersdorpje, dat zich schuw
tegen de kloostermuren aandrukte, met nauwe straten en houten huizen,
brandde in een oogenblik af en het vuur teisterde kerken en kapellen.
Maar langzamerhand groeiden de houten huisjes weer op; zware boeken
en rijke geschenken stroomden het huis van den bisschop binnen,
het tiende van wat zee en land opbrachten en de bekoorlijke zilveren
daalders moesten denzelfden weg op en 't wemelde van vreemde monniken
en kanunniken, zoowel dikke sterke Engelschen als zwartharige
geestelijken uit het Zuiden met fijn besneden gezichten.
Macht en geleerdheid bouwden muren en torens, en wierook vulde de
prachtige kerk, waar de geestelijken zongen voor de visschers en
boeren, die met het hoofd op den grond gebogen lagen en mompelden
wat zij niet begrepen.
Er kwamen vreemde schepen aan de steigers en brachten met goud bewerkte
miskleeden, kerkklokken en wierookvaten en sterken wijn voor de koele
kelders in de kloosters.
Maar in de nauwe straten en schuilhoeken achter den boomgaard--daar
lagen de monniken op de meisjes te loeren; en terwijl ze boven in
de kerk de mis hielden en zongen, brandden er een paar lampen in den
gewelfden kelder onder de kapel van den bisschop; en daar zongen ze
ook, terwijl 't wijnvat klokte en de meisjes lachten; en daar dansten
de monniken, zoodat hun pijen rondzwierden. Maar aan den dans kwam
een eind en die heerlijkheid verging en de meisjes werden met rust
gelaten door de woeste geestelijken.
Op een grooten brandstapel werden alle documenten van het domkapittel
verbrand, alle papieren en boeken in goudleer en wit kalfsleer
gebonden; maar alles wat op zilver en goud leek, werd verzameld,
afgehouwen, afgerukt, afgeschrapt tot het laatste korreltje, dat
glinsterde, toe en in plaats daarvan kwam kalk, van binnen en van
buiten,--overal kalk, doodsch wit, droog en koud.
Nu kwam de beste tijd voor de uilen, terwijl kloosters en kapellen
langzaam tot ruïnen vervielen; en wat de tijd bij kleine beetjes deed,
volbrachten de menschen in 't groot.
Spoedig werden de muren en de oude boomgaarden geslecht om plaats te
maken voor een nieuwe straat; 't volgend jaar werd de sierlijke capella
domestica van den bisschop afgebroken, omdat de vrouw van den proost
van het materiaal een nieuw varkenshok wilde laten inrichten en ten
slotte stond de Domkerk daar nog maar alleen--geheel bouwvallig, in
haar kleed van kalk, met domme kleine huisjes er om heen en van al de
paapsche heerlijkheid bleef niets over,--geen steen en geen perkament.
Alleen één ding bleef over achter op het oude terrein--behalve
de uilen.
De macht was verdwenen. De geleerdheid was verdwenen; de kalk had
alles wat er nog aan schoonheid over was, begraven; maar het Latijn
was blijven zitten--de Latijnsche school--de plak en 't Latijn.
De koorknapen werden scholieren, kostersjongens en eindelijk gewone
leerlingen; zij verhuisden van één kamer, naar twee kamers, die
aan de oude kloostermuren werden vastgeplakt, tot ze in een nieuwe,
vierkante schoolkist werden gestopt, met kale muren en vensters van
matglas; de plak en 't Latijn verhuisden meê.
En als de uilen, die ook trouw waren meêgegaan, in de groote
beukenboomen voor de studeerkamer van den rector zaten, kromp hij ook
ineen bij hun woeste kreten en hief zijn oogen op van Tacitus,--'t
was dezelfde interessante, maar duistere plaats.
Want in de vele honderde jaren, waarin alle geleerdheid in die schoone,
ontwikkelende taal geleefd had, was er--wonderlijk genoeg--niets
voortgebracht, waard om in het Latijn gelezen te worden. Nu--als
voor zeshonderd jaar--zaten de geleerde bollen en braken hun hoofd
met deze interessante, maar duistere plaats in Tacitus.
En voortdurend ging geslacht na geslacht op naar "mensa rotunda,"
waar de plak en de gramatica het offer van tijd en vlijt van de jeugd
aannamen, om tot belooning de knapsten onder hen zoover te brengen,
dat zij hun hoofd konden breken met Tacitus.
De beukenboomen waren niet oud in vergelijking met de ruïnen, waarbij
ze waren opgegroeid. Maar ze hadden toch meer dan honderd jaar lang
hun kronen over 't lage houten stadje verheven en zich ver over de
ruime schoolplaats uitgebreid.
En onder de takken had het vroolijk geluid geklonken van jonge
geslachten, die kwamen en gingen: overdag het aanhoudend wisselen
van de stilte in de lessen en 't uitgelaten gedruisch in 't vrije
kwartier, als honderd kleine voeten op den grond trappelden en er
kreten door de lucht klonken als van wilde vogels. Maar als de dag
voorbij was en de leeraren al hun tyrannie en al hun verveling mee
naar huis hadden genomen, dan werd de schoolplaats vol van den vrijen
arbeid der gepijnigde jeugd.
Alles wat er te vinden was aan gebouwen, boomen, trappen en
poorten kreeg leven en namen. En na het doode spel van den dag
met doode namen en levenlooze vormen, speelde de levende jeugd een
fantastisch leven vol namen met klank, die weerklank vonden in hun
uitgedroogde hoofdjes. Dan zeilden zij om de aarde en de kapers
schoten te voorschijn van achter de boomen en de hoeken van huizen,
of roovers lagen op den loer onder de trap. En naarmate het licht
afnam en de schemering de herinnering aan de harde dressuur van den
dag uitwischte, ontwaakten en groeiden de ongebruikte en verspilde
krachten. En ridderlijkheid, onverbreekbare vriendschap en heldenmoed
vlamden op in de kleine woeste vechtpartijen en quaesties, die nooit
vergeten werden.
Maar in de stille herfstavonden, als 't beukenloof dicht onder
de boomen lag, vóór de storm het nog had weggezweept, of de pedel
't onder in zijn kelderkamer bijeengegaard had, kwamen Indianen en
stroopers in de schaduwen aansluipen,--of het was de praetendent,
de ongelukkige Stuart--, die voortworstelde door storm en onweer naar
de hut van Betty Flanagan.
En als de deur van de kelderkamer van den pedel openging, zoodat het
roode licht in streepen in 't donker onder de boomen viel, dan zaten
er veel rondkoppen dicht bijeen om 't vuur, met zware laarzen aan,
met korte, ronde mantels en ijzeren sporen; hun mantels hingen bij den
schoorsteen te drogen en hun lange zwaarden met een kruis aan 't heft,
stonden tegen den wand. De oude Betty hief het ronde houten deksel
op--zwart verbrand aan den kant, en uit de geweldige pan steeg de
sterke lucht op van schapenvleesch, kool, aardappels en kruiderij, die
door elkaar gekookt werden,--het lievelingsgerecht van de Hooglanders!
In de kelderkamer en onder het heele schoolgebouw door liepen
verborgen gangen en geheime openingen tussen de oude onvergankelijke
kloosterkelders, waarin de moedigsten doordrongen, en van waar zij
met stof en kalk overdekt terugkwamen.
En wat zij vertelden ging van de eene klasse naar de andere, en
legde onder de gehate school een griezeligen ondergrond van oude,
gruwelijke kloostergeschiedenissen, van geheimzinnig verkeer met
doode monniken, die daar spookten, vensters met lage bogen, lange
strepen van doodsbleek maanlicht.
En zelfs het spel hield op, als het goed donker werd en de katuilen
begonnen te schreeuwen. Dan gingen ze in dichte groepen bijeen staan en
maakten elkaar bang met witte gestalten, die ze in de schaduwen zagen;
en uit de zwarte kelders van de monniken kwam er zóóveel akeligs en
griezeligs, dat ze naar huis draafden om hun lessen te leeren.
't Waren hooge, mooie boomen, de beukenboomen op de schoolplaats. Maar
op eens begon de 't meest naar 't Noorden staande te kwijnen en
't volgend jaar ging hij dood; hier en daar in de rij werd een boom
ziek; zware takken--van binnen vergaan--vielen 's winters af, als
't waaide. Allen, die verstand van boomen hadden, kwamen in beweging;
en men kwam met velerlei vermoedens en voorstellen aan.
Sommigen meenden, dat de aarde om de wortels te vast ineengetrapt
was, en wilden, dat men die wat los zoude maken; anderen wilden de
stammen afkrabben; en enkelen vermoedden, dat er geen licht genoeg
tusschen de takken doorkwam en wilden, dat de kronen zouden worden
uitgekapt. Niemand scheen te willen begrijpen, dat de grond zuur was,
de boomen oud en vergaan, zoodat geen kunst verhinderen kon, dat ze
verdorden en doodgingen.
Maar zooals de boomen kwijnden, zoo was het ook, alsof er een druk
kwam over de school zelf en de jeugd, die zij beschaduwden.
De plak danste niet langer lustig met de grammatica,--die was
weggelegd. En na die scheiding scheen de grammatica weg te kwijnen
als een weduwe, die haar beter ik verloren heeft. Het Latijn wilde
niet recht groeien, niettegenstaande alle mogelijke moeite: niemand
kon er blind voor zijn, dat de kennis van die heerlijke taal van jaar
tot jaar afnam.
En niettegenstaande zij niet half zooveel Latijn leerden als voor
dertig jaar, zag de jeugd er toch bleek en overspannen uit. 't Was
ellendig de bleekneuzige dwergjes te zien, die zich nu met moeite door
de allereenvoudigste thema's heen worstelden op 't admissie-examen,--en
als men dan eens dacht aan de flinke kerels, die vroeger examen deden.
De leeraars liepen rond, alsof ze spoken waren. Een dor, knorrig
troepje mannen, die in den loop der jaren hun eigenaardigheden tot het
karikatuur ontwikkelden; omdat hun eenzaam leven bestond in het zitten
op een katheder en stof strooien op een jeugd die zij niet begrepen.
Maar velen merkten het verkwijnen van de geleerde scholen. Van
het heele land kwamen dezelfde waarnemingen en klachten en alle
onderwijs-mannen kwamen in beweging, staken hun neus in de papieren
en joegen wolken extra-fijn philologisch stof op.
Sommigen meenden, dat het weer in orde zou komen als de leerlingen
afzonderlijke lessenaars kregen en groen geschilderde kokers; anderen
riepen om een nieuw en beter ventilatie-systeem; enkelen beloofden
een nieuw opbloeien van geleerdheid en gezondheid voor de lieve jeugd,
als het zwaartepunt in het onderwijs van het Latijn naar het Grieksch
werd verlegd.
Niemand scheen te willen begrijpen, dat het systeem verouderd was
en de geleerdheid zelf vergaan, zoodat geen kunst langer vermocht te
verhinderen, dat het doode het levende vergiftigde.
De rector zuchtte menig avond, als de maan over de schoolplaats scheen
en ver over de stad, die op haar manier groeide en tierde. De school
tierde niet: ieder jaar vond hij minder hoopvolle leerlingen voor
de Latijnsche afdeeling; terwijl er flinke jongens genoeg waren,
die het al vroeg opgaven en naar zee gingen of naar het buitenland,
om voor den handel te worden opgeleid.
Hij wendde zich af en ging in den grooten ouden tuin aan de andere
zijde van het huis. Hier had hij een vredig plaatsje onder een
stokouden perenboom, waar hij 's zomersavonds nadenkend zat te
snuiven. Maar ook hier, ver van de stad en de geheele wereld, achter
den hoogen kerkhofmuur--ook hier lieten de onrustige gedachten hem
niet met vrede.
Hoe onsympathiek was hij hem--heel die nieuwe drukke tijd,--en hoe
ongerust maakte hem die minachting voor de klassieke studiën, die
zich overal begon te vertoonen! oprecht ongerust: hij voelde die als
een stap terug naar de barbaarschheid.
Maar hij wilde den moed niet verliezen: nog stonden ze
daar--Goddank!--de oude klassieken, door niet één van de mannen uit
later tijd overtroffen, hoog uitstekende boven alles, zooals die
mooie kerk, met zijn nobele, ernstige lijnen, uitstak boven 't domme
bekrompen visschersdorpje. En 't was alsof er van de kerk een zweem
van verheffing uitging over de school en over hem zelf, terwijl hij
van de bank opstond. Gesterkt als na een gebed ging hij vol kracht en
vertrouwen naar zijn studeerkamer om zijn hoofd te breken met Tacitus.
En de uilen stoorden hem niet. De school en het dorp waren hun te
groot en te druk geworden, ze verdwenen op eens en kwamen niet terug.