Abraham telde 't op: "Grieksch, Latijn, Wiskunde......"

"Bah!" zei Mevrouw Lövdahl, "Grieksch! dat is zeker wat akeligs."

"Dat is de Ilias van Homerus; over de Grieksche helden voor Troje,"

zei kleine Marius snel, hij was niet gewend zoo over de studie der

klassieken te hooren spreken.

"Meen je, dat Moeder niet weet, wat de Ilias is?" zei Abraham, en

Marius kreeg een kleur als vuur.

Maar Mevrouw Lövdahl keek haar zoon aan en deed alsof zij niet merkte,

dat Marius verlegen werd.

"Waar is dat nu goed voor?" ging ze voort, "dat jelui maar aldoor

van die Grieken leert? Ja, ik weet het niet hoe het er in dien ouden

tijd voor Troje uitzag. Maar dat heb ik dan wèl dikwijls gehoord van

schippers, thuis bij Vader, dat Grieken de grootste bedriegers zijn,

die er bestaan. Net alsof wij niet even groote helden hadden in den

ouden tijd,--en nog betere? Waar is Snorre?" [7]

"Achter u, op de plank."

"Heb je Snorre nu heelemaal uitgelezen!"

Abraham hief de armen op, alsof hij zich tegen een pak slaag verweren

wou.

"Ja, ik zal je krijgen, jou ellendige Griek," riep Mevrouw Lövdahl,

en wierp zich op hem, om hem aan zijn haar te trekken; maar Abraham

verweerde zich met armen en beenen, en kleine Marius lachte, tot hij

bijna onder de tafel rolde.

De strijd eindigde, toen Mevrouw Lövdahl haar mooie blonde haar over

de ooren en oogen had hangen, haar broche op den grond lag en haar

manchetten gekreukeld waren. Abraham triomfeerde openlijk, Marius

in stilte.

"Kom," zei Mevrouw Lövdahl, toen ze zich weer opgeknapt had, "nu zul

jelui eens een echt bad in de oude Noorsche sagen hebben."

"Och neen, Moeder, spaar ons!"

"Ja, dat zul je! voor je straf; omdat je Snorre verwaarloost zul je

nu eens hooren wat 'n meester hij is."

En ze begon hun voor te lezen, en ze las uitstekend; want ze kende de

Saga-stijl en ze had dien lief. Aan huis bij haar vader--den rijken

Abraham Knorr in Bergen--was in haar jeugd alles bijeengekomen wat

Noorsch, echt oer-Noorsch gebleven was onder de opkomende, blauwachtig

gele reactie.

Daar kwamen de stoere schippers en de nationale genieën--een echt

mengsel van allerlei soort--maar allemaal echt Noorsch; en daar kwamen

de eerste landstaalmannen [8]--enthousiast en zwijgend, stijve halzen

met weêrbarstige boorden, baaien broeken met hoornen knoopen--Noorsche

hoornen knoopen!

Er kwamen maar weinig woorden over hun lippen, maar 't waren

orakelspreuken vol inhoud en moeilijk te verstaan, opkomend diep

uit het volk. Want in hun volle harten brandde de liefde voor hun

vaderland, de vrijheid en hun volk;--die brandde daar met den altijd

wakenden twijfel van een half begrepen liefde. Ze waren verstokt en

onverzoenlijk, omdat ze er nooit zeker van waren, dat ze het rechte

gegrepen hadden; maar ze waren standvastig en trouw, omdat iets diep

in hun ziel zei, dat het zaak was vol te houden.

Tusschen zulke mannen groeide Wenche Knorr op en ze was voor hen

als een Valkyrie [9], en nog veel meer. Haar familie was een oude

Bergensche en van geslacht tot geslacht ging een liefde voor het

vaderland, een nationaal voelen, vol kracht en strijdlust, zooals

men meestal vindt waar 't vreemde bloed overwonnen is.

Wenche Knorr was vol geestdrift voor het nationale; ze was bereid tot

ieder offer voor de vrijheid en het volk. Ze kleedde zich in stoffen,

die in Noorwegen geweven waren en ze kende de landstaal. Ze was er

maar bedroefd om, dat er niet meer van haar werd geëischt.

En toen ging ze op een schoonen dag heen en verloofde zich met den

nieuwen professor Carsten Lövdahl, die ten eerste tot een oude,

stokstijve, Deensche ambtenaarsfamilie behoorde en waarvan men bijna

niets anders wist, dan dat hij aan de universiteit voortgeholpen was

en zeer gezien was geweest in de conversatie in de hoofdstad.

Ach, wat een verdriet en teleurstelling gaf dat!

't Was een nederlaag voor de zaak van 't volk. De meest enthousiasten

noemden het een nationale ramp. En hoe graag ook elk ongetrouwde onder

de landstaal- en vrijheidsmannen haar zelf de zijne had willen noemen,

toch had hij aan wie ook onder zijn kameraden die Valkyrie liever

gegund, dan aan zoo'n fat, zoo'n kwast als Carsten Lövdahl.

En die stemming was ook duidelijk te merken in zes van de

een-en-twintig liederen aan Wenche Lövdahl, die nauwgezet werden

uitgezongen aan het bruiloftsmaal.

Maar, dat ze hem genomen had, kwam zóó. Zij was een jaar in 't deftige

gedeelte van Christiania geweest; dien winter was zelfs 't hof daar

en er waren veel Zweden.

En toen nu Carsten Lövdahl thuis kwam, midden in dien kring--mooier,

eleganter en interessanter dan al die anderen en bovendien nog

Noorsch--met zijn Noorschheid opgefrischt door een lang verblijf in

het buitenland--toen vond Wenche Knorr in hem de schoonste vereeniging

van datgene, wat ze van huis uit had liefgehad, en het Europeesche

beschaafde, waarvoor ze oog had gekregen in de hoofdstad. En zoo

raakten zij verloofd en trouwden.

Maar 't duurde niet lang, voor ze haar vergissing merkte. De oude

vrienden hadden niet meer hetzelfde vertrouwen in haar, hoewel zij in

haar hart niet veranderd was--even Noorsch, even onvervaard vrijzinnig;

en 't werd nog erger toen zij naar dit ouderwetsche stadje verhuisde,

waar zij alleen stond tusschen de vrienden van haar man.

Maar vooral, wanneer zij, zooals op dezen avond, iets las, dat haar

zoo levendig aan den gedachtenkring van haar jeugd herinnerde, kon er

iets gedrukts over haar komen,--als een voorgevoel, dat die tweespalt

in haar leven niet tot iets goeds leiden kon.

Abraham zat eerst gezichten tegen Marius te trekken, maar verviel

spoedig in gedachten over zijn droevig lot. Marius daarentegen

luisterde; en het begon hem belang in te boezemen, al dat houwen en

slaan naar links en rechts, al die oneenigheid met 't zwaard in den

vuist,--precies als zijn eigen leven onder de stinkers.

"Daar is Vader," viel Abraham zijn moeder in de rede.

Zij hield met voorlezen op, toen hij binnen kwam; maar las toch het

hoofdstuk voor zich zelf uit, eer zij het boek sloot.

De professor was in zijn overhemd met opgeslagen manchetten; hij liep

zijn handen af te drogen aan een handdoek.

"Goeienavond, jongens! Wat lees je hun voor, Wenche?"

"Snorre," antwoordde Abraham en glimlachte tegen zijn vader.

"Bah!--dat dacht ik wel. Is dat nu iets om aan beschaafde jonge

menschen voor te lezen?"

"De heldendaden van onze dappere voorvaderen?" antwoordde Mevrouw

Wenche strijdvaardig.

"Helden--bah! Sluipmoordenaars, roovers, moordenaars en

brandstichters--dat waren ze! Neen, dan wil ik liever hooren van den

rappen Achilles of van Hector, die de zware lans zwaait. Niet waar,

jongens?"

"Ja," riep Abraham, en Marius deed meê.

"Och, ik heb geen lust jelui te antwoorden," zei Mevrouw Wenche

gemelijk en zette Snorre weer op zijn plaats.

De professor bleef heen en weer loopen tusschen zijn kamer en die

van Abraham over de kleine gesloten gang; hij liep wat te praten en

te schertsen, zooals gewoonlijk terwijl hij zich verkleedde.

Toen Mevrouw Wenche wegging, zeide ze:

"Kom je nu gauw bij mij binnen, Abraham? Nacht Marius, groet je moeder

van mij."

Toen Marius ook was heengegaan, zeide de professor: "Een aardige

jongen, die kleine Gottwald. 't Is wel erg 'chaud' tusschen jelui in

den laatsten tijd."

"Hij is mijn beste vriend," zei Abraham wat onzeker.

"Beste vriend," herhaalde de vader en glimlachte. "Die soort

van vriendschap voor leven en dood, die je zoo gauw sluit in je

jongensjaren. Ja, daar weet ik alles van. 't Is een geluk, dat er in

den regel zoo weinig van overblijft. Dat is een geluk--zeg ik--want

't zou immers heel lastig zijn--vooral voor hen, die vooruit moeten

in de wereld, als zoo'n jongensvriendschap wezenlijk verplichtingen

zou opleggen voor leven en dood."

Abraham keek naar buiten, alsof hij zijn vader niet goed begreep,

en deze ging voort: "Zie je, schooljongens zijn gelijk, ten minste

zoo ongeveer; maar als de school ze loslaat, worden ze door het leven

verspreid en 't leven maakt ze al heel gauw ongelijk. Denk nu maar zelf

eens na hoe onmogelijk het voortzetten van zoo'n jongensvriendschap

wordt, als bijv. de een opklimt in de maatschappij, terwijl de ander

daalt, of blijft staan waar hij is. Zie je, daarom is 't zoo goed

ingericht, dat 't leven zelf er voor zorgt, dat zulke vriendschappen

niet langer duren dan zoolang ze onschadelijk zijn."

"Ja, maar Marius zal immers studeeren," viel Abraham in.

"Ja zeker, ja zeker, maar daar zit het hem niet in; ik dacht ook niet

aan Marius. Hij kan immers niet helpen--dat wil zeggen--er is iets met

hem, wat je nog niet begrijpen kunt, en waar je je ook niet om hoeft te

bekommeren. Hij is zeker een beste, brave jongen, waar je gerust meê

kunt omgaan. Dat komt wel terecht. Ik wou je alleen maar waarschuwen

voor zoo'n sentimenteele vriendschap voor leven en dood. Je weet,

ik houd niet van sentimentaliteit. Dat past niet voor ons, mannen."

Abraham voelde zich altijd gevleid, als zijn vader hem zoo als een

jongeren vriend behandelde; vooral vond hij het prettig zoo meêgerekend

te worden tot "ons mannen." De toespeling op iets met Marius wekte

zijn nieuwsgierigheid; maar hij zag aan 't gezicht van zijn vader,

dat hij er niet naar moest vragen.

Professor Lövdahl was nu klaar met zijn toilet. Hij nam een schoonen

zakdoek en ging neuriënd heen om een uur voor 't avondeten in de club

door te brengen. Hij leefde heel geregeld, zijn uiterlijk was mooi en

goed verzorgd en al zijn opinies waren klaar en sierlijk gerangschikt

in zijn goed hoofd.

Hoewel hij in werkelijkheid niet veel ouder was dan zijn vrouw, scheen

de afstand tusschen hen veel grooter. Want hij had van jongs af aan

zijn best gedaan er waardig uit te zien; hij hield van het oude, wat

zeker was en vast stond; zij dweepte met het nieuwe, dat vol hoop was

en in snellen groei. Daarom werden zij langzamerhand zoo door en door

verschillend van elkaar.

Wanneer iemand hem vroeg, waarom hij toch de hoofdstad en zijn

eervolle betrekking als professor verlaten had, die hem al zoo jong was

aangeboden, om zich in dit weinig wetenschappelijk stadje te begraven,

vertelde Professor Lövdahl meestal een verhaal uit de eerste jaren

van zijn huwelijk.

"Mijn vrouw is, zooals u weet, een Bergensche--een Bergensche met

hart en ziel. Zij heeft dat lichte enthousiaste gemoed, dat behoefte

heeft aan den omgang met sterk bewogen en licht beweeglijke menschen;

en daarom kunt u wel begrijpen, dat Christiania geen stad voor haar

was. Ik, van mijn kant, ben, zooals u weet, een Europaeer; ik kan

zoowat overal leven,--alleen niet in Bergen, neen! dat verklaar ik u,

niet in Bergen! Welnu, zij wilde voor geen geld in Christiania blijven

en ik wilde voor geen geld naar Bergen. Toen kwamen we elkaar tegemoet

en--we ontmoetten elkaar in deze stad."

Die geschiedenis was bijna waar, en als hij andere redenen voor deze

verhuizing had, was dat in ieder geval zijn geheim. Maar booze tongen

beweerden, dat Carsten Lövdahl nooit de universiteit zou hebben

verlaten, als zijn positie hem volkomen voldoening gegeven had. 't

Zou zeker wel 't geval zijn, dat zijn kennis vrij hol was, zoodat de

jongere assistenten hem nu en dan ernstig vast dreigden te zetten.

Niettegenstaande hij dus de beste protectie had en volgens zijn

levensopvatting geheel in overeenstemming was met den geest, die den

boventoon voerde aan de universiteit, was hij wijs genoeg om op de

teekenen des tijds te letten. Hij ging heen terwijl alles nog in de

beste orde was: hij ging heen met den onbesproken naam als de eerste

oogenspecialiteit van het land.

In 't stadje, waar hij woonde, had hij praktijk als huisdokter,

zooals hij dat wenschte. Hij werkte nog slechts bij uitzondering in

zijn specialiteit en hield zijn wetenschappelijken roem boven water

door kleine, voorzichtige artikelen in binnen- en buitenlandsche

tijdschriften.

Het groote vermogen van zijn vrouw verzekerde hem een onbezorgd leven

in den overvloed, waaraan hij behoefte had. Een man, wiens naam wat

beteekende in de wetenschap, die schreef en dat nog wel in 't Fransch,

en die niettegenstaande dat niet arm of haveloos was, maar zelfs tegen

den besten koopman in weelde en conversatie op kon,--zoo'n man moest

natuurlijk een hooge en eervolle positie in 't stadje hebben.

Dat had Professor Lövdahl dan ook; zijn invloed was bijna onbegrensd;

daarbij was hij door ieder geacht en bemind--door vrouwen en mannen;

en 't eenige, waar men een beetje om lachte, was zijn lust om alleen

aan 't woord te komen en lang en sierlijk op een onderwijzenden toon

te spreken.

Onder het avondeten vertelde Marius Gottwald onophoudelijk van Abraham;

maar zijn moeder kon niet begrijpen, hoe Mevrouw Lövdahl met haar

zoon kon vechten.

"Och, u kunt toch wel begrijpen, dat het gekheid was, Moeder," riep

Marius beleedigd, "u begrijpt toch wel, dat het voor de grap was."

"Ja, ja, natuurlijk," antwoordde Mevrouw Gottwald, om hem te kalmeeren;

maar ze kon zich toch maar niet voorstellen hoe zij ooit met kleine

Marius zou kunnen vechten, al was 't dan tienmaal voor de grap. Mevrouw

Gottwald, zooals ieder in de stad haar uit beleefdheid noemde, hoewel

ieder wist, dat zij nooit getrouwd was geweest, was voor een paar

jaar van den Oostkant van 't land gekomen met een kleinen jongen en

vrij wat geld. Professor Lövdahl, aan wien zij door een collega was

aanbevolen, zette haar in een modezaakje, dat Mevrouw Lövdahl met

alle macht steunde.

Achter den winkel had zij haar huiskamertje en daarnaast was de

slaapkamer van haar en Marius. 't Overige gedeelte van 't huis werd

ingenomen door de keuken en de vestibule; op de verdieping daarboven

had zij een paar commensaals.

Zoodra Marius gegeten had, zei hij: "Leg u nu dien hoed neer, Moeder,

wij moeten met kracht aan het werk."

"Moet je nog meer werken vandaag, mijn jongen? Je hebt den heelen

middag gewerkt; laten we nu uitscheiden voor vandaag; 't is bij

negenen."

"Maar Moeder, u lijkt wel dwaas! U weet toch wel, dat ik werken moet?"

"Ja maar wat heb je dan den heelen avond bij Abraham gedaan?"

"We hebben alle andere lessen geleerd, alleen het Latijn--"

"Leer jelui dan je Latijnsche les ook niet samen?"

"Jawel, ziet u--die leeren we wel; maar Abraham heeft geen lust zoo

nauwkeurig te analyseeren;--dat hoeft hij ook niet, want hij weet

het toch wel. Maar ik moet harder werken, anders wordt Aalbom kwaad

en klaagt bij den rector."

"Toe, werk nu niet meer, lieve jongen,--'t is heelemaal niet goed

voor je," ze wilde hem naar zich toe trekken, maar hij had geen tijd

voor zulke dingen, rukte zich los en greep het boek.

"Ziezoo, nu beginnen we, Moeder: tum vero Phaeton--nu moet u mij elk

woord vragen."

De arme Mevrouw Gottwald had werkelijk geleerd hoe ze vragen moest;

maar daar ze toch geen syllabe van de antwoorden begreep, was dit

voor haar een tamelijk vermoeiend slot aan haar werkdag; en zelfs

haar bewondering voor de geleerdheid van haar zoon kon niet altijd

haar oogen open houden.

Intusschen noemde zij de Latijnsche woorden, waarna Marius onmiddellijk

alles zei, wat er van dat woord te zeggen was; en dan weer 't volgende!

"Candescere," las Mevrouw Gottwald slaperig.

"Candescere, candi, candes, can......"

Kleine Marius werd vuurrood, en zijn vingers, die tot nu toe vreedzaam

met zijn zakdoek bezig waren geweest, vlogen nu naar de boeken,

terwijl hij wanhopend naar zijn Madvig zocht.

Maar Mevrouw Gottwald was opeens klaar wakker; zij kende die aanvallen.

Plotseling kon bij hem alles stilstaan; en dan was 't alsof hij zijn

verstand verloren had. En daar was niets aan te doen, dan hem hoe

eer hoe beter naar bed te brengen.

Ze greep daarom stevig zijn beide handen.

"Neen, lieve Marius, nu mag je volstrekt niet langer werken; kom,

nu moet je gaan slapen; dan weet ik zeker, dat je morgen je les kent."

"Neen, neen, Moederlief; laat me los; ik moet het opzoeken, maar één

oogenblik. Ik weet waar het staat, toe, laat u me los!"

Hij smeekte zoo innig, met zijn groote verschrikte oogen, maar zij

hield zich dapper en kreeg hem half door trekken en half door lokken

in de slaapkamer.

Maar aldoor onder het uitkleeden, hoorde ze hem Latijnsche woorden

mompelen; en lang nadat hij in slaap gevallen was, schokte plotseling

zijn hand, die ze vasthield en zijn hoofd was heet en droog.

Zoo zat ze lang. En sombere gedachten aan schande, berouw en

vernedering kwamen als gewoonlijk binnen en zetten zich als stamgasten

om dat kleine bedje en staarden haar aan.

Maar dien avond lette ze niet op hen; haar oogen weken niet van dat

bleeke gezichtje, met dat pijnlijke trekken om den mond en de blauwe

kringen onder de oogen.

Ja,--ze had al eens geprobeerd het tegen den rector te zeggen. Maar

't was niet zoo gemakkelijk voor een vrouw alleen in haar positie,

en de rector hield zooveel van hem, juist om dat Latijn.

En Dr. Bentzen was uit principe een tegenstander van dat moderne

gepraat over overlading bij 't onderwijs aan kinderen in de school;

als ze maar zooveel Latijn leerden en zoo vaak een pak slaag gekregen

als in zijn jeugd; maar nu was het maar verwennen en oppassen aan

alle kanten. 't Was om je dood te ergeren.

Kleine Marius moest maar flink eten en buiten in de frissche lucht

spelen.--En dan hoefde hij zich toch niet dood te werken!

Ja, dat was nu alles goed en wel; iedereen was zoo vriendelijk voor

haar. Maar zie toch eens hoe wonderlijk hij aan zijn slapen ligt

te wrijven.

Vergif: Een Roman uit het Noorsch · 第 8 / 24 题