Kleine Marius was de beste vriend van Abraham en Abraham was het
ideaal van kleine Marius.
Ze maakten gewoonlijk samen hun werk op Abraham's kamer en 't zou
moeilijk te zeggen zijn hoe kleine Marius zich op school gered zou
hebben, zonder dien steun. Want hij was slecht in alle vakken--behalve
in 't Latijn.
Maar dat was zijn vak. Latijn kon hij! Er was geen hoofdvorm, geen
bijvorm, geen onregelmatigheid, en geen regel, geen uitzondering
in het uiterste plooitje van Madvigs [3] wijden geplooiden omslag
verborgen,--als je maar bij kleine Marius kwam, hij wist het allemaal.
Van den eersten dag af, dat de rector hen "mensa" [4] liet verbuigen,
had Marius zich onderscheiden.
Want de rector was zelf bij zijn moeder geweest en had gezegd, als
kleine Marius goed oppassen wou, dan zou hij mogen studeeren. De rector
zou hem een vrijplaats aan de school bezorgen en hem later ook wel in
't oog houden.
Dat was een geluk en een groote steun voor de moeder van Marius. En
ze prentte hem dan ook in wat een gunst het was van den rector, dat
hij zou mogen studeeren, als hij knap in het Latijn werd; want dat
was de bedoeling.
En daarom ging ieder woord uit den mond van den rector regelrecht in 't
hoofd van Marius en zette er zich zoo vast als een spijker in een muur.
Maar hoewel zijn hoofd ruim was en eigenlijk te groot voor zijn klein
lichaam, was er toch ten slotte geen plaats genoeg voor het andere,
dat toch ook geleerd moest worden.
Het Latijn van den rector overstemde alles, legde beslag op heel
zijn vermogen om in zich op te nemen; verbruikte alles wat hij
aan geheugen had en groeide als de dokkebladen in 't sprookje van
Andersen (De gelukkige familie) over alles heen, zoodat al wat anders
misschien in hem zou ontkiemd zijn aan belangstelling, leerlust of
nieuwsgierigheid, geheel verstikte en hij werd, zooals de rector met
trots zei, een volbloed Latijner.
De rector liep heen en weer voor de klasse en wreef zich stralend van
verrukking in de handen, terwijl kleine Marius onvervaard voortging met
lange vormen en uitgangen, die haast niet uit te spreken waren; nooit
een fout, nooit een aarzeling. Met de oogen stijf op den rector gericht
en de vingers bezig met de wonderlijkste rattenknoopen in den zakdoek:
"Monebor,
Moneberis,
Monebitur,
Monebimur,
Monebimini,
Monebuntur."
"Goed zoo, mijn jongen, heel goed," zei de rector; en hij kon niet
begrijpen, dat het in andere vakken zoo slecht ging met kleine Marius.
Alle leeraars klaagden, en de rector moest nu en dan streng voor
zijn lieveling zijn, en hem berispen, ja, hij had zelfs een paar
keer gedoeld op de vrijplaats, die Marius had en die hij niet moest
verspelen.
Maar alles was vergeten, als Marius weer een moeilijke verbuiging kreeg
om op te zeggen, en dan legde de rector hem de hand op 't hoofd: "Nou,
nou, kleine Marius, 't zal wel gaan met de wiskunde en al dat andere,
als je maar wat grooter wordt en wat vleesch op je botten krijgt. In
't Latijn ben je een heele professor."
't Was werkelijk een eerzuchtige droom van den rector om kleine
Marius tot iets groots, iets geleerds te maken, zooiets als Madvig;
zelf zou hij dan al tevreden zijn met genoemd te worden als degene,
die de eerste schreden van 't kind of den jongeling naar den Parnassus
[5] geleid had.
Kleine Marius ging meê zonder er veel over te denken waar dit op
uit moest loopen. Hij was naar het oordeel van alle leerlingen en
kameraden vreeselijk kinderachtig; en als 't niet om 't Latijn was,
had hij nooit in zoo'n hooge klasse moeten zitten.
Daarom was hij bijna een soort van zondenbok in de klasse geworden,
tot Abraham zich over hem ontfermde. Abraham was sterk en nog al knap,
en daarbij had hij een zekere positie in de school als de zoon van
Professor Lövdahl.
Marius had Abraham altijd uit de verte vereerd; maar toen ze nu groote
vrienden werden, was hij uitgelaten van blijdschap. Als hij bij zijn
moeder thuis kwam, praatte hij onophoudelijk over Abraham, en als ze
samen hun werk zaten te maken, was hij voortdurend in één verrukking.
De reden waarom Abraham zich over hem ontfermde was, dat Mevrouw
Lövdahl eens gezegd had, dat de moeder van kleine Marius heel
ongelukkig was: eenzaam en verlaten in de wereld. De woorden haakten
zich in zijn geest vast en toen hij weer eens zag hoe Marius door
zijn kamaraden geplaagd werd en door de stinkers vervolgd, wierp hij
zich plotseling op als zijn verdediger; en toen duurde het niet lang
of ze waren onafscheidelijk.
Abraham had niets tegen die stille aanbidding, en dan was het ook
voor hem, die al een half jaar hopeloos verliefd was, een groote
troost zijn verlangen, zijn klachten, zijn hoop en zijn wanhoop te
kunnen uitstorten in het hart van kleine Marius.
Kleine Marius zat te luisteren met open mond. Wel had hij hoog tegen
Abraham opgezien, maar dat hij zóó groot, zóó verheven was--verliefd,
werkelijk ongelukkig verliefd--dat ging boven Marius' begrip en bracht
hem in een nóg grooter bewondering.
't Was hem alsof hij zelf groeide door 't meê dragen van dat
noodlottig geheim; en als hij haar op straat tegenkwam--het was een
van de volwassen dochters van Proost Sparre--dan zag hij haar met
zijn groote, bruine oogen half verwijtend, half met een uitdrukking
van geheimzinnig mede-weten aan.
Marius kwam op een middag om zijn werk te maken. Abraham zat met het
hoofd in de handen, staarde op het tafelblad en scheen niet te merken,
dat er iemand binnenkwam.
Kleine Marius ging toen voorzichtig naar hem toe en legde de hand op
zijn schouder.
Abraham schrikte op--in de war--zonder zijn gedachten nog bij elkaar te
kunnen krijgen. Maar toen zag Marius hem zóó deelnemend aan met zijn
groote, vochtige oogen, dat het den ongelukkige, met zijn hopelooze
liefde, goed deed.
"Heb je haar vandaag gezien?"
"Spreek niet over haar!--Noem nooit haar naam meer, versta je,
Marius!--Als je mijn vriend bent, zweer me dan, dat je nooit haar
naam meer noemen zult, zweer me dat!"
"Dat zweer ik," fluisterde kleine Marius bewogen.
Dat kalmeerde den andere. Hij ging weer zitten, verborg zijn gezicht
in de handen en zuchtte. Zoo zaten zij een paar minuten.
Eindelijk zei Abraham met een doffe, griezelige stem en zonder op
te zien: "Ze heeft me trouweloos verlaten; alles is voorbij,--ze
is verloofd!"
Marius gaf een gilletje; maar hij mocht niets vragen om zijn eed van
daar straks.
Weer na een stilte voegde Abraham er mat en met een klanklooze stem
bij. "Met Erichsen, den telegrafist."
"Met hem!" riep Marius uit. "Hij heeft twee keer toelatingsexamen
voor de universiteit gedaan, maar zakte allebei de keeren met glans!"
"Is dat waar?--Marius?"
"Zoo waar als ik hier zit. Moeder heeft het me zelf verteld. Zij
kent hem."
Abraham glimlachte honend.
"Ik zal hem niet vermoorden, Marius."
"Heb je daaraan gedacht?"
"Mijn eerste gedachte was: bloed! Hij of ik. Maar nu zal ik me op
een andere manier wreken."
Hij streek zijn haar op, nam de boeken van de plank en gooide ze
op tafel.
"Nu beginnen wij aan onze wiskunde. Geen woord meer over dat andere."
Nu werkten ze samen wiskunde op deze manier: Abraham, die de bewijzen
begreep, liep ze door en verklaarde ze, en telkens vroeg hij: "Begrijp
je?" en dan antwoordde Marius: "Ja." Maar dat was een leugen; hij
had nooit een woord van wiskunde begrepen en allerminst vandaag.
Toen zij klaar waren met alle lessen voor den volgenden dag, sloeg
Abraham zijn laatste boek dicht en zei: "Zóó zal ik me wreken."
Marius keek verwonderd naar hem en naar 't boek.
"Door te werken, begrijp je? en als ik dan van de universiteit komt met
'laud,' of misschien met 'prae ceteris,' en haar tegenkom met haar
ellendigen telegrafist, dan zal ik haar aankijken--zooals je weet,
dat ik kijken kan,--en dat zal mijn wraak zijn."
Abraham fronste de wenkbrauwen, zoodat ze ineen liepen en staarde
Marius aan; en hij voelde dat dit de vreeselijkste wraak wezen zou.
"Daar komt Moeder aan," zei Abraham; hij hoorde de deur van de kamer
van zijn ouders, van de zijne gescheiden door een smalle gang die
naar de keuken liep.
Mevrouw Lövdahl kwam binnen met een schaal appelen en noten.
"Goedenavond lieve Marius, hoe maakt je moeder het?"
"Heel goed, dank u!" antwoordde hij en stond wat verlegen op.
"Alstjeblieft jongens, neem hier eens wat van! Ik dacht, dat jelui
wel een verfrissching noodig zoudt hebben na al die droge geleerdheid,
die je in je arme hoofden hebt gestopt."
Ze sprak vlug en melodieus Bergensch [6] en glimlachte, terwijl ze
Abraham's haar glad streek, dat nog wat aan zijn ongelukkige liefde
deed denken.
Mevrouw Lövdahl was heel mooi en zag er zoo jong uit, dat het altijd
een vermaak voor haar was haar grooten zoon van 14 à 15 jaar aan
vreemden voor te stellen. Toen Carsten Lövdahl uit Parijs terug kwam
met de schitterendste getuigschriften van oogartsen en met zijn
europeesche beschaving, trouwde zij dadelijk met hem, voor ze nog
twintig jaar werd; hij was een jaar of vijf ouder.
Mevrouw Lövdahl ging tusschen de jongens in zitten en begon aan
een appel.
"Wat is dat nu voor gedoe, wat jelui voor morgen leeren moet?"