"Een rat," was het onmiddellijke antwoord. Maar toen nu de welbekende
rat van Marius bij zijn staart van den grond werd opgenomen, barstte
de heele klasse in lachen uit; want Marius was erkend als een meester
in 't ratten maken, vooral had hij slag om de ooren goed te krijgen.
Maar de Adjunkt werd boos: "Bah, Marius! ben je nu weer bezig met
die flauwe ratten? Me dunkt, dat je nu toch te oud wordt voor zulke
kinderachtige streken."
Marius kreeg zijn zakdoek terug en begon--erg in zijn wiek
geschoten--de knoopen weer los te maken; toch moest hij nu en dan
zijn lachen verbergen; hij vond het zoo grappig zooals Abraham die
rat weggooide.
De leeraar keek op de klok. 't Uur was bijna om; hij legde zijn
dierbare veeren pennen op zij, blies den katheder schoon, knipte zijn
mes dicht en begon weer met zijn boek.
"Nu, Tolleiv!--je weet er weer niets van. Jij weet ook nooit
wat.--Jij dan, Reinier! Kun jij me nog een stad in België noemen,
behalve Brussel?--Namen is al genoemd. Nu!... meer steden, nog
meer! Jij ook niet?--neen, natuurlijk! Jelui bent allemaal één pot
nat, daar achter. Nu jij dan,--Sörensen! meer steden in België,
behalve Brussel! toe dan!---"
"'t Is tijd," meldde de concierge aan de deur.
"Ja, kijk nu! Zoo gaat het! Hier zitten we uur in uur uit en verknoeien
onzen tijd aan de luie bengels daar, die toch niet willen leeren;
voor jelui helpt niets dan een flink pak slaag, en dat zou jelui
hebben ook, als ik mijn zin kreeg."
Toen gaf hij ze gauw allemaal een vier en schreeuwde door 't spektakel
heen, dat nu in de klasse opging: "Den volgenden keer tot aan de
rivieren in Frankrijk." No. 1 zette een streepje met den nagel in
zijn boek; Abraham legde een groote vouw in 't blad; twee broers,
die samen één boek hadden, liepen onrustig rond om precies te hooren
tot hoever ze moesten leeren.
"Tot de rivieren in Frankrijk," riep Reinier en gooide met opzet een
grooten inktmop op het blad, als teeken. Toen sloeg hij zijn boek
dicht, opdat de vlek flink op 't andere blad overdrukken zou.
Kleine Marius keek met schrik en bewondering naar hem.
Van twaalf tot één werd de klasse gesplitst.
De burgerscholieren, waartoe natuurlijk de geheele achterste bank
hoorde, bleven zitten, om Engelsche les te krijgen; de gymnasiasten
namen hun boeken en trokken naar een ander gebouw.
De lagere klassen, die daar waren, gingen om twaalf uur naar huis,
zoodat de gymnasiasten in 't laatste uur een van hun lokalen in bezit
namen. Met Abraham aan 't hoofd baande de acht à tien gymnasiasten
zich een weg door 't gewriemel van de kleine jongens, die de gang in
en den trap afstroomden.
"Fi donc!" riep Abraham, toen ze eindelijk het lokaal op de tweede
verdieping bereikten, waar ze moesten wezen, "hier mag wel eens
gelucht worden nu al die stinkers hier gezeten hebben."
Alle vensters werden opengegooid en een paar "stinkers" die
zich verlaat hadden en nog rondliepen bij hun lessenaars, werden
onbarmhartig de gang in gegooid.
Bij elken jongen, die de deur uit stoof, hieven de kleinen buiten
een wild wraakgeschreeuw aan; maar de gymnasiasten letten er niet
op; zij sloten hun poorten, en de dikke Morten, die zich geduldig
"achterblijver" noemen liet--waarom was niet juist te verklaren--werd
op de wacht gezet.
Want de overmoedige stinkers, die op hun aantal vertrouwden en op de
trap, waar langs ze konden vluchten, gooiden elkaar tegen de deur en
rammelden aan den knop.
No. 1, die altijd dappere redevoeringen hield, stelde een uitval
voor van 't vereenigde leger van de gymnasiasten; maar de stemming
was niet krijgshaftig. Abraham zat op den katheder en peuterde aan
't slot; hij had zich in 't hoofd gezet, dat hij de lijst van de
stinkers wilde zien.
Maar plotseling klonken buiten luide triomfkreten. Morten,
de achterblijver, gluurde door de deur en riep toen ontzet zijn
vrienden toe:
"Help, help! Ze hebben den rattenkoning gevangen."
Abraham vloog van den katheder, en de anderen volgden hem.--No. 1
kwam achteraan.
Kleine Marius was in handen van de stinkers gevallen.
Kleine Marius gaf den gymnasiasten veel zorg; hij was niet grooter
dan een middelsoort stinker en hij wou niet groeien; daarom was hij
altijd onder bescherming.
Maar vandaag hadden ze hem vergeten, terwijl hij zijn kostbare
aanteekeningen en thema-boeken zocht. En toen hij de trap op kwam en
naar binnen wilde gaan, werd hij bij armen en beenen gegrepen door
dertig kleine, vuile handjes en van de deur weggetrokken. En nu rolde
kleine Marius heen en weer tusschen zijn vijanden, waar hij juist
zoover boven uitstak, dat men zijn groote, wanhopende oogen kon zien
en een paar dunne armpjes, die in de lucht schermden.
Maar ze stompten hem op zijn buik en knepen hem in zijn rug, trokken
hem aan haar en ooren, en gooiden hem zijn eigen boeken naar zijn
hoofd, terwijl zijn dierbare aanteekeningen en themaboeken door de
lucht stoven als losse bladen.
Aan dat spelletje werd plotseling en met geweld een eind gemaakt,
toen de gymnasiasten naar buiten stormden; de kleintjes werden op
zij gegooid en verdwenen achter deuren en langs de trappen, terwijl
de bevrijde Marius bij de gymnasiasten werd binnen gebracht. Maar
nauwelijks hadden deze hun poorten gesloten of de gang was weer
propvol van jubelende stinkers.
"Wraak!" riep Abraham.
"Ja, wraak! wraak!" herhaalde No. 1 en trok zich terug.
"Jij moet de vertoornde Achilles zijn!"
"Ja!" antwoordde kleine Marius met fonkelende oogen.
Als Marius de vertoornde Achilles was, zat hij op Abraham's schouders,
en sloeg van daar zijn doodsvijanden onbarmhartig op 't hoofd met
'n lang lineaal.
De gymnasiasten grepen naar hun wapens. Uit de lessenaars werden
de linealen gehaald; slingeraars en boogschutters voorzagen zich
van stukken krijt uit de kist bij 't bord; zelfs nam No. 1 een heel
klein lineaaltje en liep er mee te zwaaien, terwijl hij de strijders
vurig aanmoedigde--heelemaal aan 't andere eind van de kamer, achter
den katheder.
Abraham zette haastig zijn plan uiteen! zoodra de vertoornde Achilles
het sein gaf, zouden ze het krijgsgeschreeuw aanheffen.
Morten, de achterblijver, zou de poort open gooien, de boogschutters
en de slingeraars zouden een regen van pijlen en steenen uitzenden,
terwijl de ruiterij, gevolgd door de zwaar gewapende hoplieden, zich
op den vijand zouden werpen, om hun den weg naar de groote trap af
te snijden. Daarna konden ze dan op hun gemak de verspreide stinkers
vangen en ze elk afzonderlijk afmaken.
Alles was klaar; en 't was heel stil geworden in de gang. De
vertoornde Achilles steeg te paard en plotseling werd het
vervaarlijk oorlogsgeschreeuw der gymnasiasten aangeheven. Morten,
de achterblijver, rukte de poort open, een regen van projectielen
verduisterde de lucht; "astati" en "principes" rukten in volle vaart
aan, maar heel vooraan in den strijd stormde de vertoornde Achilles
op zijn paard; en zwaaide zijn geweldige lans.
Maar een stilte--plotseling--de lucht doorklievend als een
bliksemstraal uit den hemel--diep en onheilspellend als steeg ze
op uit Hades [2]--doofde het woeste wapengekletter en nagelde de
overwinnende schare der gymnasiasten aan den grond vast.
Want midden in de wijd open deur stond een kleine, dikke man, met
een dichtgeknoopte grijze jas aan, een groene muts met oorkleppen
op. Midden op zijn buik was een groote krijtvlek, die getuigde van
een welgemikten worp.
Sprakeloos staarde hij van den een naar den ander. No. 1 zat
al lang met zijn rug naar 't geheele tooneel en zijn neus in een
grammatica. De slingeraars lieten hun stukken krijt vallen, de zwaar
gewapende hoplieden hielden hun linealen op den rug; maar de vertoornde
Achilles trok de beenen op, schrompelde heelemaal in elkaar en gleed
als een aal langs den rug van Abraham naar beneden.
"Ja, ik zal jelui leeren," riep eindelijk de rector, toen hij zijn
stem weer meester was. "Ik zal jelui leeren zoo'n lawaai en zoo'n woest
spektakel te maken! Wat is dat hier? Wie heeft er meê gedaan? Dit moet
eens voorbeeldig gestraft worden! Jij Broch, deedt zeker niet meê?"
"Welneen," antwoordde No. 1 met een onschuldigen glimlach.
"Maar Marius!--Marius, jij deedt meê," riep de rector bitter, want
kleine Marius was zijn lieveling; "hoe kwam je daar toch bij? op
Abraham's rug? Wat moest je daar uitvoeren?--Nou...?"
"Ik moest de vertoornde Achilles wezen," antwoordde kleine Marius
met bevende lippen en keek op met zijn verschrikte oogen.
"Zoo moest je dat? Hum... moest jij de vertoornde Achilles wezen; ja,
daar lijk je nog al op; precies zoo heb ik hem me altijd voorgesteld."
De rector moest naar het venster gaan om zich ernstig te houden;
maar de heele klasse begreep wel, dat de storm voorbij was.
Toch stonden allen met diep berouwvolle gezichten naar het standje te
luisteren, dat de rector hun gaf, vóor hij den leeraar ging opzoeken,
die surveillance had. Want dit was duidelijk, dat zulk een wanorde
alleen ontstaan kon, doordat de surveilleerende leeraar zijn plicht
verzuimde.
En wat was het voor den leeraar Borring niet een genot en een vreugd
den rector te kunnen melden, dat Mijnheer Aalbom surveillance had en,
voor zoover hij wist, naar het Athenaeum gegaan was om de courant
te lezen.