EERSTE HOOFDSTUK.

Kleine Marius zat zoet en stil in de bank. Zijn te groote donkerbruine

oogen gaven zijn bleek gezichtje een uitdrukking alsof hij verschrikt

was; en als hem onverwacht iets gevraagd werd kreeg hij een kleur

als vuur en stotterde.

Kleine Marius zat in op éen na de achterste bank, met een wat krommen

rug; want er waren geen leuningen aan de banken en het was streng

verboden tegen den lessenaar van de volgende bank te leunen.

Zij hadden aardrijkskunde van elf tot twaalf uur op een warmen

Augustusdag na de vacantie. De zon scheen in den tuin van den rector

en op de vier groote appels aan zijn appelboompje. De blauwe gordijnen

waren voor 't eerste venster neergelaten, maar voor 't andere had

Abraham een vernuftig bedachte zonnewijzer van inktstrepen in de

vensterbank gemaakt. Hij telegrafeerde juist aan de vragers in de

klasse, dat het over halftwaalf was.

"Welke steden zijn er nog meer?" vroeg de leeraar van den katheder

en blies in een veeren pen. Hij was een specialiteit in 't snijden

daarvan; en in alle klassen, waar hij les gaf, lag een sierlijke

verzameling veeren pennen, die niemand anders dan de Rector gebruikte.

Toch had de leeraar, die Borring heette, moeite ze in orde te

houden. Want het gebeurde vaak, dat de een of andere ontaarde leerling

de pennen verzamelde in 't vrije kwartier, ze in een inktkoker stak

en er zoolang mee omroerde in 't zwarte sop, dat de punten naar alle

kanten uitstaken en de schachten vol inkt zaten.

Als dan daarna Borring in de klasse kwam en riep: "Neen maar, groote

hemel! wie heeft mijn pennen vernield?"--dan klonk het antwoord vast

en eenstemmig uit de heele klasse: "Meneer Aalbom!"

Want het was bekend, dat de Heeren Borring en Aalbom elkander haatten

met een innigen haat.

Borring schrapte de penneschachten af en blies de fijne, witte en de

van inkt doortrokken spiraaltjes van den katheder weg.

"Nog meer steden."--Hij mompelde even een zegenbede aan 't adres van

Aalbom, "meer steden! nog meer!"

Geen ander geluid werd in de klasse gehoord, want de achterste bank

moest vandaag een beurt hebben en daar antwoordde nooit iemand.

Dat wist ook iedereen; maar voor de orde kregen ze toch eens in de

maand een beurt, opdat ze hun 4 op de lijst zouden kunnen halen.

En de vier of vijf jongens, die daar zaten, zagen er ook niet uit

alsof ze er veel om gaven of ze àl of niet konden antwoorden. Daarom

was er niemand op de voorste banken, die lust had gevaar te loopen

door hun iets in te fluisteren.

Alleen hij, die juist een beurt had, zat onrustig aan zijn atlas te

friemelen, die dicht voor hem lag. Want onder 't overhooren moest

hij, die een beurt kreeg en zij, die naast hem zaten, hun atlassen

dicht slaan.

"Met een kaart vóór je is er geen kunst aan aardrijkskunde," zei

Borring.

Tegen zijn gewoonte in had hij een beetje geleerd, de lange Tolleiv;

't was over de steden in België; hij had zijn les thuis twee keer

overgelezen en eens in de school.

Maar die stilte, telkens als Borring weer gezegd had: "Meer steden,"

de heel vage herinneringen aan de Belgische steden, die na Brussel

kwamen, en het ongewone voor hem, dat hij antwoorden zou,--dat alles

snoerde hem den mond, hoewel hij heel zeker nog één stad wist;--hij

zat den naam in zich zelf te noemen, maar hij durfde zijn mond niet

open doen; misschien was 't wel heelemaal mis en zou hij als gewoonlijk

door allen worden uitgelachen; 't was maar 't best te zwijgen.

De anderen op de achterste bank wachtten kalm en onverschillig hun

lot af. 't Waren de grootste en sterkste jongens van de klasse;

zij dachten er over om naar zee te gaan en gaven geen steek om hun

rapport. Er was maar één van hen, die zijn aardrijkskunde-boek nam en

't onder de tafel hield om nog wat van de steden in België te leeren

en van wat daarop volgde.

Kleine Marius zat zoo zoet in zijn bank. Zijn groote oogen volgden

den leeraar oplettend, terwijl hij met iets onder den tafel bezig

was; het leek wel, dat hij ergens knoopen in legde en die met alle

macht aantrok.

De heele klasse was zoowat aan 't gonzen in dit warme middaguur;

ieder was met het zijne bezig. Enkelen deden niets, maar zaten met de

handen in den zak en staarden in de lucht; de een schreef Latijnsche

zinnen achter een hoop boeken; een ander had zijn hoofd op zijn arm

gelegd en sliep rustig; aan 't venster zat er een naar de vier appels

van den rector te kijken, terwijl hij er over fantaseerde hoeveel er

wel wezen zouden aan den anderen kant van den boom, dien hij niet

zien kon, en ook in hoever het te doen zou zijn over dien muur te

klimmen op een avond, dat het donker was.

Twee waren samen bezig met een groote kaart van Europa, waarop

ze schepen lieten zeilen van spaanders, die ze onder van de tafel

sneden. Er woei een vliegende zuidwesterstorm in 't Kanaal, zoodat

"Freya" en "De goede Hoop" om het noorden van Schotland heen moesten

varen, maar beneden bij Gibraltar lag de andere op den loer met een

lang half potlood, dat hij in een inktpot had gestopt en dat een

Algerijnsche zeeroover moest voorstellen.

"Meer steden, nog meer."

"Nameur," zeide Tolleiv plotseling.

De halve klasse keek verbaasd om, en in op één na de achterste bank

was er zelfs éen zoo onkiesch om zijn hoofd heelemaal onder tafel te

steken, om te zien of hij zijn aardrijkskundeboek niet op zijn knie

had liggen.

"Namen--niet Nameur," zei de leeraar knorrig en keek in het boek

vóór zich, "neen, dat komt nu nog niet. Er zijn...... laat eens

zien...... er zijn drie andere, die eerst komen. Welke zijn dat?--toe

nu! wat zijn dat voor steden?"

Maar nu had Tolleiv alles gezegd wat hij wist en hij verzonk in doffe

berusting, zonder op te letten, wanneer de leeraar in een penneschacht

blies en weer zei: "Welke steden zijn dat?"

Kleine Marius was zeker klaargekomen met zijn geheimzinnig werk onder

de tafel; want op eens gooide hij wat naar zijn buurman en verborg zijn

gezicht achter zijn handen, zoodat alleen zijn oogen er uit kwamen,

die van den een naar den ander gingen.

De buurman van Marius stuurde wat hij gekregen had weer naar zijn

buurman en zoo ging het de heele klasse rond. Enkelen lachten, anderen

namen het kalm op, alsof zij er al aan gewend waren; ze zonden het

door en gingen weer aan hun bezigheden--wat die ook waren.

Maar Abraham was bezig zijn zonnewijzer in de vensterbank te

verbeteren, en toen zijn buurman hem een blauwen prop toegooide, werd

hij knorrig. Hij kende die ratten wel, die Marius van zijn blauwen

zakdoek maakte en ze verveelden hem zóó, dat hij de rat opnam en die

door de klasse gooide zonder om te kijken.

Maar daardoor gebeurde het, dat de zakdoek van Marius in Spanje

neerkwam en den roover met de koopvaardijschepen op den grond sleepte,

terwijl de twee, die midden in een spannenden strijd voor Gibraltar

waren, opsprongen van hun bank.

Vergif: Een Roman uit het Noorsch · 第 5 / 24 题