EEN DRANK UIT DE POOLSTREKEN

Door Jack London.

Thomas Steven's waarheidsliefde mag niet te doorgronden zijn en zijn

verbeeldingskracht die van gewone menschen tot de macht maar het

moet gezegd worden dat hij nooit iets vertelde dat gebrandmerkt kon

worden als een besliste leugen ... Hij kan met de waarschijnlijkheid

gespeeld hebben en zich bewogen hebben op de grens van het mogelijke,

maar in geen van zijne verhalen piepte de machine. Dat hij de

Poolstreken kende als een boek, zal niemand ontkennen. Dat hij een

groot reiziger was en onnoemelijk veel onbekende tochten had gemaakt,

konden velen bevestigen. Buiten hetgeen ik persoonlijk van hem wist,

kende ik mannen die hem overal hadden ontmoet, maar meestal in het

hooge verlaten Noorden.

Daar was Johnson, de agent van de Hudsonbaai maatschappij, die

hem gehuisvest had in een factorij in Labrador tot zijne honden op

kracht waren gekomen en hij weer in staat was verder te trekken. Dan

Mc. Mahon, agent van de Alaska Handel maatschappij, die hem ontmoet had

in Dutch haven en later tusschen de Alentian eilanden groep. Het was

buiten twijfel dat hij als gids gediend had bij de eerste expedities

uitgerust door de Vereenigde Staten en de geschiedenis bevestigt dat

hij in een zelfde hoedanigheid de Western Union diende bij de poging

om door Trans Alaska en Siberië een telegraaflijn aan te leggen naar

Europa. Verder was er Joe Lamson, de walvischvaarder, die toen hij

met zijn schip in de mond van de Mackenzie rivier vastgevroren zat,

een bezoek van Stevens kreeg op zoek naar tabak.

Dit laatste bewijst de identiteit van Thomas Stevens afdoende. Zijn

zoeken naar tabak was eeuwigdurend en onvermoeid. Voor we goed met

elkaar bekend raakten leerde ik reeds hem te verwelkomen met de eene

hand en hem mijn tabakszak te geven met de andere. Maar de avond dat

ik hem ontmoette in de kroeg van John O'brien te Dawson had hij zich

gehuld in een wolk rook van een vijftig dollarcent sigaar, en in plaats

van mijn tabakszak vroeg hij om mijn zak met stofgoud. We stonden

bij een faro tafel en onmiddellijk wierp hij de zak op de hoogste

kaart. "Vijftig" zei hij en de croupier knikte. De hoogste kaart werd

gekeerd en hij gaf me mijn zak terug en trok me naar de weegschaal,

waar de weger hem onverschillig vijftig dollar in stofgoud uitwoog.

"En nu geef ik een rondje," zei hij en later bij den toonbank terwijl

hij zijn glas neerzette. "Dit doet me denken aan een brouwsel dat ik in

Tarratat maakte. Neen, je weet niet waar dat is en 't staat ook niet

op de kaart. Maar 't is aan de kust van de Gazee, niet meer dan een

paar honderd mijl van het Amerikaansche grensgebied en daar wonen een

paar honderd ongeloovige zielen, die onder elkaar trouwen en tusschen

beiden doodgaan. Ontdekkingsreizigers hebben ze vergeten en je zult

ze ook niet vinden in de volkstelling van 1890. Een walvischvaarder

leed daar eens schipbreuk doch de bemanning die over het ijs het land

bereikte trok naar het zuiden en liet nooit weer iets van zich hooren.

"Maar 't was een heerlijke drank die wij daar maakten Moosu en ik,"

voegde hij er even later met een zucht bij.

Ik wist dat er groote daden achter die zucht verborgen waren en daarom

trok ik hem in een hoek tusschen een roulet tafel en een pokerpartijtje

en wachtte tot zijn tong zou ontdooien.

"Een ding had ik tegen Moosu," begon hij, zijn hoofd meewarig

schuddend, "een ding en ook slechts een. Hij was een Indiaan uit

Chippeway, maar het beroerde was dat hij wel eens gehoord had van de

"Schrift". Hij was een kampgenoot geweest met een Fransch Canadeesche

afvallige die theologie gestudeerd had. Moosu had nooit christelijkheid

in de praktijk gezien en zijn hoofd was volgestampt met mirakels,

gevechten en biechten en van alles waarvan hij niets begreep. Voor de

rest was hij van een goed soort, handig onderweg of bij het kampvuur.

"We hadden een zwaren tijd achter den rug en waren er slecht aan

toe, en uitgeput toen we Tarratat aandeden. We hadden onze geheele

uitrusting met honden en al in een sneeuwstorm verloren, onze magen

kleefden aan onze ruggegraat en onze kleeren hingen als vodden aan ons

lijf, toen we het dorp binnen strompelden. Ze waren niet erg verwonderd

ons te zien van wege de bemanning van den walvischvaarder--en gaven

ons de beroerdste hut in het dorp om in te verblijven, en de slechtste

restjes om van te leven. Wat me direkt opviel was dat ze ons geheel

aan ons zelf overlieten. Maar Moosu legde het me uit. Hij zei dat de

medicijnman jaloersch was en dat hij zijn volk den raad had gegeven

zich niet met ons in te laten. Van het weinige dat hij vroeger van

de zeelui gezien had, had hij geleerd dat wij van een sterker en

ontwikkelder ras waren dan hij zelf.

"Deze menschen hebben een wet" zei Moosu, "die vleesch wil eten

moet jagen. Wij zijn onbekend, meester, met de wapens van dit land;

wij kunnen geen boog spannen noch een speer werpen zooals zij dat

kunnen. Daarom hebben de medicijnman en Tummasook, het opperhoofd, de

koppen bij elkaar gestoken en zij hebben uitgemaakt dat wij de vrouwen

en kinderen zullen helpen in het binnensleepen van het gejaagde vleesch

en in het voorzien van de jagers van alles wat ze noodig hebben."

"En dit is onrechtvaardig," antwoordde ik, "want wij zijn betere

menschen, Moosu, dan deze lui, die in onwetendheid leven. Bovendien

moeten we uitrusten en aansterken want de weg naar het Zuiden is lang

en op dien weg kunnen zwakkelingen niet voortkomen." "Maar wij hebben

niets," merkte hij op terwijl hij rondkeek langs de verrotte wanden

van de hut, de viese lucht van het oude walrusvleesch met hetwelk

we ons maal hadden gedaan nog in zijn neus. "En op dit eten kunnen

we niet leven. We hebben niets dan de flesch met cognac dat ons niet

vullen kan, dus moeten we ons wel buigen onder het juk en houthakkers

en waterdragers worden. En er zijn hier goede dingen waarvan we niets

krijgen. Ja, meester, mijn neus heeft me nooit bedrogen en ik heb

hem gevolgd naar geheime bergplaatsen en tusschen de balen bont in

de hutten. Goeden voorraad bemachtigden de menschen hier van de arme

walvischvaarders en die heele voorraad is slechts verdeeld onder een

paar menschen. De vrouw Itukuk, die aan 't eind van het dorp woont

naast de hut van het opperhoofd heeft veel meel en suiker en ik heb

gezien dat ze haar gezicht had ingesmeerd met stroop. En in de hut

van het opperhoofd Tummasook is thee. En de medicijnman heeft twee

kisten tabak. En wat hebben wij? Niets! Niets!"

Maar ik was sprakeloos door wat hij zei over tabak en antwoordde niet.

Doch Moosu begon uit zich zelf op nieuw.

"En daar is Fukeliketa, de dochter van een groot jager, een welgesteld

man. Een aardig meisje, ja een heel lief meisje. Dien nacht lag ik te

peinzen terwijl Moosu snorkte, want ik kon de gedachte niet verdragen

dat de tabak zoo dicht bij was en ik ze toch niet kon rooken. Het was

waar, wat Moosu gezegd had, wij bezaten niets. Maar het werd me helder

en toen het morgen was zei ik tegen hem: "Ga, zooals je dat kunt,

stilletjes het dorp in en breng een been voor me mee, gebogen als de

hals van een gans en hol. Loop kalm rond maar kijk goed uit waar de

potten en pannen en 't kookgerei opgeborgen is. En onthoudt dat ik

het verstand heb van het blanke ras en doe wat ik je bevolen heb."

"Toen hij weg was plaatste ik de lamp met walvisch-olie in 't midden

van de hut en legde de slaapdekens in een hoek om meer ruimte te

hebben. Daarna maakte ik den loop van zijn geweer los en legde het bij

de hand. Voorts maakte ik kaarspitten van het katoen dat de vrouwen

uit het dorp sponnen. Toen hij terug kwam, had hij het been bij zich

en vertelde mij dat in de hut van Tummassook een groote oliekan en

een grooten koperen ketel stond. Daarop gaf ik hem een pluimpje en

zei dat we den nacht af moesten wachten.

"Het opperhoofd heeft een koperen ketel en een oliekan" zei ik,

terwijl ik Moosu een grooten steen in de hand gaf. "Het dorp is in

rust en het is donker. Kruip nu stil in de hut van het opperhoofd

en sla hem zoo hard je kunt met den steen op zijn maag. En moge de

gedachte aan het vleesch en al het goede voedsel dat ons in volgende

dagen wacht je kracht geven. Er zal een groote opschudding zijn en

het dorp zal op stelten staan. Maar wees niet bang en zorg dat je

niet ontdekt wordt. En als de vrouw Ipsukuk, dat is de vrouw die haar

gezicht met stroop insmeert, in je buurt komt, sla dan haar ook en

doe dat bij allen die provisie hebben. Dan moet je zelf gaan gillen

van pijn en kermend op den grond vallen ten teeken dat ook jij door

de nachtmerrie bezocht bent. En op die manier zullen wij in het bezit

komen van al de provisies en van de tabak en jij van Tukeliketa dat

zoo'n lief meisje is."

"Toen hij vertrokken was wachtte ik geduldig in de hut en de tabak was

al dicht onder mijn bereik. Plotseling klonk een gejammer en gehuil

door de lucht. Ik nam mijn flesch cognac en rende naar buiten. Er was

een verbazend tumult en een vreeselijk gejammer onder de vrouwen en de

schrik was ieder om het lijf geslagen. Tummassook en de vrouw Ipsukuk

rolden op den grond van pijn en behalve die twee nog verschillende

anderen waaronder Moosu. Ik duwde ieder op zij die in den weg kwam en

bracht den hals van de flesch aan de lippen van Moosu. En direkt was

hij beter en staakte zijn gejammer, waarop iedereen direkt om de flesch

begon te schreeuwen. Maar ik begon eerst te onderhandelen en voor zij

proefden had ik Tummassook zijn ketel en kan afhandig gemaakt en had

ik Ipsukuk beroofd van haar suiker en stroop en de andere lijdenden

van een goed deel van hun meel. De medicijnman gluurde valsch naar het

volk rond mij, hoewel hij zijn verbazing moeilijk verbergen kon. Maar

ik hield het hoofd hoog en Moosu grinnikte stiekum terwijl hij me

naar onze hut volgde.

Daar zette ik mij aan het werk. In de koperen ketel van Tummassook

mengde ik drie liter meel met vijf liter stroop en hierbij voegde

ik twintig liter water. Vervolgens plaatste ik de ketel bij de lamp,

om het op te lossen en te laten trekken. Moosu begon te begrijpen en

zei dat mijn wijsheid alle begrip te boven ging, dat ze grooter was

dan die van Salomon, die een wijs man moest zijn geweest. De oliekan

zette ik boven de lamp en aan zijn tuit bevestigde ik het kromme

been. Ik zond Moosu op zoek naar ijs, terwijl ik de loop van het

geweer verbond met het been, in 't midden van den loop stapelde ik

het ijs dat Moosu gehaald had en aan 't eind van den loop plaatste

ik een kleine ijzeren pot. Toen het brouwsel sterk genoeg was en

dat duurde twee volle dagen, vulde ik de oliekan ermee en stak de

kaarspitten aan. Toen alles gereed was, zei ik tot Moosu: "Ga naar

het opperhoofd en zend hem mijne groeten en vraag hem in mijn hut

met mij en de Goden den nacht te komen doorbrengen.

Het brouwsel was gezellig aan het pruttelen toen zij naar binnen

kropen en ik hoopte maar steeds ijs om de loop. Uit het ondereind

druppelde langzaam de drank in de ijzeren pot. Maar ze hadden het

nooit gezien en grinnikten zenuwachtig toen ik begon te vertellen

van de goede eigenschappen van den drank. Terwijl ik praatte zag ik

den jaloerschen blik in de oogen van den medicijnman en daarom zette

ik hem toen ik gereed was naast Tummassook en Ipsukuk. Daarna gaf

ik hun te drinken en hunne oogen schoten vol tranen en hunne magen

verwarmden, tot ze ten laatste niet meer bang waren doch gretig om

meer vroegen. En toen ik ze goed aan den gang had, wendde ik me tot

de anderen. Tummassook begon op te snijden over een ijsbeer die hij

eens gedood had en in het vuur van zijn verhaal sloeg hij bijna zijn

oom dood. Maar niemand lette daarop. De vrouw Ipsukuk begon te huilen

om een zoon lang geleden in het ijs verloren en de medicijnman sloeg

aan het voorspellen en waarzeggen. Zoo ging het voort en voor den

morgen lagen ze allemaal op den grond, vast in slaap met de Goden.

Het verhaal vertelt zichzelf, nietwaar? Het nieuws van den tooverdrank

verspreidde zich spoedig. Het was te grootsch voor woorden. De tong

kon slechts een tiende verhalen van de mirakels die het te weeg

bracht. Het stilde pijn, verzachtte verdriet, riep oude herinneringen

doode gezichten en vergeten droomen terug. Het was een vuur dat door

het bloed kookte en toch niet brandde.

Het sterkte het hart en maakten de gebruikers bovenmenschelijke

wezens. Het openbaarde de toekomst en gaf visioenen. Het was doorkneed

van wijsheid en openbaarde geheimen. Er was geen eind aan alles wat

het kon doen en het duurde dan ook niet lang of iedereen smeekte er

om te mogen slapen met de Goden. Zij droegen hun warmste bont aan,

hunne sterkste honden, hun lekkerste vleesch; maar ik verkocht de

drank in kleine hoeveelheden, en slechts zij kregen ervan die meel,

stroop en suiker brachten. En zoo'n toevloed ervan kwam binnen dat

ik Moosu order gaf een schuur te bouwen om alles in te bergen want

er was spoedig geen plaats meer in de hut. Er gingen geen drie dagen

voorbij of Tummassook was bankroet. De medicijnman die er voor gezorgd

had dat hij na den eersten nacht nooit meer dan half dronken werd,

hield me goed in de gaten en hield dit een week lang vol. Maar na

tien dagen had ook de vrouw Ipsukuk haar provisie uitgeput en ging

verzwakt en wankelend naar haar hut.

Moosu echter klaagde: "O, meester," zei hij, we zijn nu in 't bezit van

stroop en meel en suiker, doch onze hut is er niet beter op geworden,

onze kleeren zijn dun en onze slaapdekens uitgerafeld. Mijn maag roept

om vleesch en om thee zooals Tummassook drinkt en ik verlang zoo naar

de tabak van Neewak, den medicijnman die plannen smeedt om ons te

vernietigen. Ik heb meel om ziek van te worden en suiker en stroop

in overvloed maar het hart van Moosu is bedroefd en zijn bed leeg."

"Zwijg!" antwoordde ik, "jij bent een stommeling en een idioot. Houdt

je bedaard en wacht en we krijgen alles, want als je niet wachten

kunt krijgen we weinig en loopt ten slotte alles mis. Jij bent een

kind in de wijsheid der blanken. Houdt je mond en kijk uit en ik zal

je laten zien hoe mijn rasgenooten doen, en hoe ze zich daarmee rijk

maken. Dat noemen zij "zaken doen" en wat weet jij van zaken?"

Doch den volgenden dag kwam hij buiten adem binnen: "O, meester,

in de hut van den medicijnman zijn vreemde dingen gebeurd; we zijn

verloren en we hebben nog geen warme kleeren noch tabak en dat komt

door uw begeerigheid naar meel en stroop. Ga zelf kijken terwijl ik

bij de kokerij blijf."

Zoo ging ik naar de hut van Neewak, en werkelijk, hij had zelf ook

een brouwerij gemaakt, mooi nagemaakt naar de mijne. En toen hij me

zag kon hij zijn vreugde moeilijk verbergen. Want hij was een slimmerd

en zijn slaap met de goden in mijn hut was niet diep geweest.

Ik was echter niet van mijn stuk gebracht, want ik wist wat ik wist en

toen ik terug was in mijn hut zei ik tegen Moosu: "Gelukkig bestaat

onder dit volk het eigendomsrecht hoewel zij spaarzaam gezegend zijn

met menschelijke instellingen. En door deze achting voor persoonlijk

eigendom zullen jij en ik dik worden en verder zullen we hun kennis

laten maken met nieuwe instellingen die andere volken met groote

toewijding en lijden uitgewerkt hebben."

Doch Moosu snapte het maar half, tot de medicijnman de hut binnenkwam

met bliksemende oogen en met een dreigende stem me vroeg met hem

te onderhandelen.

"Want zie je," riep hij, "er is geen meel en stroop meer in het heele

dorp. Alles heb je met schrapende hand van mijn volk afgetrocheld, die

met de goden hebben geslapen en die nu niets meer hebben dan een zwaar

hoofd en zwakke knieën en een dorst die ze niet kunnen lesschen. Dit

is niet goed en ik ben machtig onder hen; daarom is het je geraden

met mij te handelen, evenals je met hun hebt gedaan om meel en stroop.

En ik antwoordde: "Dit is goede praat en je bent een wijs man. Wij

zullen zaken doen. Voor dit beetje meel en stroop krijg ik twee

pakken tabak."

Moosu kreunde en toen de koop gesloten was en de medicijnman

vertrokken, barstte hij los:

"Ziet u wel, door uw gekheid zijn we nu verloren! Neewak maakt uw drank

nu zelf en als de tijd daar is zal hij zijn volk gelasten slechts van

zijn drank te drinken. En zoo worden wij uitgeschakeld en wordt onze

drank waardeloos en blijft onze hut armoedig, het bed van Moosu koud

en leeg!

En ik antwoordde: "Bij God kerel je bent een stommeling en je vader

voor jou en je kinderen na jou, tot de laatste generatie. Jouw

wijsheid is erger dan heelemaal geen en je oogen blind voor zaken

doen, van welke ik sprak en van welke je niets weet. Ga zoon van

duizend idioten en drink van den drank die Neeman brouwt in zijn hut

en dank de Goden dat de wijsheid van een blanke maakt dat je op een

zacht bed zult kunnen slapen. Ga! en wanneer je geproefd hebt kom dan

terug, kom met den smaak van het goed op je tong opdat ik weet wat het

is. En twee dagen later zond Neewa invitaties rond om in zijn hut te

komen. Moosu ging, doch ik bleef achter, de hut vol rook van de tabak

van den medicijnman; want de zaken waren slap dien avond en niemand

kwam in mijn hut behalve Angeit een jeugdig jager die vertrouwen

in mij had. Later op den avond kwam Moosu terug, zijn stem dik van

't grinneken en zijn oogen stralend van pleizier. "U is een groot

man!" zei hij, "een groot man meester en dank zij uw grootheid zult u

Moosu uw dienaar niet hard vallen, die dikwijls twijfelt en die niet

begrijpen kan."

"En waarom dat? vroeg ik. "Heb je te veel gedronken? En slapen ze

vast in de hut van Neewak, de medicijnman?"

"Neen, ze zijn boos en opgeblazen en het opperhoofd Tummassook

heeft Neewak bijna gekeeld en bij het gebeente van zijn voorzaten

gezworen hem niet weer aan te kijken. Want hoort! Ik ging naar de

hut en het brouwsel pruttelde en borrelde en de stoom kwam uit de

tuit als de stoom van uw brouwsel en evenals bij u kwam onder uit

de pijp vloeistof en werd opgevangen in een pot. En Neewak liet ons

drinken en brr, het was niet als uw drank want het beet niet op de

tong noch prikkelde de oogen, want het was water. Zoo dronken we,

en we dronken te veel en toch zaten we met koude harten. En Neewak

was verstomd en een donkere wolk kwam over zijn gezicht. En hij nam

Tummassook en Ipsukuk terzijde en verzocht hun te drinken, als maar

te drinken. En zij dronken en dronken en dronken doch ze bleven stil,

tot Tummassook woedend opstond en zijn bont en thee terug eischte,

die hij vooruit had betaald. En Ipsukuk verhief schril en boos haar

stem en iedereen vroeg zijne goederen terug.

"Hondsvot denk je dat ik een walvisch ben?" vroeg Tummassook, het

vel voor de ingang van de hut op zij schuivend, zijn gezicht blauw

van ingehouden toorn. "Waarom heb je me als een vischblaas gevuld met

water tot barstens toe, totdat ik bijna niet meer loopen kan door het

gewicht dat ik in me heb. Ik heb gedronken als nooit te voren en toch

is mijn oog helder, mijne beenen sterk, mijn hand vast."

"De medicijnman kan ons niet met de Goden laten slapen" klaagde het

volk dat op dit oogenblik onze hut binnen kwam, "slechts in uw hut

kan dat gebeuren."

Ik lachte in mijn vuistje op dit bericht en deelde drank uit en maakte

mijne gasten vroolijk. Want in het meel dat ik Neewak verhandeld had,

mengde ik een goede dosis soda, die ik van de vrouw Ipsukuk gekregen

had. Hoe kon dan ook zijn brouwsel verhitten. terwijl de soda de

drank verzachte? Of hoe kon zijn drank wijndrank zijn als het niet

kon gisten?

Hierna werden we overladen met allerlei provisie. We hadden een

ontelbare hoeveelheid vellen, al de thee van het opperhoofd en een

geweldige hoeveelheid vleesch. Eens op een dag verhaalde Moosu ten

mijnen behoeve de geschiedenis van Josef in Egypte, maar dat bracht

mij op een idée en spoedig was de halve bevolking druk aan 't werk om

vleeschkisten voor me te maken. En van al hun jachtbuit kreeg ik het

leeuwenaandeel en dat pakte ik in. Maar Moosu zat ook niet stil. Hij

maakte een spel kaarten uit boombast en leerde Neewak pandoeren. Ook

den vader van Tukelikete wijdde hij in. En op een goeden dag trouwde

hij haar en den volgenden dag trok hij in de hut van den medicijnman,

de mooiste hut van het dorp. De val van Neewak was volkomen, want

hij verloor alles wat hij bezat, zijne trommels van walrusvel,

zijne toovermiddelen, alles. En op het laatst werd hij houthakker en

waterdrager voor Moosu.

En Moosu maakte zich zelf tot medicijnman en hoogepriester en uit

zijn "Heilige Schrift" schiep hij nieuwe Goden en liet hij voor dezen

nieuwe altaren bouwen.

Ik vond het uitstekend want het leek mij goed dat kerk en staat hand

in hand gingen, en ik had zekere plannen betreffende den staat. Alles

ging zooals ik had gedacht. Het goede humeur en lachende gezichten

waren uit het dorp verdwenen.

De menschen werden ontevreden en lui. Den ganschen dag en nacht werd

er gevochten en gekibbeld. De kaarten van Moosu werden nagemaakt en

de jagers begonnen onder elkaar te kaarten.

Tummassook ranselde zijn vrouw af en op zijn beurt deed zijn zwager het

hem en maakte het opperhoofd voor zijn volk tot schande. Natuurlijk

kwam er door al de uitspattingen niets van den jacht en er ontstond

hongersnood. De nachten waren lang en donker en zonder vleesch

konden ze geen drank koopen, en daarom begonnen de menschen over hun

opperhoofd te mopperen. Hierom was het mij te doen geweest en toen ze

hongerig genoeg waren, riep ik het volk bijeen, hield een lange rede,

poseerde als weldoener en gaf de uitgehongerden te eten.

Moosu hield ook een toespraak en door het verstrekken van voedsel

werd ik tot opperhoofd uitgeroepen. Moosu die het hoofd van de kerk

was doopte mij met vischtraan en daarna schonk ik drank uit en er

werd gefeest tot laat in den nacht.

"Zoo zie je, dat ik op een troon heb gezeten, den purperen mantel heb

gedragen en geregeerd heb over een volk. En nog zou ik koning zijn,

als de tabak niet was op geraakt en als Moosu een grooter domoor en een

minder groote schavuit was geweest. Want hij had een oogje op Esanetuk,

de oudste dochter van Tummassook, en ik weigerde mijn toestemming.

"O, broeder," zei hij, "je sprak over een plan om nieuwe instellingen

in te voeren onder het volk en ik heb geluisterd en ben wijzer

geworden door uwe woorden. Gij regeert bij de gratie Gods en bij de

gratie Gods zal ik trouwen."

Het viel me op dat hij me met "broeder" aansprak en dat maakte me

boos en daarom bleef ik op mijn stuk staan. Maar hij beriep zich op

het volk, hield drie dagen achtereen godsdienstoefeningen waarbij de

geheele bevolking tegenwoordig was en daarna, na een dialoog met God,

voerde hij polygamie in bij enkel besluit. Maar hij was een slimmerd

want hij regelde het aantal vrouwen, die iemand bezitten mocht,

naar den rijkdom, aangezien hij boven alle anderen gezegend was met

goederen. Ik kon niet anders dan hem bewonderen hoewel het duidelijk

was dat zijn macht hem het hoofd op hol had gebracht en hij was dan

ook niet tevreden voor alle macht en alle rijkdom in zijn handen waren.

Hij zwelde op van trotsch, vergat dat ik hem in zijn positie had

gebracht en maakte toebereidselen om mij van mijn troon te stooten. Nu

trok ik, door mijn drankverkoop een goed inkomen in vleesch en andere

provisie, waarin ik hem niet meer liet deelen. Maar hij wist raad en

kwam op zekeren dag aan met een belasting op het bezit en op alles

waarvan hij maar ooit in zijn leven had gehoord. Ook dit duldde ik

zonder tegenspreken, maar toen hij een inkomstenbelasting wilde gaan

invoeren protesteerde ik omdat ik wel begreep wat zijn bedoeling

was. Daarop riep hij het volk bijeen om te beslissen, en deze uit

afgunst op mijn groot inkomen en zelf reeds zoo zwaar belast gaven

hem gelijk.

"Waarom zouden wij betalen en gij niet?" riepen zij. Spreekt niet

de stem van God door Moosu, de opperpriester? Ik moest toegeven maar

tegelijkertijd verhoogde ik de prijs van den drank en daarop verhoogde

hij de inkomstenbelasting.

Van dit oogenblik af was het openlijk tot oorlog gekomen. Ik stookte

Neewak en Tummassook op, hun wijzende op hunne traditioneele rechten,

doch Moosu won hun aan zijn zijde door het priesterschap af te

kondigen waarbij hij aan de twee hooge ambten gaf. Alles ging voor hem

gemakkelijk en daar schuilde mijn fout, ik had opperpriester moeten

worden en hem opperhoofd laten worden; doch ik zag liet te laat in

en in den twist tusschen geestelijke en wereldrijke macht moest ik

het onderspit delven. Er brak twist en tweedracht uit doch deze was

spoedig beslecht, het volk herinnerde zich dat Moosu mij op den troon

had gezet en het was hun duidelijk dat de oorsprong van mijn macht

lag niet bij mij, doch bij Moosu. Slechts enkelen bleven mij trouw,

van welke Angeit de voornaamste was; terwijl Moozu de grootste aanhang

had en bovendien praatjes rond strooide dat ik van plan was hem zijn

macht te ontnemen en met niet echte Goden een nieuwe godsdienst wilde

stichten. En hierin was de slimme schavuit me voor, want het was

werkelijk mijne bedoeling mijn wereldlijke macht eraan te geven en

geest tegen geest de zaak te doen uitmaken. Daarom maakte hij het volk

bang met de boosaardigheid van mijne goden, waarvan de God Biz-e-Nass

de voornaamste was en sloeg me mijn heele plan uit de handen.

Nu gebeurde het dat ik me aangetrokken gevoelde tot Klutktu,

de jongste dochter van Tummassook en ik was haar ook niet geheel

onverschillig. Daarom begon ik te onderhandelen doch het gewezen

opperhoofd weigerde botweg, nadat ik de koopsom betaald had en vertelde

me dat hij haar hield voor Moosu. Dit was te bar en ik had het plan

naar zijn hut te gaan en hem af te ranselen toen ik me herinnerde

dat mijn tabak haast op was en daarom nam ik de zaak lachend op. Den

volgenden dag hield Moosu een rede en vertelde het mirakel van het

brood en de visch, doch ik begreep dat zijn geheele toespraak sloeg

op het vleesch dat in mijne kisten gepakt was. Ook het volk begreep

zijn bedoeling en daar hij hun niet beval op jacht te gaan, bleven

de meesten thuis en slechts een paar cariboes en ander wild werden

binnen gebracht.

Maar ik had ook een plan, daar ik bemerkte dat niet alleen de tabak

doch ook het meel en de stroop bijna op waren. Bovendien rekende ik

het tot mijn plicht om de wijsheid van het blanke ras te toonen en

Moosu een gevoelige les te geven, die opgeblazen was van de macht

die ik hem gegeven had. Dien nacht ging ik naar de vleeschkisten

en werkte hard en het viel den volgenden dag op dat de honden van

het dorp erg lui en slaperig waren. Niemand koesterde argwaan en zoo

werkte ik elken nacht, de honden werden vetter en vetter en het volk

steeds magerder. Zij begonnen te mopperen en vroegen de vervulling

van hetgeen Moosu voorspeld had, maar Moosu suste hun en wachtte tot

hun honger nog grooter zou zijn, daar hij geen flauw vermoeden had

van de kool die ik bezig was hem te stoven.

Toen alles op was zond ik Angeit en mijn andere getrouwen, die ik in

't geheim steeds te eten had gegeven rond om een vergadering bijeen te

roepen. Het volk kwam voor mijn hut, waarachter de hoog opgestapelde

kisten vleesch zichtbaar waren. Moosu kwam ook en nam plaats tegenover

mij, begrijpende dat ik iets wilde uithalen doch vast besloten mij

te overwinnen. Doch ik stond op en begroette hem ten aanschouwen van

het geheele volk.

"O, Moosu, gij, die door God gezegend zijt," begon ik, "zult wel

verwonderd zijn dat ik het volk hier te zamen heb geroepen en zonder

twijfel zult gij scherpe woorden van mij verwachten. Maar dat zal

niet zoo zijn. Er is gezegd dat zij welke de Goden vernietigen willen

eerst gek gemaakt worden. En ik ben gek gemaakt. Ik heb u trachten te

weerstaan, geschimpt op uwe macht en allerlei slechtheden begaan. Doch

van nacht had ik een visioen en ik heb ingezien hoe slecht en verkeerd

ik deed. En gij stondt daar als een schitterende ster en in mijn

hart erkende ik uw grootheid. Ik zag alles duidelijk. Ik wist dat

wanneer gij sprak, God toeluisterde. En ik besefte dat welke goede

daden ik ook verricht heb, ik deze verrichtte bij de gratie van God

en de gratie van Moosu.

"Ja, kinderen," riep ik, mij tot het volk wendend, "wat ik goed gedaan

heb, dat deed ik op raad van Moosu. Als ik naar hem luisterde ging

alles voorspoedig, wanneer ik mijne ooren sloot en mijn eigen zin

deed ging alles verkeerd. Hij was het die me den raad gaf vleesch

op te slaan en, in tijden van honger, de hongerigen voedde. Bij de

gratie van hem werd ik tot opperhoofd uitverkoren. En wat deed ik

als opperhoofd? Laat ik het u vertellen. Ik deed niets. De macht had

me in de war gebracht, en ik vond mezelf grooter dan Moosu en daar

heb ik nu berouw van. Mijn regeeren was verkeerd en de Goden zijn

boos. Gij allen vergaat van de honger, de moeders hebben geen melk,

en de kleine kinderen jammeren den geheelen nacht. En ik, die me

tegen Moosu heb gekeerd, weet niet hoe aan voedsel te komen."

Het volk knikte en lachte en stak hunne hoofden bij elkaar en ik

begreep dat ze fluisterden over het verhaal van het brood en de

visch. Daarom ging ik vlug voort: "Ik zag mijn onwijsheid in en de

wijsheid van Moosu. Ik zag mijn onbekwaamheid en de bekwaamheid van

Moosu. En daarom beken ik, nu ik niet meer gek ben, dat ik geheel

verkeerd gehandeld heb. Ik sloeg ongerechte blikken op Kluktu en zij

was bestemd voor Moosu. En is ze niet van mij, daar ik toch Tummassook

de koopsom betaalde? Maar ik ben haar onwaardig en zij zal gaan van

de hut van haar vader naar de hut van Moosu. Kan de maan schijnen in

het schijnsel van de zon? Doch Tummassook kan zijne goederen behouden

en zij zal een gift zijn aan Moosu, die door de Goden als haar Heer

bestemd is.

En omdat ik mijn rijkdom verkeerd heb gebruikt, en als boetedoening

geef ik de oliekan aan Moosu en ook de koperen ketel en de

geweerloop. Dan kan ik geen bezittingen meer naar me toehalen en als ge

behoefte hebt aan drank zal hij het je geven en je niet bestelen. Want

hij is een groot man en God spreekt door zijn mond. Mijn hart is week

en ik heb mijn berouw erkend. Ik, die een ezel ben en de zoon van

ezels; ik, die de slaaf ben van de slechte God Biz-e-Nass; ik, die

uwe hongerige leege magen zie en niet weet hoe ze te vullen, waarom

zal ik uw opperhoofd zijn en me boven u verheffen en regeeren tot uwe

vernietiging? Waarom zou ik dat doen? Maar Moosu, die opperpriester

is en die wijzer is dan wie ook, is zoo geschapen dat hij met zachte

rechtvaardige hand kan regeeren. En omdat de dingen gebeurd zijn als

ik heb gezegd, doe ik afstand van den troon ten behoeve van Moosu

die alleen weet hoe u te voeden terwijl er geen vleesch is in het land.

Hierop was er een uitbundig handgeklap en het volk riep: "Kloshe,

kloshe!" dat goed beteekent. Ik had de verbazing gezien in de oogen

van Moosu, want hij begreep er niets van en vreesde de wijsheid van

den blanke.

Ik had al zijne wenschen voorkomen en zelfs meer, en terwijl ik daar

stond, me zelf ontdaan van alle macht, begreep hij dat hij het volk

niet tegen me op moest hitsen.

Voor zij uit elkaar gingen zei ik dat, terwijl het brouwtoestel

voor Moosu was, alle beschikbare drank door mij aan het volk werd

gegeven. Moosu trachtte dit te voorkomen want nooit hadden wij

toegestaan dat er meer dan een handje vol tegelijk dronken waren,

doch zij riepen: "Kloshe, kloshe!" en begonnen feest te vieren voor

mijn deur. En terwijl ze buiten luidruchtig werden van den drank die

naar hun hoofd steeg, hield ik binnen krijgsraad met Angeit en de

andere getrouwen. Ik zei hun wat ze te doen hadden en zegde hun voor

wat ze moesten vertellen. Daarna pakte ik ongemerkt mijne biezen en

bleef op een afgesproken plaats in het bosch wachten waar reeds twee

goed beladen sleden, met de beste honden bespannen, gereed stonden.

De lente was op komst en dus was het de beste tijd om naar het

zuiden te trekken. Bovendien was de tabak op. Daar wachtte ik, want

ik had niets te vreezen. Mochten ze me vervolgen, dan waren toch

hunne honden te vet om me in te halen en zij zelf te zwak. Dronken

als ze waren, konden ze ook niet hard vooruit komen. Eerst kwam een

boodschapper vertellen dat er eene groote opschudding in het dorp was

en dat niemand wist wat hij deed. Allen waren dronken en er was aan

vechten geen gebrek. De tweede berichtte dat hij, zooals ik bevolen

had, de menschen herinnerd had aan de goede tijd van vroeger. Vrouw

Ipsukuk beweent haar verloren rijkdom en Tummassook verbeeldt zich

weer opperhoofd te zijn en het volk is hongerig en trekt woedend rond.

De derde vertelde dat Neewak het altaar van Moosu tegen den grond had

gegooid en een godsdienstoefening ging houden voor de vroeger geëerde

goden. En het heele volk herinnert zich de overvloed van vroeger. Eerst

vocht Esauetuk met Kluktu en daarna beide tegen Tukeliketa, en toen

vielen de drie vrouwen samen Moosu aan en gooiden hem uit zijn eigen

hut waarop hij door het volk bespot werd omdat hij zijne vrouwen niet

baas kon.

Tenlaatste kwam Angeit vertellen dat Moosu in het nauw zat. Ze

begonnen met om eten te roepen en vroegen de vervulling van zijn

voorspelling hun vleesch te geven. Daarom verzocht hij stilte en

bracht de hongerigen bij uwe vleeschkisten. En hij verzocht te kisten

te openen en het vleesch rond te deelen. Maar och, alle kisten waren

leeg. Er was geen vleesch. Zij stonden sprakeloos daar het volk bang

was en in de stilte sprak ik "Moosu waar is het vleesch? We weten dat

er vleesch was. Hebben wij het wild niet zelf geschoten en het vleesch

hier naar toe gesleept. En niemand heeft er van gegeten. Waar is het

vleesch, Moosu? Gij hebt het gehoor van God. Waar is het vleesch?"

Het volk schreeuwde en brulde om het vleesch. En zij staken de hoofden

bijeen en waren bang. Daarom begaf ik me tusschen hen net zoo lang

angstig sprekend over de geheimzinnige verdwijning van het vleesch,

over de dooden die verrezen en kwaad deden tot alle het uitgilden

van vrees en als bange kinderen zich tegen elkaar aandrongen.

Neewak hield een toespraak waarin hij alle schuld gaf aan Moosu. Toen

hij geeindigd was ontstond er een groot tumult en ieder haalde zijne

wapens voor den dag. Maar Moosu rende naar zijn hut en daar hij niet

dronken was zooals de anderen, konden ze hem niet inhalen en toen ik

weg ging werd hij in zijn hut belegerd."

Ik beval Angeit terug te gaan met een leege slede en de honden en

zei hem onverwacht voor het volk het in de gaten had Moosu uit zijn

hut te halen, op de slee te gooien en hem bij me te brengen.

Ik wachtte tot Angeit terug kwam met Moosu op de slee en ik zag aan de

krabbels welke hij op zijn gezicht had dat zijne vrouwen hem geducht

te pakken hadden gehad. Zoo gauw hij me zag viel hij voor me op de

knieen, terwijl hij om vergiffenis smeekte. Ik pakte hem beet, gooide

hem voorover op de slee en nam de hondenzweep in mijn hand. Toen kreeg

hij een pak slaag en bij elken slag vertelde ik hem waarvoor hij dien

kreeg. Deze voor je algeheele ongehoorzaamheid! En deze voor al je

ongehoorzaamheden! En deze voor Esauetuk en deze voor het heil van

je ziel. Ik sloeg net zoo lang tot ik er moe van was en schopte hem

toen van de slee af en beval hem vooruit te gaan om de sneeuw plat

te trappen.

Thomas Stevens glimlachte rustig terwijl hij zijn vijfde sigaar

aanstak en kringetjes naar de zoldering blies.

"Maar hoe is het afgeloopen met het volk van Tattarat?" vroeg ik. "Een

beetje onmenschelijk, niet? om hen in hongersnood achter te laten?"

Doch hij antwoordde lachend tusschen twee kringetjes door "waren er

dan niet de vette honden?"

De Ongelikte Beer · 第 22 / 23 题