Door Jack London.
Laat ik beginnen met te vertellen dat ik niet voor hem in sta. Ik
kan niet zeggen dat zijne verhalen waar zijn en ook wil ik er niet
verantwoordelijk voor wezen. Let wel, ik maak bij het begin dit
voorbehoud als wachter voor mijn eigen rechtschapenheid. Ik bezit een
zekere vaste eenvoudige positie en een vrouw; en voor de goede naam
van de maatschappij die mijn bestaan eert met zijn goedkeuring en
ter wille van haar voorspoed en de mijne, kan ik niet dezelfde kansen
loopen van vroeger, noch mogelijkheden scheppen met de onverschillige
zorgeloosheid de jeugd eigen. Dus ik herhaal ik sta niet voor hem in,
voor deze Nimrod, deze machtige jager, deze huiselijke, blauwoogige,
sproeterige Thomas Stevens.
Nu ik recht heb gedaan aan me zelf en aan alle mogelijke olijftakken
met welke mijne vrouw mij in de toekomst plezier zal hebben me te
vereeren, kan ik mededeelzaam zijn.
Ik zal de verhalen mij door Thomas Stevens verteld niet beoordeelen,
en ik zal geen oordeel vellen.
En waarom zal ik geen oordeel vellen? Omdat ik er geen heb. Lang heb
ik gewikt en gewogen doch geen enkele maal waren mijne beslissingen
dezelfde. Waarom? Omdat Thomas Stevens een grooter man is dan ik. Als
ik de waarheid heb verteld, goed; als ik onwaarheid heb verteld, om 't
even. Want wie kan het bewijzen? of wie het tegendeel? Ik oordeel niet,
terwijl ongeloovigen kunnen doen als ik deed--zoek Thomas Stevens op
en bespreek met hem de verschillende voorvallen welke, als het geluk
dient, ik vertellen zal. Waar hij te vinden is? De aanwijzigingen zijn
eenvoudig: ergens tusschen 53° N. breedte en de Noordpool en verder
op het meest wildrijke jachtveld tusschen de oostkust van Siberië en
uiterste Labrador. Dat hij daar ergens is, daar geef ik mijn woord
op van eerlijk man die gewoon is eerlijk te leven en recht te spreken.
Thomas Stevens kan verbazend gespeeld hebben met de waarheid, 't is
mogelijk, doch toen wij elkaar voor 't eerst ontmoeten (dit moet ik
even aanstippen), dwaalde hij in mijn kampement op een oogenblik
dat ik mezelf duizend mijl wegdacht van de uiterste wachtpost van
het beschaafde gebied. Op den aanblik van zijn menschelijk gezicht,
het eerste in eenzame lange maanden, had ik op kunnen springen en
had ik hem in mijn armen kunnen drukken (hoewel ik geen mensch ben
van uiterlijk vertoon), maar hem scheen zijn bezoek het meest gewone
gebeuren onder de zon. Hij slenterde eenvoudig binnen de lichtcirkel
van mijn kampvuur, schopte mijn sneeuwschoenen naar eene zijde en een
paar honden naar den anderen kant en maakte zoo voor zich zelf ruimte
bij het vuur. Hij zei dat hij even aankwam om een beetje soda en om
te zien of ik wat fatsoenlijke tabak voor hem had. Hij scharrelde
een oude pijp op, stopte die met bijzondere zorg en zonder blikken
of blozen schudde hij de helft van mijn tabakzak in de zijne. Ja,
de tabak was goed. Hij zuchtte met de zelfgenoegzaamheid van den
eerlijken mensch en zoog letterlijk de rook van de knetterende
geele blaadjes, en het deed mijn rookers hart goed hem zoo bezig te
zien. Jager? Wevervanger? Goudzoeker? Onverschillig haalde hij de
schouders op, neen; alleen maar wat rondscharrelen. Hij was eenige
tijd geleden van het groot Slavenmeer gekomen en was van plan over
te steken naar de Yukon. De postbeambte te Koshim had hem verteld
van de ontdekkingen aan de Klondike en hij was van plan daar eens
te gaan kijken. Ik bemerkte dat hij over de Klondike in de taal
van de Poolstreken sprak als van de Rendier rivier; een van zelf
ingenomenheid sprekende gewoonte, welke de Ouderen gebruiken tegenover
de "che-cha-quos" (nieuwelingen) en tegenover alle groenen in 't
algemeen. Maar hij deed het zoo naïf en zoo als vanzelf sprekend, dat
het niet wondde en ik vergaf het hem dan ook. Ook dacht hij er over,
vertelde hij, voor hij de vlakte naar de Yukon overstak even aan te
gaan op 't Fort de Goede Hoop.
Nu is 't naar 't Fort de Goede Hoop een lange reis om en nabij
de Poolcirkel, in een gebied waar maar weinig menschen ooit zijn
geweest; en wanneer een onbekende, rare kerel uit de lucht komt
vallen bij je kampvuur en spreekt over "rondscharrelen" en een
"uitstapje" wordt het hoogtijd op te staan en je droombeeld van je
af te schudden. Daarom keek ik rond zag de pijnboomen en de varens,
ik zag mijne zakken met voedsel, de camera, de adem van de honden en
boven het licht van de aurora in een lange streek van het Zuid-Oosten
naar het Noord-Westen. Ik rilde. De nacht van het Noordland heeft iets
tooverachtigs, dat iemand bekruipt als de koorts uit een moeras. Daarna
keek ik naar mijne sneeuwschoenen, welke overelkaar heen lagen zooals
hij ze geschopt had. Ook keek ik naar mijn tabakzak. Op zijn minst
de helft was er uit. Dat deed de deur dicht. Ik droomde niet.
Gek geworden door ontbering, dacht ik terwijl ik de man strak aankeek,
een van die wilde gelukzoekers ver verdwaald en dwalende als een
verloren ziel over groote uitgestrektheden en onbekende diepten. Best,
laat hem begaan tot wellicht hij zijne zinnen weer bij elkaar zou
scharrelen.
Dus liet ik hem praten en 't duurde niet lang of ik stond verbaasd,
want hij sprak over het groote wild en over hare gewoonten. Hij had
gejaagd op de Siberische wolf van West Alaska en op gemzen in de Rocky
Mountains. Hij beweerde te weten waar de laatste buffels leefden,
dat hij de caribou had nagejaagd toen ze nog rondtrokken in kudden
van honderd duizend, en dat hij geslapen had op de Great Barrens
terwijl hij het muskusdier vervolgde.
En ik veranderde mijn oordeel (voor 't eerst, doch niet voor de laatste
maal) en geloofde hem geheel. Waarom ik het deed, weet ik niet, doch
ik voelde mij gedwongen hem het verhaal te vertellen van een man die
zoo lang in de Poolstreken had rondgedwaald dat hij waarheid niet
meer van verdichtsel wist te onderscheiden. Het was een verhaal van
een grooten beer, die de steile hellingen van St. Elias bewoonde doch
nooit afdaalde tot den vlakken grond. Nu schiep God dit beest zoo,
als bewoner der berghellingen, dat de pooten aan de eene zijde een
voet langer waren dan die aan den anderen kant. Iedereen zal toegeven
dat dit buitengewoon gemakkelijk was voor het dier. Ik vertelde
het verhaal alsof ik er zelf op had gejaagd, beschreef de omgeving,
gaf het de noodige bijzonderheden en verwachtte dat mijn toehoorder
verstomd zou staan door mijn verhaal.
Doch dit was geenszins het geval. Had hij aan mijne woorden getwijfeld
dan zou ik hem zulks vergeven hebben. Had hij gezegd dat het niet
gevaarlijk was op zoo'n beest te jagen door de onmogelijkheid voor
het dier om om te draaien en den anderen kant uit te gaan--had hij
dit gedaan zeg ik, dan had ik hem sportief de hand gedrukt. Maar hij
deed het niet. Hij snifte, keek me aan en snifte nog eens; trok daarna
hard aan zijn pijp duwde een voet op mijn schoot en verzocht mij zijn
schoeisel te bekijken. Het was een "mucluc" van het Inmuit model,
dichtgenaaid met pezen. Maar het was het vel zelf dat opviel. Omdat
het een halve duim dik was, dacht ik eerst aan walrus vel; maar daar
had het niets van, want geen walrus droeg ooit zooveel haar. Aan
de kanten en aan de enkels was het haar vrijwel geheel weggeschuurd
door de sneeuw en kreupelhout, doch bij de knie en op meer beschermde
plaatsen was het hard, vuil zwart en erg dik. Ik scheidde het met
moeite en zocht onder het dikke haar naar het fijne bont dat bij
alle dieren uit de noordelijke streken te vinden is maar in dit geval
was er geen spoor van te bekennen. Dit gemis werd echter ruimschoots
vergoed door de lengte van het haar. Waarlijk, de plukken welke het
gebruik hadden overleefd waren wel anderhalve decimeter lang.
Ik keek den man aan terwijl hij zijn voet weg trok en me vroeg: "Had
jouw St. Elias-beer zoo'n vacht." Ik knikte van neen. "Noch eenig
ander levend wezen heeft zoo'n vacht," zei ik beslist. De dichtheid
en de lengte van het haar brachten me in de war.
"Dat" zei hij, en hij deed dit zonder blikken of blozen, "dat kwam
van een Mammouth."
"Nonsens!" schreeuwde ik, want ik kon het protest van mijn ongeloof
niet onderdrukken. "De Mammouth, beste vriend, verdween lang lang
geleden van deze aardbodem. Wij weten het dat die dieren eens moeten
hebben geleefd door de fossielen welke zijn opgegraven, en door een
bevroren geraamte dat de Siberische zon heeft te voorschijn gesmolten
uit een gletscher maar ook weten we dat er geen meer bestaan. Onze
ontdekkingsreizigers..."
Bij dit laatste woord viel hij me ongeduldig in de reden. "Jullie
ontdekkers? Pfh! Zwakkelingen. Laten we over hen niet meer
spreken. Maar vertel me. Gij mensch, wat weet je van de mammouth en
zijn leefwijze. Zonder twijfel leidde dit tot een verhaal van hem, en
daarom zette ik me schrap door mijn geheugen bij elkaar te schrapen
om alles te kunnen opdisschen wat ik over dit onderwerp wist. Om
te beginnen, bracht ik te berde dat het dier pre-historisch was
en haalde al mijne bewijzen aan om dit te bevestigen. Ik noemde de
Siberische zandvlakten die vol zaten met mammouth beenderen, sprak
van de groote hoeveelheden fossiel ivoor dat door de Alaska Handel
maatschappij van de Inmiets werd gekocht: en verklaarde dat ik zelf
in de Klondyke-kreeken uit den bodem beenderen had opgegraven van twee
meter grootte. "Allemaal fossielen" besloot ik "gevonden in aardlagen
onnoemelijke eeuwen oud." "Ik herinnerde me toen ik een kind was"
Thomas Stevens snifte (hij had een ergelijke manier van sniffen)
"dat ik eens een versteende watermeloen zag. Bestaan er daarom geen
watermeloenen of verbeelden de menschen die ze kweeken alleen maar
dat het watermeloenen zijn?" "Maar hoe zouden die beesten zich nu nog
kunnen voeden," verweerde ik me. Moeder aarde moet toch voedsel in
enorme hoeveelheden voortbrengen om zulke monsterachtige schepsels
te onderhouden. Nergens in de heele poolstreek is de grond zóó
vruchtbaar. Ergo, de Mammouth kan niet bestaan."
"Ik vergeef je je onwetendheid omtrent vele dingen van het Noorderland,
want je bent jong en hebt weinig gereisd; maar toch moet ik je één
ding toegeven. De mammouth bestaat niet meer. Hoe of ik dat weet? Ik
zelf doodde de laatste met mijn eigen rechterhand."
Zoo sprak Nimrod, de machtige Jager. Ik gooide een brandend stuk
hout naar de honden en verzocht hen hun heiligschendend gehuil te
staken en wachtte. Ongetwijfeld zou deze leugenaar van buitengewone
bekwaamheid zijn mond openen en me mijn verhaal van de St. Elias
beer betaald zetten.
"Het kwam zoo," begon hij ten laatste, nadat de eerbiedige stilte
lang genoeg geduurd had. "Ik kampeerde eens--"
"Waar?" viel ik in de rede.
Hij wuifde met zijn hand vaag in de richting noord-oost, waar een
onbekend land zich uitstrekte in welk uitgestrektheid zich nog
slechts weinig mannen hadden begeven en waaruit er nog minder waren
teruggekeerd.
"Ik kampeerde eens met Klooch. Klooch was een van die mooie kleine
kamooks als er maar weinigen in het gareel hebben geloopen. Haar vader
was een volbloed Malemut uit Russisch Pastilik aan de Bering zee,
en ik fokte haar met kennis van zaken uit een groote reuzenhond van
het Hudsonbaai ras. Ik zeg je, man, ze was een prachtcombinatie. En
nog geloof ik dat ze jongen moest van een geheel wilde wolf uit
de bosschen--, grijs en met sterke pooten met geweldige longen en
een onmetelijk uithoudingsvermogen. Zeg! Heb je ooit van zoo iets
gehoord? Het was nieuw ras dat ik aan 't fokken was en ik kon groote
dingen verwachten.
"Zooals ik zei, ze bracht de jongen voorspoedig ter wereld. Ik
zat op mijn hurken gebogen over het jonge goedje--zeven stevige
blinde scharrelaars--toen van achter me plotseling een vreeselijk
trompetgeschal kwam als van een olifant begeleid door het kraken
van takken en jonge boomen. Er kwam een wervelwind en ik was
half opgestaan toen ik voorover op mijn gezicht werd gesmeten. Op
hetzelfde oogenblik hoorde ik Kooch zuchten als een man die een stomp
in zijn maag krijgt. Je kunt snappen dat ik stil bleef liggen, maar
ik draaide mijn hoofd om, en zag een reuzengevaarte boven mijn hoofd
zweven. Daarna kwam gelukkig de blauwe lucht weer in 't gezicht en ik
stond op. Een harige vleeschberg verdween juist in het kreupelbosch
op de grens van de open plek waar ik mijn kamp had opgeslagen. Ik zag
zijn achter gedeelte voor een oogenblik, met een stijven staart, zoo
dik als mijn lichaam, recht achteruit staande. Het volgend oogenblik
was er nog slechts een groot gat in het dichte bosch, doch nog steeds
hoorde ik het lawaai als van snel wegstervende tornado, het kreupelhout
kraakte en boomen knapten af en vielen om.
"Ik greep rond me heen om mijn geweer. Het had naast me gelegen op
den grond met den loop tegen een blok hout; maar de kolf was gebroken,
de loop krom en de grendel was in duizend stukken. Toen zocht ik naar
het nest honden en--en wat denk je?"
Ik schudde mijn hoofd.
"Mijn ziel mag in duizend hellen braden als er nog iets van over
was! Klooch, de zeven stevige blinde jongen--weg, heelemaal weg. Waar
ze gelegen had was een slijmerige bloederige kuil in den zachten bodem,
een meter in diameter en aan de kanten een beetje haar."
Ik paste een meter af in de sneeuw, trok er een cirkel rond en keek
Nimrod aan.
"Het monster was tien meter lang en zeven hoog" antwoordde hij "en zijn
tanden waren zes meter lang. Ik kon mijne oogen niet gelooven, noch dat
ik het beleefd had. Maar als mijn verstand mij parten speelde dan was
er toch een gebroken geweer en een gat in het bosch. En bovendien was
er--of liever er was geen Klooch en geen jongen. Kerel, het maakt me
helsch wanneer ik er nog aan denk. Klooch! Een tweede Eva! De moeder
van een nieuw ras! En plotseling komt een woest lollende mammouth
als een tweede zondvloed en veegt ze met wortel en tak schoon van
de aardbodem! Verwondert het je dat de met bloed doortrokken grond
aan God om wraak schreeuwde? Of dat ik mijn handbijl opnam en het
monster narende?"
"De handbijl?" riep ik uit, buiten mij zelf van verbazing. "De handbijl
en een groote mammouth, tien meter lang, zeven meter--."
Nimrod grinnikte zacht. "Wat zeg je ervan hé," schreeuwde hij. "Is
het niet Munichhausen? Ik heb er zelf ook dikwijls om gelachen, maar
op dat oogenblik was het geen aardigheid, ik was gek van woede, om
mijn geweer en Klooch. Denk eens aan, kerel! Een nieuw ras nog niet
erkend en in het stamboek opgenomen en van de aardbodem gevaagd voor
het de oogen had geopend! Enfin, 't is niet anders. Het leven is vol
teleurstellingen en dat is goed ook. Vleesch smaakt het lekkerste na
een hongersnood en een bed is het zachtste na een zwaren tocht.
"Zooals ik zei, ik rende het beest na met mijn handbijl en volgde hem
op den voet de vallei in; maar toen hij zich omdraaide en terug rende
naar de opening moest ik buiten adem achterblijven. Over eten gesproken
is het misschien wel goed dat ik even stop om een en ander uit te
leggen. Daar in die buurt te midden van de bergen is een buitengewoon
eigenaardige natuur en grondgesteldheid. Daar zijn alsmaar kleine
valleien die allemaal op elkaar lijken als erwten in een zaak en
allen ingesloten door steile hooge rotswanden. En aan het laagste
gedeelte zijn steeds kleine openingen waar de gletschers zich een
weg hebben gebaand. De eenige manier om in de vallei te komen is door
deze openingen en ze zijn allen nauw en sommigen bijzonder nauw. En
voedsel--je hebt zeker weleens rondgescharreld op de van regenwater
doortrokken eilanden van de Alaska kust, daar ik kan zien dat je een
reiziger bent. En je weet hoe de boel daar groeit--groot en sappig
en wild. Wel, zoo was het ook in die valleien. Vette, rijke bodem,
met varens en gras en die dingen met bladen die boven mijn hoofd
uitstaken. 't Regende drie dagen van de vier gedurende den zomer;
en voer erin genoeg voor duizend mammouths, om niet te spreken van
het kleine wild voor ons menschen. Maar om terug te komen op mijn
verhaal. Beneden in het lage gedeelte van de vallei raakte ik buiten
adem en ik gaf het op. Ik begon na te denken, want toen ik niet meer
kon werd ik al woester en woester en ik wist dat ik nooit meer tot
rust zou komen, voor ik Mammouth vleesch gegeten had. En ik wist ook
dat ik dat niet krijgen zou dan na een geweldig gevecht. Nu was de
mond van de vallei erg nauw en de wanden bijzonder steil. Hoog boven
me lag een groot rotsblok op de rand van den rotswand. Het woog zeker
een paar honderd ton en balanceerde boven de opening op haar smalle
zijde. Dat was juist wat ik hebben moest. Ik liep terug naar mijn kamp,
de vallei in de gaten houdende zoodat het monster niet ontsnappen
kon en haalde mijne patronen. Zonder geweer kon ik daar toch niets
mee doen en daarom opende ik de hulzen, legde het kruit onder de rots
en bracht het door een brandend touwtje tot ontploffing. Ontploffen
deed het niet hard maar het blok schudde, wankelde lui en plofte naar
beneden juist in de opening tusschen de rotswanden, met ruimte genoeg
voor het beekje om rustig door te kabbelen. Nu had ik hem te pakken."
"Maar hoe had je hem dan te pakken?" vroeg ik verbaasd. "Wie heeft
ooit gehoord van een man die een mammouth doodde met een handbijl? of
met wat ook?"
"Maar man, heb ik je dan niet reeds gezegd dat ik gek was van
woede?" antwoordde Nimrod met een zweem van ongeduld. "Absoluut gek,
door Klooch en het geweer. En bovendien, was ik niet een jager? En
was dit geen nieuw en ongewoon wild? Een handbijl? Pfh! Die had ik
niet eens noodig. Luister en je zult hooren van een jacht zooals er
wellicht gebeurd zijn toen de wereld pas bestond en holbewoners op
jacht gingen met steenen bijlen. Daarmee had ik het ook kunnen doen. Is
het geen feit dat een man een hond of paard dood kan loopen? Dat hij
ze uit kan putten door zijn volhouden?"
Ik knikte.
"Wel nu dan?"
Daar ging me een licht op en ik verzocht hem verder te vertellen.
"Mijn vallei was misschien een vijf mijl in 't rond. De mond was
dicht. Er was geen enkele uitweg. Die mammouth was een schuw beest
en ik had hem in mijn macht. Ik zette hem weer na, joeg hem op met
steenen en liet hem drie keer de vallei rondhollen voor ik wat ging
eten. Snap je? Het was een manége! Een man en een mammouth! Een
hypodroom, met de zon, de maan en de sterren als jury!
"Ik had er twee maanden voor noodig, maar ik deed het. En dat is
geen ophakkerij. Ik liet hem maar rondhollen, ik had de binnencirkel
onder 't loopen gedroogd vleesch en bessen etend en zoo nu en dan
een tukje pakkend. Natuurlijk werd het dier soms wanhopig en kwam
op me af. Maar dan rende ik naar den moerassigen grond van de beek
en sprak de banvloek uit over hem en zijn nageslacht en tartte hem
bij me te komen, maar het dier was te slim om zich in het moeras te
begeven. Eens sloot hij me in tusschen de rotsen en ik krabbelde
buiten zijn bereik in een diep hol en wachtte. Als hij met zijn
slurf naar mij tastte sloeg ik er op met mijn handbijl tot hij het
ding terug trok met een geschreeuw dat hooren en zien je verging,
zoo woest was hij. Hij wist dat hij me had en toch niet had en dat
maakte hem razend. Maar 't was een slimmerd. Hij wist dat hij zelf
veilig was zoo lang hij me in 't hol hield en hij besloot me erin
te houden. En hij had groot gelijk alleen had hij buiten den waard
gerekend. Op die plaats was voedsel noch water dus kon hij onmogelijk
het beleg volhouden. Uren lang stond hij voor de opening, een oogje op
mij houdend en onderwijl met zijne reuzen ooren de muskieten verjagend.
Maar dan beving hem de dorst en begon hij te razen en te brullen tot
de grond ervan dreunde me uitmakend voor alles wat leelijk was. Dit
deed hij om me bang te maken, natuurlijk; en als hij dan dacht dat
ik genoeg onder den indruk was, scharrelde hij zachtjes achteruit en
trachtte de kreek te bereiken. Soms liet ik hem gaan tot hij bijna
bij het water was--het was maar een paar honderd meter--en dan kwam ik
naar buiten en hij weer gauw terug, log waggelend als een lawine. Toen
ik dit een paar maal gedaan had veranderde hij zijn taktiek, zonder
een waarschuwing rende hij weg, zoo hard hij kon naar het water er op
rekenende heen en terug te zijn voor ik gevlucht was. Op het laatst
echter vloekte hij me op een afschuwelijke manier uit, brak het beleg
op en ging vast besloten naar het water.
Dit was de eenige keer dat hij me in het nauw bracht--drie dagen aan
een stuk--maar na dien, stond het hypodroom nooit stil. Rond, rond en
rond als een zesdaagsche voor mijn pleizier, want hij had er nooit
pleizier in. Mijn kleeren scheurden aan flarden maar ik stopte geen
enkele maal om ze te herstellen, tot op het laatst ik naakt rondliep,
met niets dan mijn oude handbijl in de eene hand en een steen in
de andere. Werkelijk, ik stopte nooit dan alleen om wat te slapen
tusschen de rotsen wat hooger op. Wat de Mammouth betreft, die werd
magerder en magerder--viel zeker een paar ton af--en zoo zenuwachtig
als een schooljuffrouw die is blijven zitten. Wanneer ik naar hem
toe kwam en een schreeuw gaf of hem van ver met een kei naar zijn kop
gooide, sprong hij op als een bang veulen en beefde over zijn geheele
lichaam. Dan begon hij weer rond te rennen met zijn slurf en staart in
de lucht, zijn kop over een schouder en met haat spuwende oogen en de
manier waarop hij dan tekeer ging tegen mij was afschuwelijk. Het was
een buitengewoon immoreel beest, een moordenaar en een godslasteraar.
"Maar op het laatst staakte hij zijn kabaal en begon te jammeren en
huilen als een klein kind. Hij raakte buiten zichzelf en hij werd een
beverige geleiberg van ellende. Hij kreeg last van hartkloppingen en
wankelde heen en weer als een dronken man en dan viel hij en schaafde
het vel van zijne knieën. Dan begon hij weer te jammeren maar aldoor
voort strompelend. O, kerel de goden zelf zouden over hem geweend
hebben en jijzelf en iedereen. Het was jammerlijk, het was zoo'n
zielige vertooning, maar ik versteende mijn hart en liet hem slechts
harder loopen. Ten laatste putte ik hem geheel uit en hij viel neer,
geheel op, met gebroken hart, hongerig en dorstig. Toen ik bemerkte
dat hij zich niet meer verroeren kon, sneed ik zijn hielpezen door en
besteedde het grootste gedeelte van den dag met op hem in te hakken met
mijn handbijl, tot ik diep genoeg in zijn lichaam was doorgedrongen om
hem dood te maken. Tien meter lang was het dier en zeven hoog en een
man kon een kooi spannen tusschen zijne slagtanden en er lekker in
slapen. Hoewel ik al zijn vet uit hem had gejaagd, was hij toch goed
eetbaar en zijn vier pooten zouden gebraden een man wel een jaar eten
genoeg hebben verschaft. Ik bracht den geheelen winter bij hem door.
"En waar is die vallei?" vroeg ik.
Hij wuifde met zijn hand naar het noord-oosten en zei: "Je tabak is
goed. Een goed deel er van heb ik nu in mijn eigen tabakszak maar
de herinnering eraan zal ik tot mijn dood bij me dragen. Ten teeken
van mijn waardeering en in ruil voor de moccasins aan jouw voeten,
geef ik je deze muclucs ten geschenke. Zij zullen je doen gedenken
Klooch en de zeven blinde jongen. Zij zijn ook souvenirs van een
onvergelijkelijke gebeurtenis in de geschiedenis, namelijk van de
verdelging van het oudste en het jongste ras op aarde. En hun grootste
verdienste is dat zij onverslijtbaar zijn."
Het schoeisel verwisseld hebbend klopte hij de asch uit zijn pijp,
greep mijn hand ter afscheid en verdween door de sneeuw. Met betrekking
tot dit verhaal, voor hetwelk ik de verantwoordelijkheid niet draag
raad ik de ongeloovigen aan een bezoek te brengen aan het Smithsonian
Instituut. Wanneer zij de vereischte geloofsbrieven meebrengen en
niet in de vacantietijd komen, zullen zij zonder twijfel worden
toegelaten bij Professor Dolvidson. De muclucs zijn in zijn bezit en
hij zal bevestigen niet de wijze waarop zij verkregen zijn, maar het
materiaal van hetwelk zij zijn samengesteld. Wanneer hij verklaart
dat zij gemaakt zijn van Mammouth huid, aanvaart de geheele geleerde
wereld zijn oordeel.
En wat wilt gij meer?