Dien avond, nadat de redacteur haar nog eens afdoende gezegd had,
dat er geen eerlijk boksen bestond onder de prijs-vechters, zat Maud
Sangster een poosje in stilte te schreien op den rand van haar bed,
werd toen boos, en ging slapen met een gevoel van ontzettende walging
van zichzelf, prijs-boksers en de wereld in het algemeen.
Den volgenden middag begon zij een interview met Henry Addison uit
te werken, dat bestemd was, nimmer tot een einde te komen. Het was
in de aparte kamer, die haar was afgestaan op het bureau van de
Courier Journal dat _het_ gebeurde. Zij hield een oogenblik op met
schrijven om een blik te werpen op een berichtje in de middageditie,
dat Glendon uit zou komen tegen Tom Cannam, toen één van de loopjongens
een kaartje binnenbracht. Het was van Glendon.
"Zeg, dat ik niet te spreken ben," zeide zij tot den jongen.
In een minuut was hij terug.
"Hij zegt, dat hij in elk geval binnenkomt, maar hij wou 't liever
met uw toestemming doen."
"Heb je gezegd, dat ik aan 't werk was?" vroeg zij.
"Ja, maar hij zei dat hij tòch binnenkwam."
Zij gaf geen antwoord en de jongen ratelde voort met oogen blinkend
van bewondering voor zoo'n gewichtig bezoeker.
"Ik ken 'm. 't Is 'n verschrikkelijke groote kerel. Als hij goed te
keer gaat, slaat hij alles op 't kantoor kort en klein. 't Is Jonge
Glendon, die gisteravond gewonnen heeft met boksen."
"Goed dan. Breng hem binnen. Ik wou liever niet dat alles op het
bureau kort en klein geslagen werd."
Toen Glendon binnentrad, werden geen groeten gewisseld. Zij was koud
en ongastvrij als een grauwe dag en noodigde hem niet uit te gaan
zitten of toonde niet met hare oogen hem te herkennen; zij zat half
van hem afgewend vóór haar lessenaar in afwachting dat hij zou zeggen,
waarvoor hij kwam. Hij liet niet merken, hoe deze hooghartige ontvangst
hem aandeed, maar begon dadelijk over zijn onderwerp.
"Ik wil u spreken," zeide hij kortaf. "Die partij gisteravond, die
eindigde toch in die ronde."
Zij haalde haar schouders op.
"Ik wist dat dat zou gebeuren."
"Dat wist u niet," viel hij scherp uit. "U wist 't niet. Ik wist
't niet."
Zij keerde zich om en keek hem aan met een gezicht alsof de zaak
haar verveelde.
"Wat doet het er toe?" vroeg zij. "Prijs-boksen is prijs-boksen en
wij weten allemaal wat dat beteekent. De partij eindigde in de ronde,
die ik u genoemd had."
"Dat is zoo," gaf hij toe. "Maar u wist 't niet vooruit. In de heele
wereld waren u en ik tenminste twee menschen, die wisten, dat Powers
_niet_ neergeslagen zou worden in de zestiende."
Zij bleef zwijgen.
"Ik zeg, dat u 't niet vooruit wist." Hij sprak op dringenden toon
en toen zij nog weigerde te spreken, deed hij een stap naar haar
toe. "Geef antwoord," gebood hij.
Zij knikte.
"Maar hij werd verslagen," hield zij vol.
"Dat is niet waar. Hij was in 't geheel niet verslagen. Begrijpt u
dat? Ik zal u er alles van vertellen en u zult luisteren. Begrijpt u
dat? Ik heb u niet belogen. Ik was een dwaas en ze hielden mij voor den
gek en u met mij. U dacht, dat hij werd neergeslagen. Maar de stoot,
dien ik toebracht, was daarvoor niet zwaar genoeg. En ik raakte hem
niet eens op de goede plaats. Hij deed iedereen gelooven dat 't zoo
was. Hij simuleerde dien eindstoot."
Hij zweeg en keek haar verwachtend aan. En op een of andere wijze
wist zij, met een schok en een trilling, dat zij hem geloofde, en zij
voelde zich doordrongen van warm geluk nu deze man, die niets voor
haar beteekende en dien zij maar tweemaal in haar leven gezien had,
in hare oogen in zijn eer hersteld was.
"Nu?" vroeg hij en opnieuw beefde zij voor zijn dwingenden toon.
Zij stond op en haar hand ging naar de zijne.
"Ik geloof u," zeide zij. "En ik ben blij, héél blij."
Haar hand werd langer vastgehouden dan zij bedoeld had. Hij keek haar
aan met glanzende oogen, waarop de hare onwillekeurig het antwoord
gaven. Nooit heeft er zoo'n man bestaan, dacht zij. Zij sloeg 't
eerst de oogen neer en de zijne volgden, zoodat, evenals den vorigen
keer, beiden keken naar de handen, die in elkaar lagen. Hij maakte
een beweging van zijn geheele lichaam in haar richting, impulsief
en onwillekeurig alsof hij haar naar zich toe wilde trekken; toen,
blijkbaar met inspanning, schokte hij terug. Zij zag het en voelde den
dwang van zijn hand toen deze haar naar zich toe wilde trekken. En
tot haar verwondering voelde zij het verlangen om toe te geven,
het bijna overweldigende verlangen om in de sterke ronding van zijn
armen te worden getrokken. En wanneer hij aangehouden had, wist
zij, dat zij niet weerstreefd zou hebben. Zij was bijna duizelig
toen hij terugschokte en met een greep van zijn vingers, die de
hare bijna verbrijzelde, haar hand liet vallen, ze wegslingerde
bijna. "God!" hijgde hij. "Je bent voor mij gemaakt."
Hij keerde zich een weinig van haar af en wreef met zijn hand langs
zijn voorhoofd. Zij wist, dat zij hem voor altijd zou haten, wanneer
hij 't waagde, één stamelend woord van verontschuldiging of verklaring
te willen geven. Zij zonk terug in haar stoel en hij in een andere,
zoodat hij tegenover haar kwam te zitten aan den hoek van de lessenaar.
"Ik ben gisteravond in een Turksch Bad geweest," begon hij. "Daar heb
ik een ouden afgeleefden bokser bij mij laten komen. Hij was in vroeger
dagen een vriend van mijn vader geweest. Ik wist, dat er niets was, wat
den ring betrof, dat hij niet wist en ik bracht hem aan het praten. Het
grappigste was, dat ik alle moeite had, hem ervan te overtuigen, dat
ik de dingen niet wist waar ik naar vroeg. Hij noemde mij de baby
in 't woud. En ik geloof, dat hij gelijk had. Ik ben opgegroeid in
't woud en het woud is 't eenige, waar ik iets van weet.
Nu dan, ik kreeg gisteravond mijn opvoeding van dien ouden man. De
ring is nog veel meer verrot dan u mij gezegd heeft.
Het schijnt dat iedereen, die er mee in verbinding staat, meedoet
aan de knoeierijen. De opnemers, die de eerste boksverloven uitreiken
bedriegen de promotors, en de promotors, managers en boksers bedriegen
elkander en het publiek. Er bestaat een heel systeem voor aan den
éénen kant en aan den anderen kant is er altijd--weet u wat "the
double cross" is? [2] (Zij knikte.) "Nu 't schijnt dat zij geen kans
voorbij laten gaan om elkander "the double cross" te geven.
De vuiligheid, die de man mij vertelde, benam mij den adem. En ik
ben er al jaren midden in geweest zonder er iets van te weten. Ik
was werkelijk de baby in 't woud.
Maar nu zie ik hoe ze mij zoo voor den gek konden houden. Ik was
zoo gemaakt, dat niemand mij onder kon krijgen. Ik was bestemd
om te winnen en dank zij Stubener werd al het geknoei van mij
gehouden. Vanmorgen klampte ik Spider Walsh aan en bracht hem aan 't
praten. Hij was mijn eerste trainer, ziet u en hij volgde Stubener's
instructies. Zij hielden mij onwetend. Bovendien ging ik niet om met
de sportwereld. Ik bracht mijn tijd door met jagen en visschen en
proeven nemen met cameras' en zoo. Weet u hoe Walsh en Stubener mij
onder elkaar noemden?--de Maagd. Dat heb ik pas vanmorgen van Walsh
gehoord en 't was of hij me een kies trok. En ze hadden gelijk. Ik
was een onschuldig lammetje.
En Stubener gebruikte mij ook voor 't geknoei, maar ik wist er niets
van. Ik kan 't nu overzien en begrijpen hoe het in zijn werk ging. Maar
ziet u, ik stelde niet genoeg belang in de wedstrijden om achterdochtig
te zijn. Ik was geboren met een goed lichaam en een koel hoofd,
ik werd buiten grootgebracht en ik werd onderwezen door mijn vader,
die meer van boksen wist dan eenig ander mensch, levend of dood. Het
was te gemakkelijk. De ring nam mij niet heelemaal in beslag. Er was
nooit twijfel aan den uitslag. Maar nu heb ik er genoeg van."
Zij wees op het bericht, waarin zijn match niet Tom Cannam werd
aangekondigd.
"Dat is Stubener's werk," verklaarde hij. "'t Is al maanden geleden
besloten. Maar dat kan mij niet schelen. Ik ga naar de bergen. Ik
ben er uitgegaan."
Zij keek naar het onafgemaakte interview op den lessenaar en zuchtte.
"Mannen zijn toch heerschers," zeide zij. "Meesters van het
bestaan. Zij doen wat zij willen.--"
"Naar wat ik gehoord heb," viel hij in, "heeft u ook tamelijk wel
gedaan wat u wilde. En dat is één van de deugden waarom ik van u
houd. En wat mij sterk getroffen heeft van het begin af, is, dat u
en ik elkander begrijpen."
Hij brak af en keek haar aan met glanzende oogen.
"De ring heeft toch één ding voor mij gedaan," ging hij voort. "Ik
leerde er u door kennen. En als je die ééne vrouw vindt, dan is er
maar één ding te doen. Haar in je beide handen te nemen en niet los
te laten. Kom, laat ons naar de bergen gaan."
Het kwam plotseling, als een donderslag, en toch voelde zij, het
verwacht te hebben. Haar hart sprong op, zoodat zij op een vreemde
heerlijke manier bijna stikte. Dit ten minste was de wraak van een
eenvoudig, oorspronkelijk mensch. En toch scheen het een droom. Zulke
dingen gebeurden niet in moderne couranten-bureaux. Liefde werd niet op
die wijze gemaakt; zóó gebeurde het alleen op het tooneel of in romans.
Hij was opgestaan en stak haar beide handen toe.
"Ik durf niet," zeide zij fluisterend, half tot zichzelf. "Ik durf
niet."
En dadelijk werd zij pijnlijk getroffen door de minachting die door
zijne oogen flitste, maar die terstond veranderde in klaarblijkelijke
ongeloovigheid.
"U zoudt iets niet durven wat u wilt?" sprak hij. "Ik ken dat. 't Is
geen kwestie van durven maar van willen.