Wil je?"

Zij was opgestaan en stond nu te wankelen als in een droom. Het

flitste door haar brein of dit hypnotisme kon wezen. Zij had er

behoefte aan, om zich heen te zien naar de bekende voorwerpen in de

kamer, ten einde zichzelf met de werkelijkheid te identifiëeren,

maar zij kon haar oogen niet afwenden van de zijne. En zij sprak niet.

Hij was naast haar komen staan. Zijn hand lag op haar arm en zij leunde

onwillekeurig tegen hem aan. Het was alles een deel van haar droom en

er viel niets meer voor haar te vragen. Het was de groote durf. Hij had

gelijk. Zij kon durven wat zij wilde en zij wilde. Hij hielp haar in

haar mantel. Zij duwde de hoedespelden door haar haar. En op hetzelfde

oogenblik dat zij er aan dacht, zag zij zichzelf naast hem de open

deur uitgaan. De "Vlucht van de Hertogen" en "Het Standbeeld en het

borstbeeld" schoot haar door 't hoofd. Toen dacht zij aan "Waring."

"Wat is er van Waring geworden?" mompelde zij.

"Over land gereisd of over zee?" mompelde hij terug.

En dit ingaan op haar volkomen overbodige aanhaling, klonk haar als

een rechtvaardiging voor de dwaasheid die zij doen ging.

Bij den ingang van het gebouw stak hij zijn hand op om een taxi aan

te roepen, maar werd tegengehouden doordat zij zijn arm aanraakte.

"Waar gaan we heen?" vroeg zij zacht als een ademtocht.

"Naar de Ferry-boot. We hebben juist tijd om den trein naar Sacramento

te halen."

"Maar ik kan zóó niet gaan," wierp zij tegen. "Ik ... ik heb niet

eens een schoonen zakdoek bij me."

Eer hij antwoordde, stak hij opnieuw zijn hand op.

"Je kunt in Sacramento inkoopen doen. Wij trouwen daar en pakken

de nachttrein naar het noorden. Ik zal alles telegrafisch vanuit de

trein in orde maken."

Terwijl de cab voorreed, keek zij snel om zich heen naar de welbekende

straat en de welbekende menschen, toen met iets als angst in Glendon's

gezicht.

"Ik weet niets van je," zeide zij.

"Wij weten alles van elkaar," was zijn antwoord.

Zij voelde, hoe zijn armen haar omvatten en steunden en zette haar

voet op de treeplank. Het volgend oogenblik was het portier gesloten,

hij zat naast haar en de cab reed Market Street uit. Hij legde zijn

arm om haar heen, trok haar dichter naar zich toe en kuste haar. Toen

zij hem weer in het gezicht keek, was zij er zeker van, dat het door

een lichten blos werd gekleurd.

"Ik ... ik heb gehoord, dat kussen een kunst is," stamelde hij. "Ik

weet er zelf niets van, maar ik zal het leeren. Zie je, jij bent de

eerste vrouw, die ik ooit gekust heb."

De Ongelikte Beer · 第 16 / 23 题