Stubener had er niet veel tijd voor noodig, te weten te komen, dat
Glendon het aantal ronden wilde uitbreiden, maar wat hij ook deed,
hij kreeg geen enkele aanwijzing omtrent het juiste cijfer.
Hij verloor echter geen tijd en kwam in stilte een en ander overeen
met Nat Powers en den manager van Nat Powers.
Powers had een trouw gevolg van gokkers en aan het weddende publiek
mocht de oogst niet ontgaan.
Op den avond van de match maakte Maud Sangster zich schuldig aan
iets, dat meer gedurfd dan ooit tegen de conventie inging, ofschoon
er zelfs geen gefluisterd woord over naar buiten kwam om de wereld
op te doen schrikken.
Onder bescherming van den redacteur nam zij een plaats in bij den
ring. Haar haar en het grootste deel van haar gelaat waren verborgen
onder een slappen hoed, terwijl zij een lange mannenregenjas aanhad,
die tot op haar hielen hing. Zij bleef in het dichte gedrang en werd
zoodoende niet opgemerkt; en zelfs de journalist die, op de plaats
van de pers bij den ring, vlak tegenover haar zat, herkende haar niet.
Zooals meer en meer de gewoonte was, gingen er geen andere bokspartijen
vooraf; Maud had nauwelijks plaats genomen of luid applaus kondigde
de komst aan van Nat Powers. Hij kwam de galerij af te midden van
zijn secondanten en zij was bijna ontsteld over zijn geweldige
forschheid. Toch sprong hij zoo licht over de touwen als een man,
die half zijn gewicht had en beantwoordde met een grinnikkenden lach
de rumoerige begroeting, die uit het gansche gebouw oprees. Hij was
niet mooi. Twee ooren als bloemkoolen teekenden zijn beroep en de
woestheid die er bij behoorde, terwijl zijn gebroken neus zoo dikwijls
over zijn gezicht uitgespreid was geweest alsof hij een staal moest
geven van de dokterskunst die hem gerepareerd had.
Een nieuwe uitbarsting kondigde de komst van Glendon aan en zij nam
hem gretig waar, terwijl hij door de touwen naar zijn hoek ging. Doch
eerst, toen de langdurige tijd van voorstellen, aankondigen en
uitdagen voorbij was, gooiden de beide mannen hunne mantels uit en
stonden tegenover elkaar in boks-kostuum.
Van boven viel de witte glans van vele electrische lampen over hen
heen--dit ter wille van de film-opnemers; en terwijl zij naar de twee
mannen keek, die zulk een scherp contrast vormden, voelde zij Glendon
den beschaafden man en Powers den ongelikten beer. Beiden voldeden
aan die benaming--Glendon fijnbesneden van gezicht en gestalte, van
een zachte en tegelijk krachtige schoonheid, Powers bijna gelijkmatig
ruw van huid en zwaar begroeid met haar.
Terwijl zij hun inleidenden stand innamen voor de camera's, tegenover
elkaar in bokshouding, gebeurde het, dat Glendon's blik onder de
touwen doorging en op haar gezicht bleef rusten. Ofschoon hij geen
teeken gaf, wist zij, en haar hart sprong er bij op, dat hij haar
herkend had. Het volgend oogenblik klonk de gong, de aankondiger riep:
"Vooruit!" en het gevecht begon.
Het was een mooie strijd. Er was geen bloed, geen geknoei en beiden
waren bekwame boksers. De helft van de eerste ronde verliep met
aanvoelen, maar Maud Sangster vond het spel en de schijnstooten en
de zachte slagen met de handschoenen opwindend genoeg. Gedurende
enkele van de woestere aanvallen in een later stadium van den strijd,
was de redacteur gedwongen, haar arm aan te raken om er haar aan te
herinneren wie zij was en waar zij was.
Powers vocht gemakkelijk en zuiver, zooals behoorde voor den held van
een half honderd ringgevechten en een bewonderende claque beklapte
elken knappen stoot van hem.
Toch spande hij zich niet noodeloos in, behalve bij enkele vurige
aanvallen, die het publiek op deden rijzen in de verkeerde meening,
dat hij zijn tegenstander onder zou krijgen.
Het was op zulk een oogenblik, en terwijl het aan haar ongewende
blikken ontsnapte, hoe Glendon maar juist aan een ernstige kwetsuur
ontkwam, dat de redacteur zich naar haar overboog en zeide:
"Jonge Pat zal best winnen. Hij is een geluksvogel en ze kunnen hem
niet onderkrijgen. Maar hij wint in de zestiende, eer niet."
"Of later?" vroeg zij.
Zij lachte bijna om de zekerheid waarmee de ander ontkende. Zij
wist beter.
Powers volgde de taktiek om zijn tegenstander van oogenblik tot
oogenblik en van ronde tot ronde op te jagen en Glendon nam er
genoegen mee aan dit programma mede te werken. Zijn verdediging was
bewonderenswaard en hij bracht er juist genoeg aanvalstooten in om de
belangstelling van het publiek te prikkelen. Ofschoon hij wist dat hij
voorbestemd was, te verliezen, had Powers te veel ondervinding van den
ring om te aarzelen zijn tegenstander neer te slaan als de gelegenheid
zich aanbood. Hij was te dikwijls uitgekomen als de bedrogen bedrieger
om zich te ontzien, wanneer hij er anderen in kon laten loopen. Als
hij er kans toe zag, was hij bereid den ander neer te slaan en
de gokkers te laten stikken. Dank zij slimme courantenberichten,
heerschte het denkbeeld, dat Jonge Glendon eindelijk zijn meester had
gevonden. Maar in zijn hart wist Powers, dat hij 't was, die tegenover
zijn meerdere stond. Meer dan eens bij het vlugge invechten, voelde
hij het gewicht van stooten, waarvan hij wist, dat ze met opzet niet
zwaarder aankwamen.
Wat Glendon betreft, er waren vele oogenblikken, waarin de kleinste
vergissing in zijn oordeel hem blootgesteld zou hebben aan één der
voorhamer-stooten van zijn tegenstander, waardoor hij den strijd zou
verliezen. Doch hij bezat de bijna wonderlijke macht om precies tijd
en afstand te berekenen en zijn vertrouwen werd niet geschokt door
de vele malen, dat hij maar nauw ontkwam. Hij had nooit een partij
verloren, was nooit neergeslagen door een eindstoot en hij was altijd
zoo volkomen de meerdere geweest van elken tegenstander, dat zulk een
mogelijkheid ondenkbaar was. Aan het eind van de vijftiende ronde
waren beide mannen in goede conditie, ofschoon Powers ietwat zwaar
ademhaalde en er mannen vlak bij den ring waren, die wedden dat hij
"'t op zou geven."
Even voordat de gong voor de zestiende ronde sloeg, fluisterde Stubener
van achteren af over Glendon heenleunend, hem in:
"Neem je hem nu?"
Glendon gaf zijn hoofd een duw naar achteren, schudde neen en lachte
spottend in het gespannen gezicht van zijn manager.
Bij den gongslag voor de zestiende ronde, zag Glendon in verbazing,
hoe Powers loskwam. Van de eerste seconde af was het een stormwind
van aanvallen en Glendon had groote moeite aan ernstig letsel
te ontkomen. Hij blokte, greep vast, dook, deed zijstappen, werd
achteruit gedrongen tegen de touwen en met nieuwe aanvalstooten
ontvangen, toen hij naar het midden zocht te komen.
Verscheidene malen gaf Powers kans op een eindstoot, maar Glendon
weigerde den bliksemsnellen stoot toe te brengen, die zijn tegenstander
zou doen neervallen. Dien stoot bewaarde hij voor twee ronden later. In
het gevecht had hij geen oogenblik zijn volle kracht ingespannen of
zoo zwaar gestooten als hij kon.
Twee minuten lang, zonder eenige tusschenruimte, ging Powers hem met
volle kracht te lijf. Een minuut later zou de ronde voorbij zijn en het
wed-syndicaat leelijk gedupeerd. Maar die minuut zou niet komen. Zij
waren tezamen in het midden van den ring. Het was een gewone clinch
als meer in het gevecht was voorgekomen, alleen maakte Powers het
ieder oogenblik woester en ruwer.
Glendon bracht zijn linkerhand in een zijdelingschen maar lichten
stoot tegen het gezicht van den ander. Het was een stoot, zooals hij
er al twintig in den loop van het gevecht had toegebracht. Tot zijn
verbazing zag hij Powers slap worden in zijn armen en ineenzakken
op wankelende, doorknikkende beenen, die weigerden zijn gewicht te
dragen. Hij viel met een doffen slag op den grond, rolde half op
zijn zijde en lag roerloos, met gesloten oogen. De scheidsrechter
boog over hem heen en telde luid op.
Bij den kreet "Negen!" beefde Powers en deed een vergeefsche poging
om op te staan.
"Tien!--en uit!" riep de scheidsrechter.
Hij nam Glendon's hand en hield die omhoog naar het juichende
publiek, ten teeken dat hij de overwinnaar was. Voor het eerst in
zijn boksers-leven was Glendon als verbijsterd. Het was geen eindstoot
geweest. Daar kon hij zijn leven onder verwedden. Hij was niet tegen
de kaak aangekomen, maar tegen de kant van het gezicht en hij wist dat
de stoot daar had geraakt en nergens anders. Toch was de man gevallen,
had laten tellen en had 't alles prachtig gesimuleerd. Die slag op
den grond was een overtuigend meesterstuk geweest. Voor het publiek
was het ontwijfelbaar een eindstoot geweest en de films zouden den
leugen verder brengen. Ten slotte had de redacteur den juisten loop
voorspeld en er zat geknoei achter.
Glendon schoot een vluchtigen blik door de touwen naar het gezicht
van Maud Sangster. Zij keek hem recht aan, doch hare oogen waren
koud en hard en er was noch herkenning noch eenige andere uitdrukking
in. Zelfs terwijl hij haar aankeek, wendde zij zich onverschillig af
en zeide iets tot den man naast haar.
Power's secondanten droegen hem naar zijn hoek, in schijn een slap wrak
van een man. Glendon's secondanten kwamen naar hem toe om hem geluk te
wenschen en zijn handschoenen uit te trekken. Maar Stubener was hen
vóór. Zijn gezicht straalde, terwijl hij Glendon's rechterhandschoen
in zijn beide handen nam met den uitroep:
"Beste jongen, Pat! Ik wist wel, dat je 't doen zoudt."
Glendon trok zijn handschoen weg. En voor het eerst in de jaren,
dat zij samen waren geweest, hoorde zijn manager hem vloeken.
"Je kunt naar de hel loopen," zeide hij, keerde zich om en stak
zijn handen uit naar zijn secondanten om zijn handschoenen te laten
uittrekken.