"Waar ga je naar toe?" vroeg Stubener verwonderd, terwijl hij op zijn
horloge keek.
Pat, met zijn hand op de deurknop, bleef staan en keerde zich om.
"Naar de Academie," zeide hij. "Daar is een professor, die vanavond
een lezing houdt over Browning en Browning is een schrijver, waar je
hulp bij noodig hebt. Soms denk ik, dat 't goed zou zijn als ik naar
de avondschool ging."
"Maar groote goedheid, kerel!" riep de manager uit. "Je moet vanavond
uitkomen tegen den Vliegenden Hollander."
"Dat weet ik wel. Maar ik kom geen oogenblik vroeger dan half tien
of kwart voor tienen in den ring. De lezing is om kwart over negen
afgeloopen. Als u zeker wilt zijn, kom dan even langs en neem me mee
in uw car."
Stubener haalde met hulpeloos gebaar de schouders op.
"U hoeft u niet ongerust te maken," verzekerde Pat. "Vader heeft
mij dikwijls gezegd, dat de ergste tijd juist was die laatste uren
vóór een match, en dat menige partij verloren werd, nadat iemand den
moed verloor in dien tijd, dat hij niets te doen had als denken en
zich angstig maken. Nu, voor mij hoeft u daarover nooit ongerust te
zijn. U moest blij zijn, dat ik naar een lezing kan gaan."
En later op den avond, terwijl hij vijftien prachtige ronden voor zich
zag, grinnikte Stubener meer dan eens in zichzelf bij het denkbeeld,
wat het sport-publiek er wel van denken zou, als ze wisten dat de
prachtige jonge prijs-bokser zóó van een lezing over Browning in den
ring was gekomen.
De Vliegende Hollander was een jonge Zweed, die een ongewonen
ijver voor het boksen bezat en gezegend was met een wonderlijk
uithoudingsvermogen. Hij rustte nooit, viel altijd aan en stormde
in en vocht van de ééne gongslag naar den andere. Bij de zwaaislagen
draaiden zijn armen rond als dorschvlegels, bij het invechten gaf hij
altijd schouderstooten of worstelde half en bracht stooten toe zoo
gauw hij maar een hand vrij kon krijgen. Van 't begin tot het einde
was hij een wervelwind, vandaar zijn naam. Zijn gebrek was gewis een
oordeel over tijd en afstand. Toch had hij heel wat partijen gewonnen
doordat bij de oneindige fusillade van stooten die hij toebracht,
er licht één in elk dozijn raak was. Pat, onder den strengen eisch,
zijn tegenstander niet neer te slaan, had zijn handen vol. En ofschoon
hij aan ernstig letsel ontkwam, kon hij toch niet geheel en al vrij
blijven van die eeuwig rondvliegende handschoenen. Maar 't was een
eerlijk gevecht en hij genoot ervan op zijn gemoedelijke wijze.
"Zou je hem nu onder kunnen krijgen?" fluisterde Stubener hem in
't oor in de minuut rust na de vijfde ronde."
"Stellig," was Pat's antwoord.
"Je weet, hij is nog nooit in den eindstoot neergeslagen," waarschuwde
Stubener een paar ronden later.
"Dan ben ik bang, dat ik mijn knokkels zal moeten breken," glimlachte
Pat. "Ik weet welken stoot ik in me heb, en als ik daarmee raak,
moet er iets wijken. Als _hij_ 't niet is, dan mijn knokkels."
"Denk je dat je er hem nu onder zoudt kunnen krijgen?" vroeg Stubener
aan het eind van de dertiende ronde.
"Wanneer ik wil, zeg ik u."
"Nu Pat, laat 't dan tot de vijftiende doorgaan."
In de veertiende ronde overtrof de Vliegende Hollander zichzelf. Bij
den gongslag stormde hij door den ring naar den tegenovergestelden
hoek waar Pat langzaam op zijn beenen ging staan. Het publiek juichte,
want men wist, dat de Vliegende Hollander loskwam. Pat, die de zaak
van de grappige kant opnam, kwam op den inval, den verschrikkelijken
nooit-verslagene tegemoet te komen met een gansch lijdelijken afweer
en geen stoot toe te brengen.
Gedurende de drie minuten wervelwind die volgden, deed hij geen stoot,
noch veinsde een stoot te zullen doen. Hij gaf een zeldzaam staal
van afweer, zijn neergebogen gezicht beschermend met zijn linker arm,
en zijn onderlichaam met zijn rechter; dan weer veranderend als het
aanvalspunt veranderde, zóó dat beide handschoenen aan weerskanten
van zijn gezicht werden gehouden of beide ellebogen en voorarmen
zijn maag beschutten; en steeds in beweging, schouderend of half
uitvallend naar zijn tegenstander om diens pogingen te verijdelen;
zelf stoote hij niet, noch dreigde te stooten, en nu en dan wankelde
hij door de kracht van de stormachtige stooten, die zijn afweer door
een duivelschen taptoe zochten te overwinnen.
Zij, die vlak bij den ring zaten, zagen en waardeerden het, maar de
rest van het publiek stond als dol op, en brulde zijn toejuichingen
uit in de verkeerde meening dat Pat hulpeloos een verschrikkelijk pak
slaag opliep. Aan het eind van de ronde, ging het publiek zwijgend
weer zitten, terwijl Pat langzaam naar zijn hoek ging. Het was niet te
begrijpen. Hij had tot moes moeten zijn en er was hem niets overkomen.
"Hoe krijg je hem neer?" vroeg Stubener angstig.
"Binnen tien seconden," was Pat's geruste verzekering. "Let maar op."
Er was niets van slimheid of streken bij. Toen de gong luidde en Pat
op zijn voeten sprong, was het hem ontwijfelbaar aan te zien dat
het hem voor de eerste maal in de partij, er om te doen was, zijn
tegenstander te kloppen. Geen enkele toeschouwer of hij begreep het en
de Vliegende Hollander las de aankondiging ook in Pats' uiterlijk en
toen zij in het midden van den ring tegenover elkaar kwamen te staan,
aarzelde hij voor 't eerst in zijn boksers-loopbaan. Gedurende een
deel van een seconde keken zij elkaar in gevechtshouding aan. Toen
sprong de Vliegende Hollander op zijn tegenstander toe en Pat, met
een op het juiste oogenblik toegebrachte rechts-zijdelingschen stoot,
deed hem neervallen in zijn sprong.
Na dit gevecht begon Pat Glendon's vlucht naar den roem. De
sportmenschen en bladen sloegen acht op hem. Voor 't eerst was de
Vliegende Hollander neergeslagen. Zijn overwinnaar had bewezen een
heksenmeester in den afweer te zijn. Zijn vroegere overwinningen
waren geen toeval geweest. Hij had een stoot in beide handen. Reus die
hij was, zou hij 't ver brengen. De tijd was voor hem reeds voorbij,
schreef men, om zijn kracht te verspillen tegen derderangsboksers.
Waar waren Ben Menzies, Rege Rede, Bill Tarwater en Ernest Lawson? 't
Werd tijd dat zij uitkwamen tegen dezen jongen beginner, die plotseling
getoond had een bokser te zijn waarmede te rekenen viel. Waar was
zijn manager, dat hij geen uitdagingen publiceerde?
Toen was hij in één dag beroemd; want Stubener onthulde het geheim,
dat zijn beschermeling niemand anders was dan de zoon van Pat Glendon,
Oude Pat, den vroegeren held van den ring. "Jonge" Pat Glendon was
hij werkelijk gedoopt en sportlui en schrijvers zwermden om hem heen
om hem te bewonderen en te helpen en over hem te schrijven.
Te beginnen met Ben Menzies en eindigend met Bill Tarwater daagde
hij de vier tweederangs-boksers uit, bevocht en versloeg hen. Om dit
te doen was hij gedwongen te reizen, daar de matches in Goldfield,
Denver, Texas en New-York plaats vonden. Om dit te volbrengen waren
maanden noodig, want de grootere matches waren niet zoo gemakkelijk te
regelen en de boksers zelf hadden meer tijd noodig om zich te trainen.
Het tweede jaar zag hem uitkomen om het half dozijn groote boksers,
saamgegroept juist onder de zwaargewicht ladder, te bevechten en
te overwinnen. Hier op de top stond stevig geplant: "Groote" Jim
Hanford, de nooit verslagen wereld-kampioen. Hier langs de hoogste
sporten vorderde men langzamer, ofschoon Stubener onvermoeid was in
het publiceeren van uitdagingen en in het gebruiken van de critiek om
de boksers tot vechten te bewegen. Will King was in Engeland bezet
en Glendon volgde Tom Harrison halfweg de wereld rond om hem op den
boks-dag in Australië te verslaan.
Maar de beurzen werden grooter en grooter. In plaats van een honderd
dollar, die zijn eerste gevechten hadden opgebracht, ontving hij nu
twintig tot dertig duizend dollar per gevecht, en even groote sommen
van de bioscoop-opnemers. Stubener nam zijn percenten als manager
van dit alles, volgens de bepalingen van het contract, door ouden
Pat opgemaakt en hij en Glendon waren, ondanks hun groote onkosten,
bezig rijk te worden. Dit vond zijn oorzaak, meer dan in iets anders,
in het solide leven dat zij leidden. Ze waren geen verkwisters.
Stubener belegde zijn geld bij voorkeur in vaste goederen en zijn
bezittingen in San Francisco, bestaande uit étagewoningen en huizen met
appartementen, waren grooter dan Glendon ooit gedroomd had. Doch er was
een geheim syndicaat van gokkers die wel ten naastenbij konden raden,
hoe groot Stubeners bezittingen waren, omdat er ééne groote som na de
andere, waar Glendon nooit iets van hoorde, aan zijn manager betaald
werd door de filmopnemers.
Stubeners gewichtigste taak was, de onschuld van zijn jongen gladiator
te behoeden. Moeielijk was dit niet. Glendon, die niets te maken had
met den zakenkant, stelde er weinig belang in. Bovendien bracht hij,
waar hij op zijn reizen ook kwam, zijn vrijen tijd door met jagen en
visschen. Hij kwam zelden in aanraking met de lui uit de sportwereld,
was buitengewoon schuw en gesloten en verkoos musea en verzenboeken
boven praatjes over sport. En aan zijn trainers en partners bij het
sparren was door den manager op het hart gedrukt, hun mond te houden
over de minste toespelingen op verdorvenheden van den ring. In elk
gevecht plaatste Stubener zich tusschen Glendon en de wereld. Hij werd
zelfs nooit geïnterviewd als in bijzijn van Stubener. Slechts ééns werd
aan Glendon een geheim aanbod gedaan. Het was vlak vóór zijn strijd
met Henderson en een aanbod van honderdduizend werd haastig gedaan in
vlug gefluisterde woorden in een hôtel-corridor. Het was gelukkig voor
den man, dat Pat zijn drift beheerschte en hem schouderophalend voorbij
liep zonder te antwoorden. Hij vertelde het aan Stubener, die zeide:
"Het was maar gekheid, Pat. Ze probeerden je voor de mal te
houden." Hij merkte op hoe de blauwe oogen vonkten. "En misschien
erger dan dat. Als zij je hadden kunnen vangen, zou er een groot
sensatiebericht in de couranten zijn gekomen en 't was met je gedaan
geweest. Maar ik betwijfel dit. Zulke dingen gebeuren niet meer. 't
Is een legende, anders niet, die uit de vroegere geschiedenis van den
ring stamt. Vroeger werd er geknoeid maar geen bokser of manager, die
een goeden naam heeft, zou in dezen tijd zoo iets durven doen. Neen
Pat, de mannen in de bokswereld zijn even eerlijk en oprecht als
de beroeps-baseballspelers en iets eerlijkers en oprechters bestaat
er niet."
En den geheelen tijd dat hij sprak wist Stubener, dat het aanstaande
gevecht met Henderson niet korter dan twaalf ronden zou duren--dit
ter wille van de film--en niet langer dan de veertiende ronde. En
bovendien wist hij, zoo groot was de inzet, dat Henderson zelfs
omgekocht was het niet langer dan tot de veertiende te laten duren.
En Glendon, die er niet meer over aangesproken werd, zette de zaak
uit zijn hoofd en ging uit om den middag door de brengen met het
nemen van kleurphotografieën.
De camera was zijn liefhebberij van den laatsten tijd. Omdat hij
van schilderijen hield, maar zelf niet schilderen kon, zocht hij
een hulpmiddel door te photografeeren. In zijn handkoffer was een
vak volgepakt met boeken over dit onderwerp en hij bracht vele uren
door in de donkere kamer om voor zichzelf proeven te nemen met de
verschillende processen.
Nooit had er een groot bokser bestaan, die zoo los was van de
bokserswereld als hij. Omdat hij weinig wist te praten met de menschen,
die hij ontmoette, werd hij norsch en ongezellig genoemd en hieruit
ontstond een reputatie in de nieuwsbladen, die geen overdrijving was,
maar een volkomen misvatting.
Volgens de gedrukte berichten, was zijn karakter dat van een
onspraakzame domme, ruwe kerel met spieren als een os, en een
baardeloos schrijvertje over sport gaf hem den bijnaam van "De
Ongelikte Beer". De naam sloeg in. De overige leden van de broederschap
namen hem met gejuich over en hierna verscheen Glendon's naam nooit
meer in druk zonder die bijvoeging. Dikwijls in een opschrift of onder
een photografie verscheen "De Ongelikte Beer", alleen in hoofdletters
en zonder aanhalingsteekens. De heele wereld wist wie die Beer was. Dat
maakte dat hij zich meer dan ooit in zichzelf opsloot, omdat hij een
bitter veroordeel tegen krantenmenschen koesterde.
Wat het boksen zelf betreft, groeide zijn vroegere belangstelling
nog aan. De mannen tegen wie hij nu uitkwam, waren alles behalve
stumperts en de overwinning werd niet zoo gemakkelijk behaald. Het
waren boksers van naam en ondervinding en de eersten in den ring en
elke strijd was een probleem. Er waren gelegenheden waarbij het hem
onmogelijk bleek, hen buiten gevecht te stellen in de afgesproken
ronde. Zoo met Sulsberger, den reusachtigen Duitscher; hoe hij zich
ook inspande in de achttiende ronde, hij kreeg hem niet onder, in de
negentiende was het dezelfde geschiedenis en eerst in de twintigste
gelukte het hem door den afweer van den ander heen te breken en hem
te doen vallen. Glendon's groeiende vreugd in de bokssport bracht
ernstiger en langer training mede.
Nooit overdrijvend en terwijl hij veel van zijn tijd doorbracht met
jagen over de heuvels, was hij practisch altijd in conditie en anders
dan bij zijn vader, werd zijn carrière niet belemmerd door ongelukkige
toevalligheden. Hij brak nooit een been of bezeerde ook maar een
knokkel. Een ding, dat Stubener met geheime vreugd opmerkte was, dat
zijn jonge bokser er niet meer van sprak, voor goed naar zijn bergen
terug te gaan als hij Jim Hanford het kampioenschap ontnomen had.